PAARD

 

[Becanus ed. 2014: 380 (tekstbron uit 1580). Middelnederlandse woorden voor paard: ros, hors, guil, pert, mar, meri. Mar = ook: incubus (‘de mar rijt hem’).]

[Over de houding tegenover het paard in de vroege Middeleeuwen, zie Salisbury 1994: 28-31.]

 

1 Paard // hoogmoed en hebzucht (in het bijzonder van wereldse en kerkelijke machthebbers)

Vergelijk de ruiters te paard die achter de hooiwagen aanrijden (Jheronimus Bosch, Hooiwagen-drieluik, middenpaneel).

 

[Zacharias 10, 5 : Zij zullen de helden vertrappen / Als slijk op de wegen in de strijd; / Zij zullen strijden omdat Jahweh hen helpt, / En de ruiters beschamen.]

 

Fabulae ed. 1985 (XIIIb)

  • 67 (proloog). Fabelverzameling. Those who glory in a multitude of riches, in showy horses, in delicate foods.

Boec van Gods Wraken ed. 1869 (1346-51)

  • 297-298 (Boek I, hoofdstuk 3, verzen 310-319). Stichtelijk rijmtraktaat. Ach, hier wt eest al ghegaen! / Men siet tpaepscap nu meer staen / Naer grote hope van ghelde / Ende na perde van sconen telde / Dan na sfolx salichede. / Cristus ende Peter mede / Ende die ghene die na hem waren / Wel in .iijc. iaren / En reden noyt op perde / Maer si ghinghen op die erde.
  • 322-323 (Boek I, hoofdstuk 13, verzen 1038-1042). Ic sach ghescreven teere stonden / dat perde, vogle ende honden / Ende wive verteren tgoet / Daer Cristus om storte sijn bloet / Ende speelliede daertoe mede.

Canterbury Tales ed. 1995 (XIVd)

  • 594. The Parson’s Tale. Over de hoofdzonde Superbia, meer bepaald over overdreven luxueuze kledij van mannen en vrouwen: Zo schuilt de zonde van opschik of van overdaad ook in zaken die met paardrijden te maken hebben, zoals in vele schitterende paarden die gehouden worden voor het plezier en die zo fraai, zo vet, zo kostbaar zijn. Zoals in vele slechte knechten die voor verzorging van die paarden in dienst zijn en in merkwaardige tuigage, in zadels, in dekkleden, haamstukken en teugels bekleed met kostbare stof, in waardevolle staven en platen van zilver of goud. Daarover zegt God ons bij monde van Zacharia de profeet: ‘Maar die op paarden rijen, kome beschaamd te staan.’ Want dit soort lieden slaat weinig acht op hoe de Zoon van onze Hemelse Vader reed en hoe hij toen op de ezel reed, geen andere tuigage had dan de armzalige kleren van zijn discipelen en nergens lezen we dat hij ooit op een ander dier gereden heeft. Vergelijk Zacharias 10, 5.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 16 (nr. 7, verzen 27-36). Leerdicht. Scone vrouwen, hoghe paerde, / Cleder schoen van rycker waerde, / Goeden dranck ende edel spise, / Doechde ende eer in menigher wise, / Die hoert den groten heren toe; / Mar hi die sterff, ghi weet wel hoe, / Aenden cruce om onse noet, / Dien souden wy oock bekennen groot / Ende dancken hem van sinen goede, / Soe deden wy seker als die vroede.
  • 112 (nr. 58, verzen 92-95). Leerdicht over de hoogmoed en de hebzucht van de hoge clerus: Nu willen si hoghe paerden ryden / Opter heiligher kercken goet, / Ende verteren der armer bloet / Gulseliken sonder ontsien.

Speghel der Wijsheit ed. 1872 (circa 1400)

  • 177( verzen 4178-4181). Stichtelijk rijmtraktaat. Jezus spreekt: Noyt reet ic up orsen groot; / het was een ezel daer ic up sat / tsonnendaeghs voor mine doot, / te Jherusalem in die stat.

Leven Ons Heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 132 (hoofdstuk 24). Jezusleven. Jezus reed op een ezelin naar Jeruzalem: Ende al wast alte groet recht dat men hem eren soude, in dien tiden nochtan sijnre eren so hadde hi al silc orssen ende ghesmide [zadeldek]. Sich onsen Heer nu wel aen, hoe hi in sijnre eren lastert die ydel eer der werelt, want hier en waren gheen paerde mit vergulden breydelen ende zadelen noch ghesciert mit sydenen ghesmide na ghewoenten der sotheit der werelt. Oec mit snoden clederen ende mit tween zelekens was die ezelinne ghesciert, nochtan dat hi was Coninc der coninghen ende Heer der heren.

Cancellierboeck ed. 1932 (1471)

  • 150. Stichtelijk prozatraktaat. Nu merckt die grote verwoetheit der prelaten, die voel meer ernsticheit hebben tot hoeren perden ende der sierheit die hem toe behoert, dan sy hoer consciencie ende der gheenre die hem bevolen syn ende daer sy nochtan voer moeten antwoerden.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 335 (verzen 1-30). Vroed rederijkersrefrein. In de eerste drie strofen: scherpe kritiek op de adel. Vers 1 luidt: Die Heeren die hooghe peerden rijden. Verzen 27-28 (bijtend ironisch): Soe haerlieder peerden hooghe drauen / Soe zijnse met gode hoochst verheuen. Men begrijpe: net niét dus.

Baghynken van Parys ed. 1954 (circa 1490)

  • 10 (verzen 61-68). Volksboek. De moeder van een meisje dat begijn wil worden, probeert haar dochter te overhalen op een wit paard te gaan spelevaren. Zij weigert omdat Jezus op een gewone ezel reed: Och mijn dochter, lieve kint, / Siet aen u ionghe iaren / Ende sit op minen telder wit, / Wy sullen spelen varen. / Moeder, des en doe dick niet, / Dat ware mi groot miskijef. / Hi reet op eenen ezel bloot, / Mijn alder liefste lief.

Wre vander doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 105 (verzen 810-811). Rederijkersgedicht. De ‘ik’ vermanend tot de prelaten van de Kerk, in verband met hun rijke levenswijze: Maect v graf wilt van uwen peerde terden / Ghi sijt eerde en eerde moet eerde werden.

