ROOS (rozenstruik)

 

De afbeelding hierboven: Meester van het Amsterdamse Kabinet (Hausbuch-Meester), Liefdespaar (paneel, circa 1484, Gotha – Schlossmuseum). ‘In haar linker hand heeft zij een wilde roos, van oudsher de bloem van Venus; van dezelfde bloemen is de krans in het lange krullende haar van de jongeman gemaakt’ [Cat. Amsterdam 1985: 270].

 

1 Roos = Christus

 

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 33 (Somerstuc, hoofdstuk 3, regels 1-4). Theologisch compendium. De titel van het hoofdstuk: Dat derde capittel is vanden gulden rose die die paeus wijet ende die een vroem rodder om die stat voirt, welcke rose cristum onse heer die rose van iherico wel beteikent.
  • 34 (Somerstuc, hoofdstuk 3, regels 32-36). Want die rose van Ihericho, Cristus, bloem des velts, Cristus Ihesus ende die lelye convallium, Dei filius sel cortelic opgheploct worden, ende die witte sulver blade sijnre leden uutgherect ende cool-rode bladen sijnre wonden gheteikent werde, van welken alle scout der ghelovigher wert ofghedaen.
  • 35 (Somerstuc, hoofdstuk 3, regels 42-43). Dese rose, die die paeus stichtet, wil ic bi Cristum openlike die rose van Iherico beteikenen.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 304 (44ste preek, egels 21-29). Prekenbundel. Jezus geeft de zusters uit zijn hart een roos met drie kleuren, goud, rood en wit. Goud = Zijn goddelijke wijsheid, rood = Zijn goddelijke liefde, wit = Zijn goddelijke vrede.

Diets gebedenboek ed. 1961 (XVIa)

  • 35. Gebedenboek. O alder schoonste roose der bernender minnen O alder minlijckste lieue heere Ihesu christe.
  • 39. O edel rose bogaert.
  • 41. O lieue heere Ihesu christe dijn heijlige vijf wonden sijn recht als edele rose bloemen gheplant inden wijngaert van engaddij bloeijende.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 264 (refrein 71, strofe b, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Siet de roose van Iherico, blosende roodt.
  • 292 (refrein 80, strofe a, verzen 6-7). Vroed rederijkersrefrein. Ghij vindt Hem aen tcruce zeer zwaerlijc vermoeydt / Als een roose van Hierico, roodt ghebloeydt.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 29 (vers 700). Rederijkersspel. Cristenkercke noemt Christus soete rose.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 269 (fol. 305r, verzen 34-35). Vroed rederijkersrefein, geestelijk meilied. Den boom van tcruce christi int herte plant / verchiert met vyfwondeghe Roosen Roodt.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 112 (nr. 68, strofe 2, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Ghy syt de roose van Jericho aen tcruys gebloeyt.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 195 (nr. 134, strofe 4, vers 6). Vroed rederijkersrefrein. U wangen bloosen als roosen.

 

2 Roos = Maria

 

Rijmbijbel I ed. 1858 (1271)

  • 43 (hoofdstuk 21, verzen 913-914, Genesis). Berijmde historiebijbel. Over Maria en de joden: Maria die waser af gheboren: / Soe was die rose, si waren die doren.

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 439-440 (nr. 97, vers 8 / 29). Vroed lied. Roze, vul van tsemels dauwe! / (…) die roze, die zuver ras.
  • 443 (nr. 99, verzen 4-5). Vroed lied. Een roze es ons gheopenbaert / An eenen edelen wingaert.
  • 449 (nr. 101, vers 6). Vroed lied. Der rozen vul der reynicheit.
  • 493 (nr. 120, vers 22). Vroed lied. Maria, werde roze root.

Sevenste Bliscap van Onser Vrouwen ed. 1978 (1455)

  • 181 (vers 986). Mysteriespel. De apostel Paulus tot Maria: Ghi sijt de rose al sonder doren.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 152 (vers 34). Vroed rederijkersrefrein. Reyn maegdelic rozier.
  • 155 (vers 51). Vroed rederijkersrefrein. Roose minnelijck ontloken.
  • 158 (vers 139). Vroed rederijkersrefrein. O Maria schoone Roose roodt.
  • 160 (vers 175). Vroed rederijkersrefrein. In meer singhen dijns lofs schoon rooseghaert.
  • 163-164. Vroed rederijkersrefrein. Titel: Maria ghecompareert bijder roose.
  • 184-185 (verzen 96 / 114 / 131). Vroed rederijkersrefrein. Rosier vol godlyken minnen duergaen / (…) lof bloyende roose van Jericho / (…) Lof manna lof sterre lof roose root.
  • 187 (verzen 18 / 24). Vroed ABC-dicht. Roode roose Rechs Reformeringhe / (…) Rout Ruijde Rouhertighe Riekende Rosiere.
  • 193 (vers 67). Vroed ABC-dicht. Religieuselijck Reefter, Rijckelijckste Roose.
  • 198 (vers 46). Vroed rederijkersgedicht. Egglentier, Roozier Eerste Verheuene.
  • 207 (vers 1). Vroed rederijkersgedicht. O roose roodt, Maria claer.
  • 209 (vers 1). Vroed rederijkersgedicht. O Inlicste reyn roose zoo confortable.
  • 211 (vers 49). Vroed rederijkersgedicht. Jonstelicste erberghe rosierlic cruyt.

