RAPEN

 

Rapen spelen in het bewaarde oeuvre van Bosch geen rol, maar wanneer men het heeft over de Hooiwagen-triptiek wordt wel soms verwezen naar de Wagen met rapen-prent van Remigius Hogenberg (1546-1588) (Amsterdam, Rijksprentenkabinet, titel van het museum: Allegorie op de hebzucht) omdat zowel het hooi van Bosch’ hooiwagen als de rapen van Hogenbergs wagen met rapen zouden verwijzen naar de hebzucht van de mens. In het laatste geval is er sprake van een woordspeling met het substantief ‘rapen’ (de groente) en het werkwoord ‘rapen’ (geld rapen, geld schrapen, zijn zakken vullen).

rapen_topos 

 

Zie hiervoor onder meer Herman Pleij, Het gilde van de Blauwe Schuit – Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen, Meulenhoff, Amsterdam, 1983 (2, eerste druk: 1979), pp. 155/193 (met een afbeelding van de prent op p. 191) en Walter S. Gibson, “The Turnip Wagon: A Boschian Motif Transformed”, in: Renaissance Quarterly, vol. XXXII (1979), nr. 2, pp. 187-196.

 

Het rapen-motief komt verder ook voor in het Spreekwoorden-schilderij van Sebastiaan Vrancx (Brussel, KMSK) en op drie zeventiende-eeuwse panelen van Adriaen van de Venne: Elck is om raepen uyt (paneel, grisaille, bewaarplaats onbekend), ’t Is al om ’t hebben te doen (paneel, 1644, bewaarplaats onbekend) en ’t Wil al raapen (paneel, grisaille, Amsterdam, Kunsthandel De Boer). In deze laatste drie gevallen gaat het telkens om een rapenkoopman. Zie Annelies Plokker, Adriaen Pietersz. van de Venne (1589-1662) – De grisailles met spreukbanden, Leuvense Studiën en Rekstuitgaven – Nieuwe Reeks – 6, Uitgeverij Acco, Leuven-Amersfoort, 1984, pp. 94-95 (nr. 32) / 144-145 (nr. 53) / 244-245 (nr. 105).

 

Rapen (substantief en werkwoord) = het hebzuchtig streven naar goederen en geld

 

Jans Teesteye ed. 1869 (vóór 1334)

  • 253 (verzen 3448-3450). Berijmd traktaat. Tot de ‘dorpman’: Lantsheren ofte ander papen / Die altoes plucken ende rapen / Dine pine ende dinen arbeyt.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 136 (nr. 70, verzen 184-187). Moraliserend gedicht. Over de priesters: Die dopen souden ende wyen / Ende tghemene volck ten hemel wisen / Die rapen vast mit groten pisen / Der kercken goet in horen sack.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 265 (nr. XVII). Een reeks ‘goede prouerbien’: Princhen ghierich ende Papen / Die niet en roecken wat sy rapen / Is felste dinck, zijdt seker des / Dat nv op de wereldt es.
  • 322 (vers 20). Een vroed ‘noteert’-refrein. Tsint dat lck wilde rapens pleghen.
  • 336 (verzen 51-52). Ironisch-satirisch vroed rederijkersrefrein. Wethouders, Balious, ende tsheeren cnapen / Al gherechtich, gheen wt om rapen.

Van den Drie Blinde Danssen ed. 1955 (1482)

  • 42. Allegorisch-moraliserend droomvisioen. Een viercant kerrel gheghelt mit hoopen / Ghegoet ghelant ende verre gherent / Ernstich om rapen ende goet te coopen.

Een sanders welvaren ed. 1920 (1511)

  • 61 (vers 288). Rederijkersspel. De weg die Meest Elc moet volgen volgens Practyckeghe List en Subtiel Bedrog heet rapen ende scrapen.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 199 (refrein 100, vers 47). Vroed rederijkersrefrein. Nochtans om rapen pijnt wt te gane.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 59-61 (refrein 164). Vroed rederijkersrefrein, satire op de hebzucht. Stokregel: Rapen moet wel syn een ghesonde spijs. Ook vermeld in Pleij 1983: 155.