Menichvuldicheit des Bedrochs ed. 1903 (circa 1539-40)

  • 385. Rederijkersspel. Oerspronck der Sonden over de winst die gemaakt wordt met aflaatbrieven: By dese brieuen van groter weerden / Hefter menich gereden op muylen en peerden / By dese brieuen houtmen menighe boelagie. Op muilezels en paarden rijden = op grote voet leven, met die winst grote sier houden (wie op een muilezel of paard kon rijden, was niet arm).

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 78 (fol. 29v, verzen 24-25). Vroed rederijkersrefrein over het vertouwen dat men moet hebben in God de Vader: wes dan die in egipten zyt neder gheResen / vp veel waghens ende peerden hu Betrau vpgheschort. Wagens en paarden = de aardse ijdelheden.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 144 (fol. 234r, vers 14). Vroed rederijkersrefrein over het gebrek aan barmhartigheid in de wereld: wy worden ouerReden met ghierighe peerden.

Bijns ed. 1875 (1561)

  • 463 (Boek I, refrein 70, strofe e, verzen 1-4). Vroed rederijkersrefrein. Petrus Paus zijnde duer de werelt ginck / Devangelie Preken met moede leden. / Merct, oft hij begout, besilvert, bepeerelt ginck. / Heeft hij oock frische hencxten beschreden?

Ontrouwen Rentmeester ed. 1899 (circa 1587)

  • 85 (verzen 142-143). Rederijkersspel. Een sinneke tot Tgroot Getal: Doet onsen raet, soe bereyde noch perden, / en met silveren gerden behangen, non parelle.

 

2 Paard // zondigheid

 

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 110 (verzen 8690-8696). Stichtelijk rijmtraktaat. Bij ‘traechede’: Ecclesiasticus die secht hier af: / ‘Een levende hont ne bure groot / Is beter dan een liebaert doot’. / Tverstaen is biden doden liebaerde / Die rike vracke, want hi van aerde / Der gans slacht ende den perde mede, / Die vetten in hare ledichede.

Canterbury Tales ed. 1995 (XIVd)

  • 625. The Parson’s Tale. Over Avaritia, meer bepaald over zij die hun goed verkwisten aan muzikanten en vleiers: Voorwaar, hij die met het weggeven van zijn goed alleen de zonde najaagt, verliest op boze wijze zijn bezit. Hij is dan als een paard dat liever vuil of troebel water drinkt, dan uit de klare bron te drinken.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 442 (Somerstuc, hoofdstuk 35, regels 92-94). Theologisch compendium. Zaken die de ‘penitencie’ kunnen hinderen: Dat eerste is: wemoedicheit enighe deucht te bestaen, recht als een scuwe paert, dat voor een schim vliet.

Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 417-418 (paragraaf 410). Stichtelijke prozatraktaat. Over mensen die niet biechten uit angst voor de grote penitentie: Dese menschen sijn recht ghelijc den scuwen paerde, dat anxt heeft voer die scaduwe, diet siet. Ende voerwaer, ten is niet dan een scaduwe of een schim, al dat een mensche doen mach van penitencie, bider pijnen der hellen of des veghevyers!

Blome der doechden ed. 1904 (XVa)

  • 50. Stichtelijk prozatraktaat. Over geestelijke luiheid (gebrek aan sterkte en vertrouwen in God): Dese slachten den groeten stercken gulen die seer sterck sijn mer sij en moghen niet arbeiden noch en willen trecken noch halen. Ten sij dat mense mit groeten slagen ende met scarpheit daer toe dwinghe alsoe en willen oec die grote loyarts oec niet arbeiden noch winnen. Ten sij datse die noot sake van honger ende van doerste daer toe dwinghen alsmen dicwijl sijn mach an onnutten luden.

Grant Kalendrier et Compost des Bergiers ed. 1976 (circa 1500)

  • I 69 – I 70. Naar aanleiding van de bestraffing van Gula in de hel: car quant on tient ung cheval par la bride, on le mene la ou on veult. Si fait le diable l’homme glouton ou il veult.
  • K 80. En l’Apocalypse est escript que sainct Jehan veit ung cheval de couleur pale sur lequel seoit la Mort, en Enfer ensuyvoit ce cheval: le cheval signifie le pecheur qui a la couleur pale pour sa maldie de peché, et porte la mort, car peché est la mort de l’ame, et Enfer le suyt pour l’engloutir simouroit impenitent. Met begeleidende houtsnede. Vergelijk infra ‘het paard Vale’.

 

3 Paard = menselijk lichaam dat moet beteugeld worden (paard zonder teugel = de redeloze mens)

[Jakobus 3, 2-3. Over de gevaren van de tong: men kan ermee zegenen en vloeken. Het wapen van de taal: Zo iemand in het spreken niet struikelt, dan is hij een volmaakt man; want dan kan hij ook heel het lichaam beteugelen. Wanneer we de paarden het gebit in de bek steken, om ze ons te doen gehoorzamen, dan mennen we ook heel hun lijf.]

[Warnar 1991: 131. In het Ridderboec staat het paard allegorisch voor ‘vleescelike sinlicheit ende ghenuechte’. De breidel staat voor de wilskracht.]

 

Pros tous neous ed. 1959 (IV)

  • 37. Stichtelijk prozatrakaat (Grieks). De mens die de teugels van de lichamelijke genotzucht viert, wordt vergeleken met een wagenmenner meegesleept door onwillige paarden die in overmoed zijn opgedreven.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 44 (Somerstuc, hoofdstuk 3, regels 331-335). Theologisch compendium. Naar aanleiding van een passage in het Boek Esther: Dat scone paert of heynxt, die van den zadel des conincs is, dat is een ghesatet reyn lichaem, dat in sinen sinnen der overster reden is onderdaen ende willichliken verduldich ende vromelic inden weghe Gods gaen.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 429-430 (Somerstuc, hoofdstuk 33, regels 182-191). Theologisch compendium. De H. Schrift wapent de Godsridder (ten gevolge van het sacrament van het Vormsel wordt men een strijder voor het geloof). Die ‘ridder’ heeft onder meer een paard: Dat paert sal wesen een reyn lichaem, dat salmen voederen, also matelijc dattet niet en wrenssche, noch weder-strubbich en si, ende also behoeflic, dattet niet te swac en si. Men salt beslaen mit hoefysers, dat is exempelen der heilighen leven; men selt tomen mit ondersceit, dat is: redelic sal die arbeit wesen ende die last, diet moet dragen. Men salt zadelen ende gorden mit zeden ende mit saticheden, dattet niement om en werpet in toorn ende in nide, in afterspraken, in onwaerdicheit van biwesen, mer dat een yghelic van hem ghevordert si.

Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 471 (paragraaf 549). Stichtelijke prozatraktaat. Over soberheid: Die dese duecht heeft, die heeft heerscappie van sinen lichaem, recht alsmen dat paert vermeestert mitten toem.
  • 475 (paragraaf 558). Want alsmen hout dat paert biden toem, dattet niet na sinen wille gaet, also sal een sijn herte houden mitten breydel der soberheit, dattet hem niet over en gheve totten wille noch tot begheerte noch tot ydelheit der werelt.

Triumphe ende ’t palleersel van den vrouwen ed. 1996 (1514)

  • 323 (regels 4-7). Moraliserend traktaat. In een exempel over gewetenswroeging: de bisschop van Alexandrië ziet een rijke, ijdele vrouw over straat lopen, valt wenend ter aarde en zegt luid: Och lacen, ick sie een onghethoomt peert, een uutsinnige siele, een lichaem sonder scaemte, een verloren verstant, twee scoon ooghen sonder ghesichte oft claerheyt ende een creaturedie God ghescapen heeft, ghelevert in den handen des duvels, die se uten weghe des eewighen levens in den afgront van der hellen leyt.
  • 335 (verzen 7-8). Want die wijsheyt niet en nemet goome, / wort den perden ghelijct sonder thoome.

Maria ghecompareirt byden scepe ed. 1920 (1530)

  • 338 (verzen 370-376). Rederijkersspel. An dachterste steue zo hanghet roer / Daermen tscip mede dwynt, nemes ghoom vroet / Ghelyc men een peert met den thoom doet / Keerende wendende zonder eeneghen ghescille. / Dit verstaen wy van Maria de vterste wille / Die zou Godt als stierman met vulder ghewelt / Vander eeuwicheyt jnde zyne heift ghestelt. Teugels = de wil die de driften (het paard) leidt en stuurt.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 61 (fol. 349r, verzen 15-18). Kort vermanend rederijkersgedichtje, in de titel toegeschreven aan Socrates: Droncke te drynckene doch ontbeert / Want wiens zinnen in wyne wallen / De zulcke es ghelyck een Peerdt / dwelck van hem doet zyn meester vallen. Meester = de rede, het verstand.
  • 94 (fol. 368v, verzen 7-8). Rederijkersballade over losbandige kermisgangers: zulck loopt hem ter bare moe ende mat / Brassende dan, al waert van een peerdt.

 

4 Paard // erotiek, wellust, onkuisheid

[Tobias 6, 16-17 : Toen sprak de engel Rafaël tot hem: Luister eens naar mij, ik zal u uitleggen over wie de duivel macht kan hebben. De boze geest heeft macht over hen, die zó het huwelijksleven beginnen, dat ze God buiten hun hart en hun geest verbannen, en enkel zinnelust zoeken als een paard of een muilezel, zonder verstand.]

[Psalm 32 (31), 9 : Wees niet als paarden / Of muilezels zonder verstand, / Die men moet mennen met toom en gebit, / Of ze gehoorzamen niet. De Middelnederlandse vertaling hiervan in Wesseling ed. 1993: 118 (tekstbron uit XVB): En wilt niet houaerdich wesen noch ondancbaer leuende gelijc den paerden ende den mulen die ghene redelicheit gegeuen en is noch wijsheit.]

[Jeremias 5, 7-8 : Hoe zou Ik u dit alles vergeven: / Uw zonen verlaten Mij; zweren bij al wat geen god is. / Ik heb hen verzadigd, zij breken hun trouw, / En zwermen naar de bordelen: / Allemaal vette, geile hengsten, / Hinnikend achter de vrouw van een ander. Dat het paard hier geassocieerd wordt met luxuria, werd ook al gesignaleerd in De Mirimonde 1974: 99 (noot 38).]

[Ezekiël 23, 20 : En zij verlangde naar hun zwelgers, die heet zijn als ezels en driftig als hengsten.]

[De Vooys 1926: 181, signaleert dat in een exempel een zondige ridder wordt als ‘paard of muilezel zonder verstand’.]

 

De amore ed. 1982 (circa 1185)

  • 222-223 (Boek I, hoofdstuk 11, paragraaf 1). Latijnse ars amandi. Over seks bij boeren: I maintain that farmers can scarcely ever be found serving in Love’s court. They are impelled to acts of love in the natural way like a horse or a mule, just as nature’s pressure directs them.

Dialogus miraculorum I ed. 2003 (1219-23)

  • 197 (afdeling 4, hoofdstuk 1). Latijns stichtelijk traktaat. Van de wereldlijken en vleselijken evenwel die naar het vlees leven, zegt men in oneigenlijke zin dat ze beproefd worden, want zodra ze de bekoringen bespeuren, gaan ze door de knieën of bieden ze maar slapjes weerstand, gelijk aan het paard en de muilezel, die geen verstand hebben. Vergelijk Psalm 32, 9.

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 8 (verzen 521-526). Stichtelijk rijmtraktaat. Bij ‘oncuuschede’, over de onkuise mens: Van desen Ecclesiasticus sede: / ‘In die straten van der stede / Wert hi genodicht ende geplaecht, / Ende als een cachtel [veulen] dat men jaecht / Salmenne gelauwen daer, / Daer hijs niet sal nemen waer’.

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1390)

  • 416 (nr. 86, verzen 15-16). Zot refrein. Een Broeder Lollaerd en een Zuster Lute copuleren; De cucule [de broeder], die daer upperst was, / Die docht mi draven als een paert.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 178 (Winterstuc, hoofdstuk 25, regels 220-224). Theologisch compendium. Over de dochter van Luxuria: Die eerste is subversio racionis, dat hiet ommekeringe der reden; als een in desen sonden sijnre reden so seer uutgaet, dat hi wert als een mule ende een paert, daer ghien verstant in en is, so misschiet der menscheit alte cleyn [dan wordt de menselijke natuur zeer weinig recht gedaan]. Vergelijk Tobias 6, 16-17.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 495 (Somerstuc, hoofdstuk 40, regels 217-220). Theologisch compendium. Over de jongelingenleeftijd (18-30 jaar): ende dan soe gheeft die natuer den menschen lust sijns levens ende wert losse tot oncuuscheden, als een mule ende als een paert, daer ghien verstant in en is. Vergelijk Psalm 31, 9 en Tobias 6, 16-17.

Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 454-455 (paragraaf 505). Stichtelijk prozatraktaat. Die engel seide tot Thobias, dat hise tot enen wive hebben soude, ende seide hem, in wat lude die duvel macht heeft: dats inden genen, die god also setten uut haerre herten, dat sij niet en dencken dan haer wellust te voldoen, als een paert ende een mule.

Evangelien vanden spinrocke ed. 1910 (circa 1520)

  • C5r. Als een man bereet is te paerde te scriden soe en sa [sal] hi sijn swaert niet neme(n) van sijns wijfs hant noch geen and(er) harnas wa(n)t had hijs te doen het soud he(m) hindere(n). Paardrijden = coire (onduidelijk dubbelzinnig).
  • C5v. Aecht de rye seide ic meen dattet graueel coe(m)t va(n) onclare(n) wijn of a(n)dere(n) dra(n)ck te drincken en(de) ald(er) meest van riden sonder zadele. Rijden zonder zadel: onduidelijk dubbelzinnig (masturberen?).

De Instutione Feminae Christianae ed. 1996 (1523)

  • 6 (regels 23-26). Latijns moraliserend prozatraktaat. Itaque non ignoro quibus haec mea praecepta severa nimis et rigida videbuntur: viris iuvenibus, imperitis, lascivis, perditis; qui ne aspectum quidem probae ferre possunt, qui velut otiosi et bene pasti equas omnes adhunniunt [therefore I know who will find my precepts too severe and rigid – young men, the inexperienced, the lascivious, and the depraved, who cannot bear the sight of a virtuous woman, who like indolent, well-fed horses neigh at every mare].

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 173 (verzen 579-580). Rederijkersspel. De sinnekes over Eneas en Dido die toegeven aan de erotische verleiding: Daer om mûetense mit een sûet toomken bereen sijn: / Ghewillighe paerden en behûeven gheen spooren.

Rijcke Wrecke ende Lazarus ed. 1993 (XVIB)

  • 44v (vers 677). Rederijkersspel. Wellust des Vleijsch wil gaan dansen: mijn voeten Jeucken, Ick trantel als de paerden.

 

5 Paard // vrouwelijke wellust en erotiek (paard, merrie = vrouw)

 

Van Altena ed. 1987 (XI-XII)

  • 50 (nr. I, cobla 3 / 5-8). In een Occitaans lied van Guilhem IX (1071-1127): Ik heb twee paardjes op stal – vol jonge pracht. / Goed tot de strijd gedresseerd – ‘k rij ze bij nacht. / Maar beide houden gaat fout – daar ’t een het and’re dan slacht. // (…) ’t Eén is een bergpaardje dat – draaft zonder klacht. / Maar het is koppig en schuw – en ’t geeft nooit acht, / ook vlucht het weg als het slechts – een roskam voelt in de vacht. // ’t Ander is beeldschoon en van – edel geslacht, / het werd nabij Confolens – eens grootgebracht / en voor geen geld en geen goud – geef ik die pracht uit mijn macht. // ’t Was nog een veulentje-teer – toen ik het bracht / bij de pikeur die een jaar – dressuur betracht. / Maar na één jaartje bij hem – houd ik haar honderdenacht. // Ruiters als ik, geef mij raad – hoor toch mijn klacht: / nooit heeft een keuze mij meer – twijfel gebracht. / Moet ik Agnès of Arsén – houden voor iedere nacht?
  • 51 (nr. II, cobla 6). In een ander lied van Guilhem IX: Gunt u haar nimmer een hap – van hete brij, / dan neemt zij wat haar hand vindt – tot haar gerij / en als het ros haar ontbreekt – huurt zij wel een hakkenei. Hier dus paard = man.
  • 78 (nr. I, cobla 7). Uit een Occitaanse pastorella van Marcabru (12de eeuw): Liefje, sprak ik, zo aanbeden, / eens beroerde een fee uw leden / en schonk u bekoorlijkheden / boven ieder boerenmeidje. / Als wij hier eens paardjereden, / ik de ruiter, u beneden, / samen in dit malse weitje?

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1390)

  • 344 (nr. 53, verzen 53-54). Amoureus liedje. Die tpaert heift binden stalle, / Verware sijn slotelkijn. Wie de geliefde vrouw heeft veroverd, moet ze goed aan zich binden…

Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 110 (Fragment III, Group D, verzen 386-387). In de ‘Wife of Bath’s Prologue’ zegt de Wife of Bath dat zij goed van zich kon afbijten (in verband met haar ex-echtgenoten): For as an hors I koude byte and whyne. / I koude pleyne, and yit was in the gilt.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 21 (nr. 9, verzen 66-82). Leerdicht. Reynaert de vos vermaant zijn tante die op bedevaart wil gaan: Hier om soe laet u lopen wesen, / Ende neemt exempel anden anderen, / Die belopen ende bewanderen / Scaemt ende schande, die langhe duyrt, / Ghelijc den paerde, dat besuyrt / Beyde mit lopen ende mit draven, / Soe dattet comt van groter haven / Tot cleynen ghelde off tot nyet. / Moeye, dats menichwerff gheschiet, / Ende noch selt inder werlt gheschien: / Vrouwen, die hem laten zien / After lande hier entaer, / Men volcht hem soe mit listen nair, / Dat si comen buten der waerden, / So slachten sy verleemde [kreupele] paerden: / Hoerre gheen en prijstmen guet. / Dat sprc Reynaert, ende hi was vroet.

Der vrouwen heimelijcheit ed. 2011 (1405)

  • 70 (verzen 204-206). Didactisch rijmtraktaat. Gheen dier ghenoet na dontfaen / sonder dwijf, alse wi verstaen, / ende die merie, dats waerheit fijn. Zie ook Der vrouwen heimelijcheit ed. 1846: 8 (verzen 204-206).