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 211 (vers 5990). Rederijkersspel. Katherina tot Maria: Ontfermt u mijns, bloeyende rose root.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 86 (refrein 45, vers 16). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Lof rose van ierico, lof cedare van libano.
  • 233 (refrein 116, vers 16). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. O werde Maria, rose ombesmet.
  • 282 (refrein 132, verzen 57/61). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Rosier bedout vanden heylighen geest / (…) rose van Jerico hoochst int bemercken.
  • 284 (refrein 133, vers 4). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Lof Maria schoon soete roose rode.
  • 287 (refrein 133, vers 75). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Lof Eglentier bloiende schoon int gesichte.
  • 302 (refrein 139, vers 10). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. O werde goods roose gaert.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 11 (refrein 142, vers 50). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Scoon roose root.
  • 15 (refrein 143, vers 65). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Doen ghij Jesum ten tempel socht rose gaert.
  • 28 (refrein 148, vers 4). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Alder reynste maechdelicste rose.
  • 30 (refrein 149, vers 11). Vroed rederijkersgedicht. Dat bidic v roose maria goet.
  • 31 (refrein 150, vers 22). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Aue opperste roose root.
  • 33 (refrein 151, vers 31). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Lofe rose van Jerico, goods liefste juweel.
  • 39 (refrein 154, vers 21). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Lof rose van Jerico see hoghe bekent.
  • 46 (refrein 156, vers 32). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Lof fier rosier bestier der gracien.
  • 218 (refrein 245, vers 4). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Lof dan Maria claer als rosen ghemerct.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 57 (fol. 16r, vers 29). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Minlick fier Roozier en bestier alder gratien.

 

3 Roos = vrouwelijke heilige / de Kerk (Gods bruid)

 

Sinte Franciscus Leven I ed. 1954 (circa 1275)

  • 85 (vers 1775). Berijmd heiligenleven. Over de H. Clara: Die gelijc der rose rooc.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 104-105 (fol. 46r, verzen 15-33). Vroed rederijkersrefrein. Over de Brugse Gilde van de Drie Zantinnen. De H. Maria Magdalena wordt vergeleken met een rode roos.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 78 (nr. 106, strofe 2, verzen 12-13). Vroed rederijkersrefrein. Want tot Godts wrake soo synse geboren, / die Godts bruyt schinden, die roose sonder doren.

 

4 Roos = bepaalde deugd

 

Sancti Eusebii Hieronymi Epistulae ed. 1991 (394)

  • 255 (Brief LIV, paragraaf 14). Latijnse brief (‘Ad Furiam de Viduitate Servanda’). Ondersteun de weduwen en meng ze als viooltjes met de lelies van de maagden en de rozen van de martelaren

Ridder metter Mouwen ed. 1983 (circa 1320)

  • 124 (verzen 2212-2215). Arthurroman. Een man en ware nember daer, / Dat wetic wel al over waer, / Hine toget wanen hi es comen, / Alse die rose doet boven ander blomen. Dapperheid onderscheidt zich.

Gheestelike Brulocht ed. 1932 (kort vóór 1343)

  • 134. Mystiek traktaat. Reynicheit des lives ghelijctmen der witheit der lelyen ende der puerheit der inghele; inden wederstaene, der tootheit der rosen ende der edelheit der martelaren; in dien datment van minnen gode ter eeren doet, soe eest volmaect, ende soe ghelijctment der goutbloemen, want het es een die hoochste cierheit der natueren.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 137 (Somerstuc, hoofdstuk 8, regel 167). Theologisch compendium. Rose der verduldicheit.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 218 (27ste preek, preek van de H. Geest, regels 5-9). Rode rozen = werken van liefde in het klooster.
  • 302 (preek van de H. Geest, regels 11-17). Prekenbundel. De zusters krijgen van de H. Geest drie rozen = God dankbaar zijn, Christus niet vertoornen met doodzonden, niemand tot schande brengen.

