ROG

 

Op het middenpaneel van Bosch’ Antonius-drieluik (Lissabon) plakt een uitgebeende rog tegen het zeil van een diabolisch vaartuig. De interpretatie van dit detail in Bax 1948: 75-76, komt weinig overtuigend over. Onderaan het rechterbinnenluik van Bosch’ Tuin der Lusten-drieluik (Madrid) draagt de duivel die met een zwaard een zondaar doorboort een mantel die de vorm heeft van een rog, inclusief de lange staart. In Bax 1956 wordt dit detail niet eens opgemerkt.

 

1 Roggenstaart als herbergsnack

 

Coster Johannus ed. 1997 (XVI)

  • 123v (vers 12). Rederijkersklucht. Boerdelijck Geck is naar de herberg geweest en zegt: Gans rochestaert Ick heb daer so gebrast. ‘Gans rochestaert’ is een bastaardvloek = ‘Gods roggenstaart’.

Suyp-Stad ed. 1978 (1628)

  • 91 (verzen 77-80). Satirisch leerdicht. Over Suyp-Stad, de allegorische verblijfplaats van de dronkaards: Sy heeft een soute lucht, en oock twee soute stroomen, / De Drooge en de Sout’: die om haar wallen komen: / Daer vangtmen over al den Haring, Kavajard, / Ançioves, Bocking, Sprot en drooge Rocche-start. Een voetnoot noteert: ‘De zoute lucht en de zoute vissen suggereren de grote dorst van de zuipstedelingen’. Vergelijk de volgende passage…
  • 92 (verzen 85-86). En al wat sout en wrang, en totte dorst kan locken, / Dat is de rechte spijs om greetigh in te slocken.

 

2 Roggenstaart als strafmiddel (zweep)

 

Plausus mortis ed. 1958 (1532)

  • 110-113 (verzen 141-142). Latijns dodendansspel. De Dood zegt tot de veldheer: Te mors confodiet cauda trigonis aquosi, / Atque eris exanimis moriens uno ictu homo bullae [zoals de pijlstaartrog der zee met zijn stekel, zo zal de Dood u met zijn speer doorboren, / en gij, mens, zult als een zeepbel openspatten bij de eerste stoot en sterven.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 3 (regels 6-7). Spreekwoordenverzameling. Men solde hem mit vuyl eyeren smijten/ mit gruependreck smijten/ mit honden wt der stadt hessen mit Ruchchen sterten stupen.

Vier des werelts staten ed. 1941 (1596)

  • 282 (vers 689). Rederijkersspel. Grijpal scheldend tot het meisje Kalleken: Ba, een roggestart in uw gat, gij hoort, wat ik zeg. Een aantekening verklaart: ‘Een bekende verwensing: ge verdient met roggestaarten te worden gegeseld; vgl. Bredero 2, 218: een roggestiaart in ou jaars’.

 

3 Roggenstaart // duivel

 

Gebooren Blinde ed. 1994 (1579)

  • 55r (verzen 473-476). Rederijkersspel. Het ene sinneke tot het andere: Radamantus en Mino die sijn eijgen vaer Liet / hangen om een haer, siet, tdient wel verclaert meer / sijn beij princen der hellen en voor vermaert seer / elck heeft een staert breer dan seven rochhen Doen.

 

4 Rog // vasten

 

Cat. ’s-Hertogenbosch 1992 (circa 1550)

  • 15 (afb. 6). Tekening uit een Vastenavondgeschrift (Jutphaas of omgeving, circa 1550): notenbalken met realia in verband met vasten en vastenavond in plaats van muzieknoten. Onder meer onderaan rechts: een rog. Rog als vastenvoedsel?

 

5 Rogsteken

 

Cat. ’s-Hertogenbosch 1992

  • 49. ‘Van ander spelvermaak wordt gewag gemaakt in de eerdergenoemde verbodspublikaties van 1530 en 1565. Daarin wordt onder andere gesproken over het rogsteken, een gebruik dat met name in Weert bekend is gebleven.’
  • 122 (cat. nr. 60). Anoniem schilderij, De rogstekers (17de eeuw). Verband met Weert, waar de inwoners zich tijdens carnaval nog steeds ‘rogstekers’ noemen. ‘Als vastenavondspel werd het zogenaamde rogsteken in de zestiende eeuw ook te ’s-Hertogenbosch beoefend’. Ooit verloor in Weert een vishandelaar een rog. Het vervaarlijke voorkomen van de vis veroorzaakte paniek onder de inwoners die dachten dat het om een duivel ging.

 

6 Rog: restmateriaal

 

Naturen Bloeme II ed. 1980 (circa 1270)

  • 31-32 (Boek V, verzen 947-963). Berijmde artestekst. Rais dats der rochghen name, / Een lelec visch ende onbequame, / Ende die te verduwen es sere swaer. / Aristoteles seght over waer, / Datse doet draghen die zuutwint. / Daermen daer vele vint / Sijn si ondiere ende onwaert, / Ende alsmer verre mede vaert, / Dan sijn si lief ende diere / Jeghen andere vische maniere. / Scaerp ghetant als ene saghe, / Die oghen oft een duvel ware, / Hevet die rogghe enen staert / Als een serpent achterwaert; / An den buuc staet hem die mont. / Lelic ende onrene talre stont, / Wel naer alse breet als lanc.

Der dieren palleys 1520 (1520)

  • Ff2v (Boek 3, hoofdstuk 75). Artestekst over dieren. Rayte sijn visschen der zee ende si werde(n) gherekent onder die beesten ende eedel visschen ende hy wert ooc cleen gheacht daer der veel is. ende hi is bijna ront ende soe groot in die breyde als in die lengde en(de) heeft vreeslijcke oghe(n) en(de) eene(n) lange(n) stert als coluber en(de) daer op scerpe doore(n) en(de) is een vuyl slijmachtich visch. Rahas is ee(n) visch die den menschen haer leede(n) verleemt en(de maectse ongeuoelijc en(de) vanget al and(er) vissche(n) en(de) eetse en(de) v(er)doeftse dat si niet vlien en connen.

Bervoete Bruers ed. 1937 (1559)

  • 19 (verzen 226-228). Rederijkersklucht. Trui en Hans (een arme man en vrouw die aan het genieten zijn van gestolen spijs en drank) spreken elkaar ironiserend toe als abt en abdis van een ‘klooster’ (= hun gezin). Trui zegt tot Hans: ghi schint om te siene een weeldich patere. Waarop Hans tot Trui zegt: en gij sijt van de rochghen de matere / die nu verheuen sidt nae den rechten roes. In Maks Rhetoricael Glossarium (1959, p. 363), wordt ‘rog’ in deze passage geduid als figuurlijk voor ‘kloosterzuster, non’, maar dat is manifest onjuist. Bax [1948: 75] signaleert deze passage ook en volgens hem betekent ‘rog’ hier ‘vuile, slordige vrouw’, onder verwijzing naar WNT XIII, 866.

 

[explicit 15 mei 2017]