Minnen Loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 120 (Boek I, verzen 3229-3235). Ars amandi. Waarschuwing aan de goede mannen om niet om te gaan met slechte vrouwen: By nacht en radic u niet te striden, / Noch mit blinden paerden te rijden. / Verwacht altoes den claren dach, / Ende rijt dan uut om u beyach, / Dat ghi u claerlick moecht versien / Eer ghi mit desen off mit dien / In minnentliken banden treet.
  • 232 (Boek II, verzen 2977-2979). Vrouwen doen vaak eerst moeilijk, zijn vaak weigerachtig in het begin: Dus valt wael, dat die vrouwen eerst / Toernich sijn mit groten neernst / Ende gaen biten opten toem.
  • 261 (Boek II, verzen 3771-3772). Als vrouwen iets niet willen (vooral in liefdeszaken), weten ze altijd wel een middel om eronderuit te komen: Men seit, mit onwillighen paerden / Ist quaet ploeghen inder aerden.

Minnen Loep II ed. 1846 (1411-12)

  • 107 (Boek IV, verzen 1606-1607). Ars amandi. Trouw in het huwelijk is zeer belangrijk: Ghi en sult gheen vreemde paerden stallen / Ende jaghen die uwe uut. Paard = hier: man of vrouw!

Geraardsbergse handschrift ed. 1994 (1460-70)

  • 55 (nr. 19, verzen 2-4). Gedichtje over de eigenschappen van paarden: Schoene van borste / grof van henden / sachte van vpsittene / ghelijc den vrouwen.

Boeck vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (XV)

  • 184 (regels 19-22). Stichtelijk prozatraktaat. Onkuisheid maakt van de mens een beest, ja, maakt hem erger dan een beest: Want ghien dier en begheert mit sinen gade te menghen nae dattet vrucht ontfanghen heuet dan alleen die meerien paerden ende die menschen.

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 123 (vers 3487). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: Men spant jonge paerden wel inden ploech. Men ontmaagt ook wel jonge meisjes.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 50 (refrein 23, vers 38). Amoureus rederijkersrefrein met als thema ‘soort zoekt soort in de liefde’: erm rostusers [paardenhandelaars] soiken altoos quay gulen.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 239 (nr. 133, verzen 1-4). Zot gedichtje. Een goet peert moet hebben .xviij. stucken / van ses creaturen ende van elcx drie. / Vander vrouwen Een schone borst / Eenen groten eerst ende laten gerne op sitten.

Diversche Liedekens ed. 1943 (XVIb)

  • 5 (nr. II). In een amoureus liedje over de geliefde vrouw: Zo aerdigh een cortauken [reispaardje].

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 46 (vers 1124). Rederijkersspel. Vprecht Simpel Gheloven laat zich pramen door Selfs Goetduncken. Een sinneke zegt: tsa, hoij inder crebben, tpaert sal haest ghestalt zijn. De vrouw zal snel verleid zijn.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 47 (regel 23). Spreekwoordenverzameling. Ghien stolter Dier op eerde(n) / da(n) een Peert / ende een wijff.

Luerifers ed. 1946 (circa 1550)

  • 172 (vers 9). Rederijkersklucht. Een boer vergelijkt zijn overspelige vrouw met een ‘onbetrouwbaar paard’: Zouwse de quae pairden slachten, dat waer een spijt. De verklaring hiervoor in vers 17 (p. 173): zij slaet achter ute. Dit laatste slaat op het achterwaarts stampen van een paard en op het gemakkelijk op haar rug vallen van de boerin.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 190 (vers 1040). Rederijkersspel. Anna, zuster van Dido, tegen Dido: Een peerdt can qualijck den waghen alleen trecken. Een vrouw moet een man hebben.
  • 203 (verzen 1408-1409). Een sinneke over Dido die Hiarbas afwijst: Een onghewillich peerdt / Is quaedt om sadelen mit bedwanck.

Vanden .X. Esels ed. 1946 (1558)

  • 13 (verzen 84-89). Volksboek. Vrouwen souden [lees: sonder?] eenighe schaemte rebel / Baldadich fel, verfellende met clappeyen snel, / Ghelijcken wel een peert quaet en onuaerdich / Dwelck sinen mester ter eeren oft ter noot / Doet wederstoot, oft brengt in lijden groot / Wt sinen pitsen weert en bastaerdich. Felle vrouwen die hun man tegenwerken = paarden die hun meester tegen werken.

Cieraet der Vrouwen ed. 1983 (1566)

  • V3-V4 (regels 65-69). Didactisch traktaat. Dat er sommighe sullen sijn die seggen sullen: ’t en is van geenen noode dat ghij een peert dat te seer loopt die spoore gheeft, oft alsodanighe dingen schrijft daer men hoverdye mede bedrijft. Jonge vrouwen, die tochal hovaardig zijn, moeten geen middeltjes aangereikt ktijgen om zich nog aantrekkelijker te maken.

Joseph ed. 1975 (XVIB)

  • 113 (verzen 812-813). Rederijkersspel. De torenwachters zien een koppeltje beneden in het koren. Een van de wachters zegt: Ick weet dat tmerijken eenen fraijen draff gaet. / Al valt hij haer straff, maet, noch crijght hij danck saen [al geeft hij haar de sporen, zij apprecieert het wel].

Lijsgen en Jan Lichthart ed. 1938 (XVI)

  • 58 (verzen 45-46). Rederijkersspel. Lijsgen zegt: Mijn heupen en billen sijn so breet ontsedt / Als een Schooter merrij, die daer wel op ledt. Merrie = vrouw met dikke billen en heupen. Schooten is een plaatsje in de buurt van Haarlem/

 

6 Merrie = prostituee

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 131-132 (refrein 197, verzen 31-40). In het (zotte?) rederijkersrefrein op de stok ‘Die duerste huerperden staen dickwil stille’ (waarin blijkbaar een vergelijking wordt gemaakt tussen dure en goedkope hoeren) wordt de term ‘huurpaard’ gebruikt voor ‘hoer’: Om dees reden wat te versueten / Peerden die lopen mit twe voeten / meen ick die langhe hemden draghen / Gheknoopte knopen die ghern vrotten / Ende legghen in haer bedde als clotten / dat potten en kannen waghen / Dan slaen si slaghen als quackel slaghen / als hem die pol coomt binnen der bille / Mer hoe hem scamel ruyters draghen / die duerste huerperden staen dicwil stille. De dubbelzinnigheden in dit refrein zijn echter nog onduidelijk en dienen nader onderzocht.