Suster Bertken ed. 1924 (1518)

  • 65. Vroed lied (‘Ic was in mijn hoofkijn’): Als die rode rosen daer onder staen. Aantekening noteert: rozen = zinnebeeld van de liefde.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 160 (refrein 84, verzen 111-112). Vroed rederijkersrefrein. Aansporing tot deugdzaamheid: Om rusten, studeren, bidden, lesen, / Dese riecken al waert een rosegaert.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 83 (nr. 62, strofe 1, verzen 12-13). Vroed rederijkersrefrein. Stroeyt rooskens van minnen & geen fenyn / & laet de weirelt de weirelt syn.
  • 191 (nr. 83, strofe 1, verzen 9-10). Vroed rederijkersrefrein. Tot de zondige mens (als Verloren Zoon): schout de doornen, gaet inde roosen root, / & vroet met de verkens niet meer int slyck.

 

5 Roos / doornen = het goede / het kwade

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 55 (refrein 162, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Aansporing om de zondigheid vaarwel te zeggen en tot inkeer te komen: Scuyt die doornen, gaet inde rosen root.
  • 124 (refrein 193, vers 10). Vroed rederijkersrefrein. Onder het goede verbergt zich het kwade: onder rosen dornen corrosyf onder wijn.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 28 (nr. 95, strofe 3, verzen 2-3). Vroed rederijkersrefrein. Want alle duecht inder temtacien groeyt, / ghelyck de roose wast byden doren.

 

6 Roos // vergankelijkheid (stichtelijke context)

 

Uure vander doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 127 (verzen 1432-1433). Strofische rederijkersgedicht. De ‘ik’ tot de zondige prelaten: Spieghelt v aen de schoon roode rosen / Den honich dau maect hen wel leelijcke vlecken.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 59 (verzen 1365-1366). Rederijkersspel. Vprecht Simpel Gheloven staat op het punt toe te geven aan de zondige verleiding. Tot Selfs Goetduncken (een valse verleider) zegt zij (erotische maar tegelijk stichtelijke context): Comt, laet ons ons, lief, met rosen coroneren, / eer dat zij falgeren en verwelcken in tijts. Rozen // vergankelijke aardse liefde en seks.

 

7 Roos = mooi en/of geliefd en/of gerespecteerd meisje

 

Roman van de Roos ed. 1991 (circa 1230)

  • 22 (verzen 40-44). Allegorisch rijmtraktaat. De dichter over zijn geliefde: God geve dat het hààr iets doet, / de vrouw voor wie ‘k het ondernam: / zij is zo schoon, zo’n zuivere vlam, / zij is zozeer de liefde waard, / dat Roos de naam is naar haar aard.
  • 42 (verzen 837-838). Over Vrouw Jubel: want hij was schoon en zij was mooi / gelijk een roos in lentetooi.

Walewein I ed. 1957 (circa 1250)

  • 222 (vers 7728). Arthurrroman. Walewein over Ysabele: Soe es rose boven allen blomen.

Deleu ed. 1961 (circa 1400)

  • 246 (verzen 145-146). Allegorisch gedicht (het 8ste allegorisch gedicht uit het Gruuthuse-handschrift). Een ridder tot geliefde vrouw: Ghi zijt de roze, ic does ghewach, / Die nemmermeer verdeluwen mach.

Middelnederlandse boerden ed. 1957 (circa 1405-08)

  • 22 (nr. II, verzen 21-22). Erotisch gedicht ‘Dmeisken metten sconen vlechtken’. Het heuet die lippen ende danschijn/ Roeder dan die rose mach sijn.

Pyramus ende Thisbe ed. 1965 (circa 1520)

  • 174 (vers 188). Rederijkersspel. Pyramus tot Thisbe: O ieuchdelic opsien, prieel rosierich.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 83 (refrein 43, vers 22). Amoureus rederijkersrefrein. My dunckt dat sy al rooskens lacht.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 165-166 (refrein 214). Amoureus rederijkersrefrein op de stok Schoon bloijende roose staet mij in staden. Talrijke vermeldingen van roos = geliefde vrouw. Of in dit refrein de geliefde of Maria bedoeld wordt, is niet geheel duidelijk. De stijl is in elk geval die van een Marialof, maar wellicht past de dichter de lovende Maria-epitheta op dubbelzinnige wijze toe op zijn geliefde.
  • 216 (refrein 246, vers 27). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Hij seijde mijn wtuercoren roosken doch.