Aelwarich ed. 1980 (1527/28)

  • 117 (regels 147-149). Spotprognosticatie. Over oktober: ’t Volc sal dan beginnen om rapen uut te zijn ende wie meest raept, sal meest hebben.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 190 (refrein 50, strofe e, vers 7). Vroed rederijkersrefrein. Over de zondige rijken: Al haer leefdaghe uutgeweest om rapen.

Die Menichfuldicheit des Bedrochs ed. 1903 (circa 1539/40)

  • 381. Rederijkersspel. Menichfuldich Bedroch over het kopen van geestelijke ambten: Ghehuyrde officie doet scraepen en raepen.

Sorgheloos ed. 1980 (circa 1540)

  • 121 (regels 7-8). Spotprognosticatie. Want deze nederste werelt nu meest gheregeert wort in rapen.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 146 (Boek II, refrein 14, strofe a, vers 9). Vroed rederijkersrefrein, tegen de lutheranen: Liefhebbers uus selfs, die uut sijt om rapen.

Crul ed. 1954 (XVIA)

  • 91 (verzen 68-71). Rederijkerslyriek. (…) Ooc alle zonden buutertierich / Broet ghericheyt, want zij is God revanchierich / Int rapen, int scrapen, int caken, int stroopen / Met grooten hoopen.
  • 92 (verzen 85-87). Neent, want al voert den rijcke tcabas in zijn wapen, / Vol caecharincx, oft al siemen hem schat rapen / Met wouckere (…).

Lieripe ed. 1980 (1561)

  • 177 (regels 153-155). Spotprognosticatie. Ende indien de rapen niet wel en geraken, soo mocht er wel de dierte in slaen, want al de werelt sal uut zijn om rapen ende ’t sal verboden zijn in veel plaetsen geen rapen te zaeyene.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 152 (fol. 238v, vers 28). Vroed rederijkersrefrein over de hebzuchtigen in de wereld: Raepen ende scraepen zyn bee huer Cnaepen.
  • 152 (fol. 239r, vers 2). Idem. Vrau groote buerse / die ziet dan huut om Raepen.
  • 152 (fol. 239r, vers 18). Idem. Tot Raepen ende schraepen / zyn huer zinnen gheneghen.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 465 (Boek III, refrein 70, strofe h, vers 10). Vroed rederijkersrefrein. Over de hoge standen in het christendom: Sij schatten, sij schrapen, thaect al na rapen.

Goodts Ordonancij ed. 1980 (1583)

  • 74v (vers 899). Rederijkersspel. Coopman zegt: Ick reijs als een coopman die scraept ende raept.

Werlts versufte maeltijt ed. 1994 (XVIB)

  • 127r (verzen 907-908). Rederijkersspel. De zondige verleiderspersonages brengen geschenken aan Die Werlt. Volgens een regieaanwijzing: Eijgen Baet brengt / twee rapen.
  • 129r (verzen 1107-1110). Eijgen Baet over deze twee rapen: Tsijn twee raepen / die voort sijn gecoomen uuijt mijn eijgen saet / want raepen wast meest uuijt eijgen baet / dus neemtse in danck sij sullen u niet smarten.
  • 130r (verzen 1192-1200). Boerderlick Aenschowen over de rapen: elck weet wel bij naast wat raepen beduijden / tsijn condige cruijden daer geen Doecht aff en spruijt / nochtans is al Die werlt om raepen uuijt / tes die beste buijt die nu meest geacht es. Arnstich Opmerken gaat dan verder: Dats een teijken Dat Die Lijefden versmacht is / en niet meer van macht is als in voorleen daghen / want waer eijgen baet regiert wert Lijefde verslagen / twelck es te beclaegen voor mannen en vrowen.

Al Hoy ed. 1964 (circa 1600)

  • 9 (vers 143). Rederijkersspel. Ydel Lustken en Buijcsken Seldensat verwijtend tegen de vrek Willeken Noijtgenoech: Maer altyt scrapen / En altyts rapen.

 

[explicit 2 juli 2016]