Lieripe ed. 1980 (1561)

  • 185 (regels 230-236). Spotprognosticatie. Van Venusvassalen, als hoereerders, boeleerders, buggers, boeven, hoeren, hoerjagers, putiers, vernusjankerkens, camercatten, soldermerytkens, coppelers, coppelerssen, roffyanen, nachtuulen, platijnwachters, susannesboeven, pockeners, jobpeners, vorterics, heesschaerders, lepelvysters, tavernmaerten, naeysters, corte gehielde vroukens ende alsodanich volcxken, die liever achter aenhouwen, naeyen dan sy spinnen, al hadden si ’t vlas om niet; die sullen dit jaer al van haers gelijcke in grooter estime zijn.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 230 (fol. 283v, verzen 3-4). Rederijkerslyriek. Context: waarschuwing tegen de vleselijke liefde: nachthulen, ouervlieghers, die gheerne prouuen / omme ionghe zoldermeeryekens besprynghen.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 211 (fol. 442r, vers 21). Rederijkerslyriek. In de beknde ‘Adieu’ van Eduard De Dene: adieu zoldermeerykens, spaenssche ihennetiens.

Al Hoy ed. 1964 (circa 1600)

  • 4-5 (verzen 75-78). Rederijkersspel. Willeken Noijtghenoech en Buijcsken Seldensat spottend over de rokkenjager Ijdel Lustken, als hij ’s avonds met de uilen vliegt: [Willeken:] Dan heeft hy te vrinde dess afgereen guijlkins [versleten paardjes = oude hoeren], / die om niet meer en commen op den tril geloopen. / [Buijcsken:] Die bringhen vlees by met groote hoopen, / om een steecpenninxken sy neerstich draven.

 

7 De zegswijze ‘zulk hooi volgt nu de paarden na’ // vrouwelijke wellust (paarden = mannen)

Deze zegswijze betekent dat vrouwen de mannen niet achterna mogen lopen. Het hooi loopt immers ook niet naar de paarden, maar wel omgekeerd.

 

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 123 (vers 3489). Rederijkersspel. De sinnekes over de verliefde Katharina: Pleghet hoy tot den paerde te gane?

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 95-96 (refrein 50, verzen 12/42). Vroed rederijkersrefrein over de wellustige meisjes die de jongens achternalopen. Stokregel: sulc hoij volcht nu den paerden nae. Vers 42 luidt: want taeweken [lees: tarweken] moet tperdeken nu rysen.

Joseph ed. 1975 (XVIB)

  • 98 (vers 406). Rederijkersspel. Nijdich Hert over de geile vrouw van Putifar: En, naer dat ick hoore, wil thoij te peerde.

 

8 Hengst = wellustige, geile man

 

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 175 (verzen 629-631). Rederijkersspel. De sinnekes over Eneas die zich laat bepraten: Tpeerdt is int stalleken. / Dblijckt openbaer. / Brenght havere en hoij.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 150 (verzen 1310-1317). Rederijkersspel. In het buitenspel zegt sGheests Inspiratie over hoererij (verwijzend naar Jeremias 5, 8): Dies stelt ons voor ooghen / Den prophete Jheremias claer in zyn ghewaghen / Daer God den Heere, overe dezulcke can claghen, / Zegghende: Ick hebbe myn volck verzadt onghecessert, / Maer onbehoorlick levende, zoo hebzy ghehoerert, / Want haer vryers hebben, als hincxten in haren doene / Gheweest totter vrauwen, huncxter ende zeer coene / Elcken naer de huusvrauwe, van zijn even naesten.

 

9 Aristoteles die zich als een paard liet berijden door een vrouw

 

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 117 (refrein 62, verzen 30-31). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Aristotiles, eer hi sijn lief mocht eruen, / liet hem bedwinghen, ghelijc eenen peerde.
  • 170 (refrein 91, verzen 45-46). Vroed rederijkersrefrein. Aristoteles liet hem als een katijf / Van sijnen lieue als een peert berijen.

Dagelicxs Onderwinden ed. 1998 (XVIB?)

  • 49v (verzen 174-175). Rederijkersspel. Over Salomon (!) en vrouwenbedrog: ernstelick is hij betoomt bereeden / als een paert bescreeden, van een vrow seer blaemelick.

 

10 Merrie = invectief voor lelijke of oude vrouw

 

Lijss en Jan Sul ed. 1938 (XVI)

  • 102 (vers 339). Rederijkersklucht. Gille scheldt Lijs uit voor lelijcke meer der meeren.

 

11 Guil (oude hengst) = invectief voor oude man

 

Wesen ed. 1920 (1512)

  • 45 (verzen 301-302). Rederijkersspel. Een pape geeft raad aan een vrouw: Een goe vrauwe moet hueren man onderdaen wesen / Paysuelic verdraghen al waert een ghuul eerre [boosaardige oude hengst].

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 234-235 (refrein 129, verzen 69-70). Zot-erotisch rederijkersrefrein (apologie van de seks). Ook oude vrouwen en mannen doen hét nog: Ende guylen die als af ghereden peert sijn, / Die lachteren dat si niet meer begeert sijn.

Sint Jans Onthoofdinghe ed. 1996 (vóór 1552)

  • 42 (vers 41). Rederijkersspel. Een vrouwelijk sinneke scheldt een mannelijk sinneke uit: ghy afghereeden guyl.

Groote Hel ed. 1996 (1564/65)

  • 32v (verzen 1175-1177). Rederijkersspel. Een duivel in een rapport aan Lucifer over zondaars: Ick sach een man vol steecken sijn kisten / merct Deese twisten, set hier goe mouwen in / ende hier setten den guijl heel sijn betrowen in.

Becooringe des duvels ed. 1996 (XVI)

  • 38r (vers 206). Rederijkersspel. Een neefken over de oudtestamentische Jozef: Siet Daer Leijt den guijl.

Lijss en Jan Sul ed. 1938 (XVI)

  • 86 (vers 77). Rederijkersklucht. Lijss scheldt Jan uit voor lelijcken guijl.

Lijs en Lippen Harman ed. 1997 (XVI)

  • 68r (vers 416). Rederijkersspel. Twee arme, verkleumde zwervers ironisch over zichzelf. Slickmorsel zegt: de winter doet ons als arme guijlen strijen.

 

12 Zwart paard // duivel

 

Walewein I ed. 1957 (circa 1250)

  • 290 (verzen 9724-9730). Arturroman. De vos Roges vertelt aan Walewein hoe een zwarte ridder op een zwart paard Ysabele ontvoerd heeft. Roges denkt dat het de duivel was: Mijn joncfrouwe es bi uwer scult / Verloren: het voerse met ghenent / Een swart ridder als atrement / Up een swart ors als een pec. / Hi hevet in der hellen strec / langhe ghesijn, dat wetic wel: / Het es die duvel ende niemen el!