Ghewillich Labuer ende Volc van Neerrynghe ed. 1920 (1526)

  • 189 (verzen 196 / 201). Rederijkersspel. So worter een zoetghuereghe roose gheplant / (…) By dese roose die de lelye ghepresenteirt es. Het gaat over Eleonara, de zuster van Karel V die met de Franse koning Frans I gaat trouwen.
  • 191 (vers 286). Metter lelye een scoone roose plant. Idem.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 24 (refrein 9, vers 2). Amoureus rederijkersrefrein. Noyt weerder in swerelts deel noch lieuer rosier.
  • 90 (refrein 44, verzen 49-50). Amoureus rederijkersrefrein. Al waer ic coning, ic wilde wel eruen dy / in mijn rijcke, schoon iuechdelic rosier.
  • 104 (refrein 55, verzen 1-5). Amoureus rederijkersrefrein. Al sueckic veel rooskens wt minnen / gheen roosken en mach ic riecken noch plecken, / noch metten bladeren coenlijck beghinnen / noch mijn amoreus herte ontdecken. / ic en mach mi bi gheen rooskens strecken.
  • 132 (refrein 72, vers 12). Amoureus rederijkersrefrein. Adieu rosier vol alder ootmoet.
  • 207 (refrein 114, verzen 16-17). Zot rederijkersrefrein. Spot met opgetutte, ijdele meisjes: Ic lache als ic sie dees meyskens blosen / Gheblancket, gheroset, net als rosen.
  • 256 (refrein 144, vers 16). Zot-erotisch rederijkersrefrein (seks beschreven in schaatstermen). Doen stontse en bloosden als een roseken.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 153 (refrein 41, strofe c, verzen 1-4). Amoureus rederijkersrefrein. O schoon roosken roodt, / In uwen handen staat mijn leven en mijn doodt. / Ic legge mijn hoodt / In uwen schoot, schoon rosemarijne.

Pays ed. 1920 (1538)

  • 551 (verzen 214-216). Rederijkersspel. Om oorloghe te scuwene heift hy [Karel V] gheplant / Met der lelye [Frans I] een scoon roose zoet / Syn eyghen sustere, vleesch ende bloet. Deze roos is Eleonora, de zuster van Karel V die huwde met de Franse koning Frans I om de vrede te bezegelen.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 44 (vers 1092). Rederijkersspel. Selfs Goetduncken (een valse verleider) tot Vprecht Simpel Gheloven (een vrouwelijke personificatie): O rose.
  • 44 (vers 1098). Idem. Eel rose sonder doren.
  • 55 (vers 1299). Idem. Mijn lelije, mijn rose.

Cristenkercke ed. 1921 (1541)

  • 44 (vers 1092). Rederijkersspel. Selfs Goetduncken tot Vprecht Simpel Gheloven: O rose, waerdigher dan alle kersouwen.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 118 (nr. 101, strofe 4, verzen 1-2). Lied. Schoonder rose van minnen, / En heb ic noeyt ghesien.
  • 139 (nr. 120, strofe 3, vers 1 / strofe 5, vers 1). Meilied. O Rosier mijnde rherten ghetrouwe / (…) O roose bloeme prieel van waerden.

Diversche Liedekens ed. 1943 (XVIb)

  • 12 (nr. 5, strofe 4, vers 5). Amoureus liedje. Oft doedijs niet, schoon rooskin root.
  • 16 (nr. 7, strofe 1, vers 8). Amoureus liedje. Schoon roosken root.
  • 23 (nr. 10, strofe 4, vers 7). Amoureus liedje. Adieu wel rieckende roosiere.
  • 56 (nr. 23, strofe 4, verzen 11-12). Amoureus liedje. Haers zoeten aerdt / Passeert alle rosen.
  • 57 (nr. 24, strofe 3, verzen 1-4). Amoureus liedje. Ghelijck haer de roose blyde ontpluyct / Wanneerse de zonne-schijn besmuyckt / Seer vreughdich int aenschouwen / Tsghelijcks schoon lief heb ick u ghebruyckt.
  • 67 (nr. 28, strofe 2, vers 1). Amoureus liedje. O rieckende roosiere.

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 613 (vers 204). Rederijkersspel. sMenschen Gheest tot tVleesch (een hoer): lustich rosierken, moy violierken.

Mars en Venus ed. 1991 (1551)

  • 268 (vers 578). Rederijkersspel. Mars noemt Venus wel rieckende roosken root.

Coninck Proetus Abantus ed. 1992 (1589)

  • 13r (verzen 531-532). Rederijkersspel. De koning noemt zijn drie dochters Lieffelijcke bloeijende violieren / soet als roosieren, voor allen excelente.

Al Hoy ed. 1964 (circa 1600)

  • 17 (vers 294). Rederijkersspel. Buijcsken over de bazin van Ydel Lustken: het schynt men vant noyt schoonder roosken.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 51 (strofe 3, vers 6 / strofe 4, vers 6). Amoureus liedje. Reyn Roosken excellent / (…) Reyn Roosken delicaet.
  • 54 (strofe 4, vers 1). Amoureus liedje. Adieu schhon Roose bloeme.
  • 85 (strofe 4, verzen 1-2). Amoureus liedje. Schoonder Roosen van minnen / En heb ick noyt ghesien.
  • 90 (strofe 4, verzen 7-8). Amoureus liedje. Tot alder uren soo moet ick treuren / Om u reyn roosken root.
  • 110 (strofe 3, vers 7). Amoureus liedje. Als ghy o edel Roosken root.
  • 115 (strofe 2). Amoureus liedje. Adieu o Roosken gepresen.
  • 119 (strofe 1, vers 7). Amoureus liedje. Reyn roosken root, troost my ‘tis noot.
  • 143 (strofe 2, vers 3). Amoureus liedje. Die liefste rogier [sic].
  • 177 (strofe 1, vers 1). Amoureus liedje. O Rooskens root, o peerle jent.
  • 182 (strofe 1, vers 7). Amoureus liedje. O Roosken root seer excellent.
  • 183 (strofe 4, vers 11). Amoureus liedje. O roosken root, troost my ’t is noot.

Broeckaert ed. 1893 (circa 1600)

  • 47 (refrein 2, strofe c, verzen 7-8). Amoureus rederijkersrefrein. Ghij blinct gelijck doen de schoone roosen, / Die welck daer spruyten uut scherpe doren.
  • 52 (refrein 4, strofe b, vers 1). Amoureus rederijkersrefrein. Schoon roosken vercoren.
  • 53 (refrein 4, strofe c, verzen 14-15). Amoureus rederijkersrefrein. Ja zeer begheert, want ghij zijt schoon roosken reene / Int herte die liefste, liever noyt gheene.
  • 54 (refrein 4, strofe d, vers 13). Amoureus rederijkersrefrein. Schoon roosken root.

Leander ende Hero ed. 2002 (1621)

  • 136 (Spel 2, vers 221). Rederijkersspel. Over Hero: Sy si de schoone Roose onder den doren.

 

8 Roos = geliefde jongen, man, minnaar / gerespecteerde man

 

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 110 (vers 3113). Rederijkersspel. Al ist dat den troostighen rosier naect / Met ontrooste en nemes voor geen vercleninge.
  • 209 (verzen 5925-5931). De neef zegt tot Katherina dat zij wel een andere minnaar zal vinden: Peynst, was Dieric een bloeme vol duechden / Tsaet van minnen is noch int groeyen. / Daer sullen noch also schoone roosen bloeyen / Als die op Venus acker verdrooghen: / Ende peynst dat uwe liefelijcke ooghen / Macht hebben droefheyt te doen verliesene / Oock om een ander roosken te verkiesene.

Aragoenoysen ed. 1920 (1525)

  • 127 (verzen 326 / 331). Rederijkersspel. Over de Franse koning Frans I: Roosier bequaeme vruchtbaer bekent / (…) Maer al hu blommen hebt ghy verloren.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 199 (refrein 53, strofe b, vers 9). Amoureus rederijkersrefrein. Een vrouw spreekt: Als ic u mach aenschouwen, soeten roosengaerdt.
  • 281 (refrein 81, strofe c, vers 8). Amoureus rederijkersrefrein. Een vrouw spreekt: Cleven moet ic aen u, reyn minlijc rosier.

 

9 Roos, roos plukken // liefde en erotiek

[Van Huffel 1988: 15-17, signaleert: de roos was altijd al de liefdesbloem bij uitstek. De zegswijze ‘geen rozen zonder doornen’ wijst op de vreugden én de smarten van de liefde. In 17de-eeuwse Zuid-Nederlandse huwelijks- en familieportretten kon de roos verwijzen naar de kortstondigheid en de ongedurigheid van de liefde.]

 

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 538-541 (nr. 139). Amoureus lied. ‘Rozen strooien’ = blijken van liefde tonen vanwege de man. ‘In’ die man groeit een rozenboom met rozen. Die boom zal hij afhauwen als zij zijn liefde niet beantwoordt.