Boekc vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (XV)

  • 144 (regels 20-25). Stichtelijk prozatraktaat. Hier leest men een exempel Dat een heilich man sat op eenre tijt voer een menschen doer, die steruen soude ende sach dat daer quamen lopen twie lelike swarte paerden ende daer saeten twie swarte ende veruaerlike sitters op ende hadden gloyende staken in hoer handen. Duivels rijden dus op zwarte paarden.

Broeder Russche ed. 1950 (circa 1520)

  • 17. Volksboek. Een abt beveelt Broeder Russche (een duivel) om zich te veranderen in een zwart paard: Neen duuel alsoe niet. ick besweer v biden almoghenden god dat ghi buten ons poerte gaet staen in die ghelijkenisse van een swart paert tot dat die missen ghedaen sijn.
  • 30. Idem. Doe seyde die abt Scheyt van dese maget ende coemt hier staen in die ghedaente van eenen swarten paerde ghelijc ghi waert als ghi van ons cloester scheyde, twelc de duuel dede.

Moorkensvel ed. 1977 (1600)

  • 38. Rederijkersspel. De moeder vraagt aan Geesken wat ‘moorkens vel’ is. Geesken antwoordt: Het is een huyt van eenen swarten Peerde: / Daermen de boose wijven inne temmet / Ende haren quaden zin in premmet. Zwart paard // kwaadaardige vrouwen // heksen // duivel.

 

13 Paard // Dood

 

Boec van Gods Wraken ed. 1869 (1346-51)

  • 462-463 (Boek III, hoofdstuk 14, verzen 1757-1788). Stichtelijk rijmtraktaat. De opvarenden van een schip op de Noordzee zien hoe de Dood op een paard over de golven rijdt: Doe si dus in die zee quamen / Saghen si ende vernamen / Dat een groet pert te hen waert quam / Ende een man daer op ocht hi was gram / Die opt water quam te hen wert (verzen 1767-1771).

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 291 (Boek III, refrein 21, strofe b, verzen 13-14). Vroed rederijkersrefrein. O sondighe menschen, al sijt ghij goets moets, / De doot is so gherasch te Peerde.

 

14 Paard // snelheid

 

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1390)

  • 233 (nr. 1, verzen 3-6). Amoureus liedje. Hoe mach hem dan den tijt behaghen / Die nie ghewan daer hi na gherde! / Hi es te voet, tgheluc te perde. / Met rechte lijt sijn herte pijn. Het geluk is niet te achterhalen (de ongelukkige minnaar gaat immers zelf te voet).

Propheet Jonas ed. 1993 (XVIB)

  • 51v (vers 380). Rederijkersspel. Een waard zegt: Ick sal haest gaen Loopen als een paert dat rent.

Schipper, Pelgrim en Post ed. 1998 (XVIB?)

  • 35r (verzen 612-613). Rederijkersspel. Post (een postbode) zegt: ende mijn snel vliegende paert dit seeker sijt / dats mijn voorgaende eedele tijt (daarmee rijdt hij naar Jeruzalem = de hemel).

 

15 Huurpaarden die groen lachen (zegswijze)

 

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 25 (verzen 719-721). Rederijkersspel. Dierick gaat naar het venster van Katharina. De sinnekes spotten ermee: Wist u vader dat ghy soo loopt prachen / Recht als een huerpaert / Hy souder om lachen / Als een merrye die vlots gars gegeten heeft. ‘Vlotgars’ = een soort plant (volgens de aantekeningen van de tekstbezorger).

Hanneken Leckertant ed. 1950 (1541)

  • 86 (verzen 462-463). Rederijkersspel. Meester tegen Hanneken: Nu sal ick u rugge gaen bestrijcken, / So dat ghij sult lachen als een huerpaert. Zie ook Hanneken Leckertant ed. 1932: 55 (verzen 522-523).

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 76 (regel 23). Spreekwoordenverzameling. Hy lacchet als een Huyrpeert.

Weydts ed. 1969 (1567)

  • 17 (Gesten vande guen, strofe 6, vers 7). Een geus zegt dat de geuzen tegenslag kenden: ghelyck huerperden lachen, zoe loughen wy van ghelycke.

 

16 Het paard Vale // bedrog, hebzucht, kwaad

[P. De Keyser, “Een Middelnederlandse paardennaam: Vale-Vaellewe”, in: Album Dr Jan Lindemans, Brussel, 1951, pp. 251-263. De bepaling van ‘vaal’ als kleur is vrij onzeker. In MNW: donkergeel. Maar in andere voorbeelden: eerder donkergrijs. In elk geval een gemengde, voor het oog eerder onaangename kleur tussen geel en roof of tussen wit en zwart. Associatie met bleke lijkkleur en daarom ongunstig (p. 253). Sommige geleerden zien als oorsprong van Vale het paard in de Apocalyps, waarop de Dood rijt (‘een vaal paard’). De oudste benaming slaat op een ezelin (reeds in de 11de eeuw, in het Frans: l’ânesse fauve’) = symbool van bedrog (p. 254). In Middelfranse uitdrukkingen (overgenomen in het Middelnederlands) staan de ezelin en het paar Fauvel voor bedrog en vleierij. In het Frans was er een Roman de Fauvel. Bij vier Middelnederlandse schrijvers ook vermelding van het paard Vale/Vaellewe: Jacob van Maerlant, Hein van Aken, Jan Praet en Willem van Hildegaersberch (p. 255). De meest bekende uitdrukking: ‘met valen mennen’ = bedrog of valsheid plegen (p. 256). De Brabantse vorm van Vale = Vele/Veele (p. 257). Vale kan in het Middelnederlands zowel de naam zijn van een hengst als van een merrie. In Middelnederlandse teksten nochtans blijkbaar altijd een merrie (p. 262). Vale, als symbool van bedrog, had een concurrent kunnen worden van Reinaert (p. 263). Dit was een bijdrage tot de dierenonomastiek (nog te veel verwaarloosd onderdeel van de naamkunde).]

[Vergelijk over Valuwe ook Speghel der Wijsheit ed. 1983: 50-56.]