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 105 (verzen 2985-2987). Rederijkersspel. Sinneke tot Dierick: Climt op den roosboom, u mach ghelucken / Dat ghi vanden hoochsten bome muecht plucken: / Laet die slechte coolbloemen daerse staen / Soo salmen u prijsen.
  • 124 (verzen 3504-3505). Katherina zegt: Ick sie den roseboom daer vruecht uut wies / Al met troostighe roosrancxkens behanghen.
  • 178 (verzen 5039-5040). Die roseboom vol jonstelijcker vruchten / Groeyt uuter herten met grooter melodije.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 209 (refrein 240, verzen 1-5). Zot rederijkersrefrein. Hertekens die sulc sijn van manieren / Dat sy venis rooskens niet verdieren / die beminnen beleeftheijt van allen saken / Al offeren die amoruese rosieren / Haer gonsticheyt mit hertens goedertieren… Van geliefden wordt dus gezegd dat zij de ‘venusroosjes’ niet kapotmaken en dat zij ‘amoureuze rozenstruiken’ zijn.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 105 (refrein 55, verzen 17-20). Amoureus rederijkersrefrein. Oft mi die gracie mocht ghelucken /met haer te gaene int secrete / ende eens vanden rooskens te mogen plucken, / sonder van nijders die mi doen duchten.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 198 (refrein 53, strofe a, verzen 2-3). Amoureus rederijkersrefrein. Een vrouw spreekt: Van dagen te dagen mijn liefte froeydt / Als een roosken dat bloeydt.
  • 202 (refrein 54, strofe a, verzen 18-19). Amoureus rederijkersrefrein. Een vrouw spreekt: Therte moet ontpluken / Gelijck de rooskens op de groene struken.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 44 (nr. 39, strofe 6, verzen 1-2). Lied. Ick bidde vminnaers ande rosiers / Die metter minne zijt beladet.
  • 179 (nr. 157, strofe 2, verzen 1-2). Lied. Ghelijck die roose wast op den doren / heb ick met vruechden mijnen tijt gheleyt.
  • 195 (nr. 170, strofe 1, vers 10). Lied. Reyn roosken root.
  • 199 (nr. 172, strofe 4, vers 2). Lied. Adieu schoon eglentier.
  • 209 (nr. 180, strofe 2, vers 2). Lied. Die ouer schoone roose.
  • 238 (nr. 202, strofe 4, vers 2). Lied. Adieu schoon eghelentier.
  • 257 (nr. 218, strofe 2, vers 5). Lied. Een schoone roose bloeme.

sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 123 (verzen 211-213). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: In swerlts rosiere vintmen sonder getal / Amorösen die des verganckelicheits bal / In haer eijgen dal amoröslijck spelen.

Vanden .X. Esels ed. 1946 (1558)

  • 40 (verzen 27-29). Volksboek. Aanmaning om niet te roddelen over geliefden: Siense dan eenighe verdoelde schapen / Die rooskens van minnen te gader rapen, / Sij lacchen worden die tot schanden ghebrocht.

Diversche Liedekens ed. 1943 (XVIb)

  • 59 (nr. 25, strofe 1, verzen 9-11). Amoureus-erotisch liedje. Wy laghen bee ghedoken / Bet dan icx doe ghewacht / My docht dat ic in roode rooskins lach.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 184-185 (strofe 13). Amoureus liedje. Over de onfortuinlijke minnaar van een rijk meisje: Hy loopt tot hy wort out en kout / Hy blijft geen Tin al was hy Gout / Sijn Roosen sonder ruycken / vervallen van haer struycken.

 

10 Roos = vagina

 

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • (vers ). Zot-erotisch rederijkersgedicht. Het meisje zegt: En sprack reyn greyn, mijn roostken [lees: roosken] droopt [druipt, druppelt, is nat].

Wonder van claren ijse en snee ed. 1946 (1511)

  • 33 (verzen 322-324). Rederijkersgedicht over het sneeuwpoppenfestival in Brussel, 1511. Beschrijving van een sneeuwpop die een dikke naakte hoer voorstelt: Haer fronse was bedect met eender rosen; / Tcontoer onder de rose, dat ghijt smaect, / Doet den menighen sijn siluerwerck losen.

 

11 Roos plukken = seksuele gemeenschap hebben

[Wijngaards 1964: 101 (noot 12), signaleert dat ‘rozen plukken’, ‘in de rozen gaan’ enz. steeds een sterke erotische betekenis heeft gehad. Reeds in de oudchristelijke tijd werd de roos als symbool al gewantrouwd vanwege haar erotische en in het algemeen sterk-zinnelijke associaties.]

 

Vlaamse Rose ed. 1958 (circa 1290)

  • 182 (verzen 129-133). Allegorische rijmtekst. Mettesen so verhaestic mi / Ende nam die goedertiere fine / Vriendelic in den arme mine / Om te plucke hare rose fijn / Met te vervulne den wille mijn.

Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 242 (verzen 14.322-14.326). Allegorische rijmtekst. Alst coemt inden sueten saisone, / Dat gi knapen wilt plucken gaen / Cnoppen ende rosen, die scone staen, / Ic rade u dat gise so behendelike leest, / Dat gi niet bedroegen en weest.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 44 (nr. 39, strofe 2, vers 8). Lied. De ‘ik’ heeft seks met zijn geliefde in bed: Mi docht dat ick daer rooskens las.
  • 47 (nr. 42, strofe 1, verzen 1-6 / strofe 2, verzen 1-4). Lied. Een ionck herteken goet van prijse / Ghinck voor een ioncfrouwe staen. / Hi seyde ioncfrouwe met goeden auijse / Mochte ic in uwen boomgaert gaen / Ick soude vanden bladerkens plucken / ende die rooskens laten staen. Zij wijst hem af en dan luidt het in de tweede strofe: Hi seyde wel ouer schoone ioncfrouwe / Laet mi in uwen boomgaert gaen / ende ic sal van die rooskens plucken / Ende die bladerkens laten staen. Waarop zij hem weer afwijst.
  • 105 (nr. 90, strofe 6, verzen 1-5 / strofe 7, verzen 1-5). Lied. Man pleegt overspel met vrouw. De man zegt: Ioncfrouken en roept niet so seere / Ghi sult een goede vrouwe wederom keeren / Tot uwen man / Ende segt dat ghi waert roosen lesen / Int soete dal. Zij zegt: Rooskens te lesen is bi manieren / In ghenen velden so menighertieren / Des seker zijt / Al soude mijn man zijn ooghen wt crijten / Hi is mijns quijt.

 

12 Roos plukken = ontmaagden (waarbij roos = maagdelijkheid)

 

Roman van de Roos ed. 1991 (circa 1270)

  • 349 (verzen 13.089-13.0091). Ars amandi. De oude koppelaarster geeft advies aan jonge meisjes: Al zijn er duizend, zweer altoos: / Heer, u alleen slechts krijgt mijn roos, / geen ander laat ik eraan raken.
  • 564-665 (verzen 21.665-21.712). Het uiteindelijke plukken van de roos symboliseert in deze allegorische tekst het ontmaagden van het geliefde meisje.

Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 205 (verzen 12.092-12.093 / 12.098-12.099). Allegorische rijmtekst. De oude koppelaarster tot Suetonfaen (een vrouwelijke personificatie): Haddi willen laten lesen / Die Rose, diemen heeft so wart, / (…) Dat die Rose niemen dan hi / Plucken en soude van haren stele.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 140 (Winterstuc, hoofdstuk 21, regels 251-253). Theologisch compendium. Maechdelike reynicheit sel twivoldich werden totten croen. Want het is vreemde vrucht die God gadert, ende lest margariten uten schilpen, rosen vanden doornen.
  • 298 (Winterstuc, hoofdstuk 40, regels 21-24). Over Maria die maagd bleef: Recht als inden morgen douwe een rose uutbrect ende als een glanse doer den glasse trect, soe onghequetst bleef die maecht van des kints boorte.

Der minnen loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 276 (verzen 4163-4166). Ars amandi. Jonghe rosen inden knoppen, / Frissche maechden, die hem bestoppen / Ende bewimpelen mit een cleyt, / Wyen gheven si vruechde off lusticheit?

Triumphe ende ’t palleersel van den vrouwen ed. 1996 (1514)

  • 333 (regels 16-17). Kledingallegorie. Ende hebt goeden moet uwen maechdom ende reynicheyt te bewaren, want dat een rose is die men nemmermeere wederom vercrighen mach.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 70-71 (strofe 3-6). Amoureus liedje. Ionck-vrou spreeckt niet so stout / ’t Ghebeurt wel menichfout / Dat hooge bergen dalen / Al staen u Rooskens fier / De Rijp can comen schier / Vernielens altemale. // Mijn Rooskens segh ick saen / Die zijn seer wel ghedaen / Sy staen op groene struycken / Al quam de Rijp op een nacht / En benamse haer kracht / Nochtans sult ghys’ niet pluycken. // Een weynich tijdts na dien / Heeftmen daer trueren sien / Sy heeft consent ghegeven / In haer Liefs armkens blanck / Lach sy een tijt niet lanck / Des machse treurich leven. // Nu seght my Ionckvrou fijn / Waer nu u rooskens zijn / Dien ick niet moeste pluycken / Te niet zijnse gebracht / Vergaen is al haer cracht / Sy staen op dorre struycken.
  • 71 (strofe 1). Amoureus liedje. Het was een aerdich Knaepken / Smorgens vroech op gestaen / Drie uren voor den dage / Spanceeren metten maechden / Om Rooskens souden sy gaen.

Noach ed. 1986 (1667)

  • 584. In het Vondel-drama Noach zegt Urania, de vrouw van de grootvorst der Reuzen, tegen haar man, die op het punt staat zich te bekeren tot Noachs leer: Heel anders zongt ge, toen wij ’t eêlst van onze jeugd / De roos des maagdoms, voor de dauw nog toegeloken, / En ’s levens dageraad, nog nuchtre en onbesproken / U offerden.

 

13 Roseren, wandelen in de rozentuin = seksuele gemeenschap hebben

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 112 (refrein 58, verzen 39-41). Zot rederijkersrefrein. Een man droomt dat hij paus is: Knechten ende meijskens die trou hadden ontfanghen / ende gherosiert hadden ghy siet wel my / Die seyden ontbint ons ons liefde is verganghen.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 92 (refrein 177, verzen 38-41). Vroed rederijkersrefrein. Over minnaars die over hun erotische escapades pochen: Mer die en syn niet weert te hebben beuelen / te ghenieten venus gifte als Paris dede / Om te roseren oft te spelen / in venus boomgaerdeken naer haer zede.