 

Vierde Martijn ed. 1958 (1299)

  • 76 (verzen 577-582). Didactische rijmdialoog. Jacob tot Merten: er zijn er tegenwoordig heel wat die ‘Veele’ en haar gebroed vereren: Nu comt veele ende hare broet / Met eenre herder groter stoet, / Ondanc hebse stroye. / Men wrijft saechte haren voet, / Men bringt hare tegen metter spoet / Van coerne ende van hoye. Veele (Vale, Valuwe) = een bleek paard dat het bedrog symboliseert (vergelijk de aantekeningen pp. 102-104 / 146).

Speghel der Wijsheit ed. 1872 (circa 1400)

  • 51 (verzen 1244-1249). Stichtelijk rijmtraktaat. Maer vroescap die met Vaellewe(n) ridet, / daer malicie in verblidet, / dat es een sadel van barrate, / die altoos draeght helsche mate / in ghiericheden, in quaden dinghen, / die de ziele meest ter hellen bringhen.
  • 88 (vers 2111). Dies leeren zi hem van Vaellewen spele.
  • 89 (vers 2132). Bedi so schijntet Vaellewen vite.
  • 89 (vers 2141). Als nu wille Vaellewe redene sceuren.
  • 90 (vers 2148). Vaellewe wille de redene slaen.
  • 90 (vers 2169). Aldus so mennen si in Vaellewen.

Speghel der Wijsheit ed. 1983 (circa 1400)

  • 87 (vers 334). Ic haddy vaellewen ghedaen riden.
  • 89 (verzen 344-352). Consti gheraken ter waellewen spene / dat ghi van harer melc mocht drinken / het soudu uten hoofde zinken / die frenezie ende die zothede / daer ghi ons meent castijen mede / mi ende mine saudeniere / ende vaellewen mede die edele fiere / die haer ghesmide so scone draeght / dats elken mensche wel bejaeght.
  • 97 (vers 489). Dats valuwinne.
  • 97 (vers 495). Want vaellewen soch.
  • 97 (vers 510). Alle mensen menen in vaellewen.
  • 99 (vers 547). Willen vaellewen riden.
  • 105 (vers 653). Ende valuwinne.
  • 119 (vers 873). Valuwinne.
  • 125 (vers 966). Van valewen dranke draechstu de tappe.
  • 127 (vers 994). Ende vaellewen raet.
  • 131 (vers 1059). Of ongheblaemt van vaellewen saken.

 

17 Paard: positieve betekenissen

[Wijsheid 19, 9. Over de Joden die door de Rode Zee trokken en Jahweh loofden: Want zij waren als paarden, die ter weide gaan, / Als huppelende lammeren, / En loofden U, Heer, die hen had gered.]

 

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 13 (verzen 941-945). Stichtelijk rijmtraktaat. Bij ‘oncuuschede’. Over incest: Des pleghen ooc gelijc die honde, / Want die hone in sulcdaen werc / Ne onder sibben ghene merc, / Mer dat doen peerde te allen uren, / Dat segghen boeken van naturen. Paarden plegen dus nooit incest, honden wel.
  • 85 (verzen 6633-6645). Bij ‘gierichede’, over ‘ontfermicheit’: een merrie die een vreemd veulen zoogt // barmhartigheid.

Blome der doechden ed. 1904 (XVa)

  • 116. Stichtelijk prozatraktaat. Over gehoorzaamheid: Die ghehoersamheit en weet ic bij gheenen dier bat te ghelijken dan bijden perde, want dat en is niet alleen onderdanich sijnen meester. Met het is ghehorsam soe wel den enen als den anderen dattet soe groet ware als een huys het soude eenen knechtkijn onderdanich wesen dat niet groet en waer dan eyn perdts hoeft. Die knecht rijt dat pert daer hij wilt hij doetet lope, hij doetet gaen, hij doetet springhen hij doetet staen. Hij sleghet hij stoetet. In start maken ende tonreyen. Als hij tornich is soe beeftet van anxte ende is altoes ghehoersam In sadelen in tomen. In beslaen ende in allen dinghen daer men sijns te doen heeft. Ist in rijden Ist in ploeghen Ist in waghen te trecken of anders hoe dat gheleghen is.

Spiegel der sonden ed. 1901 (1434-36)

  • 47 (regels 11-14). Stichtelijk prozatraktaat. In verband met incest: Oec soe plegens die honden, si en halden gheen marck der maechscap, mer peerden en doens tot gheenre tijt Alsoe ons die boeken der naturen seggen.

Veldman 1986 (XVI)

  • 113-114. Een 16de-eeuwse houtsnede toegeschreven aan Cornelis Anthonisz., De wijze man en de wijze vrouw, met verklarend bijschrift. De wijze vrouw heeft paardenhoeven = haar onaantastbare kuisheid.

 

18 Paard: restmateriaal

 

Mertens/Torfs VI 1976 (1561)

  • 510. Beschrijving van een Antwerpse ommegang uit 1561. Twee paarden trekken een wagen (met de wereld, de elementen en de winden). Wit paars = Dag, zwart paard = Nacht, voerman : de oude man Tijd.
  • 511. Wagen met als thema ‘Rykdom baert hoovaerdigheid’. Getrokken door twee paarden: Roof (met als toom en breidel doorsneden kleren van diverse kleuren) en Bedrog (zwart kleed tot op de grond, behangen met maskers).
  • 511. Wagen met als thema ‘Hoovaerdigheid baert Afjonstigheid’. Getrokken door twee paarden: Naubemerk / Curiositas (zeer ‘curieuslyk’ gekleed) en Hartnekkigheid (een kwaad springend paard).
  • 512. Wagen met als thema ‘Afjonste baert Oorlog’. Getrokken door twee paarden: Lachter en Achterklapt (op de breidels overal tongen).
  • 513. Wagen met als thema ‘Oorlog baert Armoede’. Getrokken door twee paarden: Verderving en Verwoesting (twee grote zwarte paarden, het ene gewapend en het andere gebardeerd).
  • 513. Wagen met als thema ‘Armoede baert Ootmoedigheid’. Getrokken door twee paarden: Zwakheid en Krankheid (twee arme, magere paarden zonder breidel of toom).
  • 514. Wagen met als thema ‘Ootmoedigheid baert Peis’. Getrokken door twee paarden: Zagtmoedigheid en Manierlykheid (twee witte schone paarden, simpel toegesteld).
  • 514. Wagen met als thema ‘Peis baert Rykdom’. Getrokken door twee paarden: Eendracht en Profytelykheid (twee schone witte paarden).

 

[explicit 13 april 2017]