Bedroch der Vrouwen ed. 1983 (circa 1532)

  • C4v. Volksboek. Ende hi had so zeer gereden dat hi voor dage quam voor zijn casteel daer hi dat nederhof open vant / daer hi zijn peert liet staen / ende quam so geleerst ende ghespoort voor die camer daer zijn vrouwe lach / ende roseerde met eenen anderen man.
  • I4v. (…) hoe zijn wijf dan met eenen anderen lach ende rosierde in haer bedde.
  • K2v. Ende hi verstoute hem ten laetsten ende hi begheerde met haer eens te mogen spaceren in venus rosegaert.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 44 (nr. 39, strofe 5, verzen 1-4). Lied. Als twee ghelieuekens te samen zijn / Ghenoechte dat si hantieren / Si vergheten alle druck ende pijn, / Als si te samen roseren.
  • 126 (nr. 108, strofe 5, verzen 5-6). Lied. Roseren sal ic in alder tijt / Na liefs danck der nijders spijt.

sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 147 (verzen 552-556). Rederijkersspel. sMenschen Sin zegt: Al mûcht ic met Medea die schone vrouwe / Subtijl van verstande, daer tûe fraij en fiere / Rosieren carnaliter in Venus douwe / In een lustich amorös vergiere, / Verciert met goutblûemkens sûet van maniere, dan nog zou hij Verganckelijcke Schoonheit verkiezen.

Turias ende Floreta ed. 1904 (1554)

  • 50. Volksboek. Turias en de dochter van de Duitse keizer (Exceleonesa) hebben seks onder een roselaer in een prieel (tuin).
  • 58. Idem. Zij hebben seks inden hof onder den roselaer.

Borchgravinne van Vergi ed. 1988 (1558-60)

  • 277 (vers 868). Volksboek, met daarin een amoureus rederijkersrefrein. Triumpheren ende vrolijck roseren.

Testament Rhetoricael II ed. 1976-77 (1561)

  • 237 (fol. 287v, verzen 20-21). Rederijkerslyriek. Over 18 kenmerken van mooie vrouwen. Tbewandlen der velden en der Roozieren pleyn / En waeren gheen vrauwen, Ten waere al niet waen.

 

14 Roos planten = seksuele gemeenschap hebben (waarbij steel van roos = fallus / rozentuin = vagina)

[Vergelijk over deze topos ook Coigneau II 1982: 280.]

 

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 257 (refrein 145, verzen 4-5 / 8-10 / 16-19 / 39-40). Zot rederijkersrefrein. Een ‘ruiter’ verleidt een meisje tot seks: Ick heb een cruytken vol sueticheden / Dat plantick gheerne in uwen rosier / (…) Die ruyter sprack: mijnen eglentier / Sal ick int aertrijc wel bringen schier, / Den steel is stijf ghelijc den stake / (…) Die ruyter sprack: lief laet mi beleuen / Want vrientlijcke woorden in haer gelaet / Hebben menich rosier op ghedreuen / Daer rosen in waren gheplant, becleuen. Op het einde raadt de ikverteller aan niet te aarzelen als een meisje toeschietelijk is: Grabbelt na die vore, segt mi en roeck / En planter uwen roosboom inne.

 

15 Verwelkte roos = oude vrouw / hoer / vrouw met liefdesverdriet

 

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 156 (refrein 83, vers 66). Vroed rederijkersrefrein. Een oude hoer wordt genoemd: Een versloonst roosken der verdroochder planten.
  • 192 (refrein 105, vers 61). Vroed rederijkersrefrein. Klacht van een vrouw over haar weduwschap: Een roosken was ic, nv ben ic verdwenen.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 162 (refrein 43, strofe a, vers 5). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw: Ic bloeyde eens schoone als een roosken roodt [toen hij mij het eerst zijn liefde bood]. Nu is de roos dus verwelkt (impliciet).
  • 212 (refrein 57, strofe b, verzen 5-6). Amoureus rederijkersrefrein. Liefdesklacht van vrouw: Want gelijck een roosken, gepluckt van den stele, / Gae ic verdroogen.
  • 234 (refrein 62, strofe c, verzen 1-2). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van man: Soo schoonen rooskens groeyen als verdroogen; / Dit sien wij dagelijcx voor ons oogen. Hier gaat het dus om een man met liefdesverdriet!

 

16 Roos: restmateriaal

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 136 (refrein 71, vers 46). Vroed rederijkersrefrein, politieke rebus. Mit der eedelder enghelscher roosen root. Engelse rode roos = de Engelse koning?

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 69 (refrein 18, strofe d, verzen 10-13). Vroed rederijkersrefrein. Over de strijd tegen het ‘vleesch’: Die den strijdt windt, die crijgt den roosen crans.

 

[explicit 29 januari 2017]