SCHRIJVEN / BRIEF

 schrijventopos

1 Schrijven = de coïtus uitvoeren / schrijfpen = penis / brief, perkament = vagina

 

Lodder ed. 2002 (XIVB)

  • 62 (verzen 98-101). In de boerde Vander vrouwen die boven haren man minde houdt een vrouw zogenaamd een dief gevangen: Ende si began die been ontdoen / Ende nammer tuschen hare lief, / Die doe overlas haren brief / Dapperlike met groter haesten. Vergelijk ook De Middelnederlandsche boerden ed. 1957: 118 (nr. XIX, verzen 102-103).

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 179 (nr. LXXXV, verzen 62-65). In de boerde Vanden monick maakt een broeder dominicaan een mooie biechtelinge zwanger: Soe dattet twide van haren clede / Begonde te vollen in die zijden / Als doorde hout van dien ghetijden / Datmen soe bij naturen scrijft. Onduidelijke passage (is hout = houten schrijfpen?). Vergelijk ook De Middelnederlandsche Boerden ed. 1957: 74 (nr. XIII, verzen 62-65) en Lodder ed. 2002: 188 (verzen 62-65).

Spiegel der Minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 64 (verzen 1821-1822). Een sinneke zegt over wellustige meisjes: Het scinen goddinnekens, die scriven met pinnekens / Vierighen appetijt alleen.
  • 132 (vers 3720). Sinnekes beschrijven een coïtus: Hy beseghelt den brieve.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 179 (refrein 222, verzen 22-25). In een zot refrein op de stok Wat spel soudmen spelen wou tbuijxken niet swellen lezen we: Die henne is ghern byden hane / soe is die haen oec bij die hinne / Wy dat heeft die beste scryf penne / daer geef ic v allen in te raen. Schrijfpen = penis. Reeds vermeld in Bax 1956: 85 (noot 1).

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 135 (refrein 74, vers 17). In een refrein dat (ironisch?) aanzet tot het genieten van al het aardse, worden zij die zich overgeven aan erotiek onder meer genoemd: die den meynacht planten met scriften gescreuen.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 42 (nr. 37, strofe 3, verzen 6-7). In het zot-erotische liedje Mijn boelken moet een jonckman zijn wijst een meisje de avances van een oude man af met de woorden: Wat soudt ghi schrijuen in mijn francijn / Mijn boelken moet een ionck man zijn. Francijn = perkament. Reeds vermeld in Bax 1956: 85. Ook terug te vinden in Amoreuse Liedekens ed. 1984: 40 (3) [XVIIa?]: Wat sout ghy schrijven in mijn Francijn / Mijn Boelken moet een Ionck-man zijn.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 75 (fol. 357r, verzen 8-12). In een zot-erotisch refrein uit 1543: Een polderclerck Bescryuende parchemyn / van noode zyn / mach hy een vrauwe in hier waterconduten / als toeziender van alsulcken wercke fyn / waer slusen speyen Busen meest quaelick sluten [een polderklerk die op perkament schrijft, kan nuttig zijn voor een vrouw en haar waterwegen, als opzichter van zulke subtiele werken, (om te controleren) waar sluizen, schutsluizen en buizen het slechtste sluiten].

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 42 (nr. XIV, verzen 5-7). In een meertalig zot-erotisch refrein op de stok Ke,muerken, le curré de nostre villagie zegt een jong meisje, dat het houdt met de pastoor, tot haar moeder: Je seus grand assez, ne doubtetz point, / Want ic hebbe my metter penne late in scriven / Et sum satis magna in getoint. Reeds vermeld in Bax 1956: 85 (noot 1).

Lijsgen en Jan Lichthart ed. 1997 (XVI)

  • 82r (verzen 324-329). Rederijkersklucht. Lijsgen verlangt naar haar man: hij can mij al mijn swaericheijt verdrijven / bijsonder als hij mij doet het vrouwen gerieff / hij heeft mij geschreven so menigen brieff / doen hij mij aldereerst begon te vrijen /en dan quam hij somtijts geslopen als een dieff / en al wadt hij mij int doncker Deet, dat mocht Ick lijen. Dubbelzinnig gebruik hier van ‘brief schrijven’. Vergelijk ook Lijsgen en Jan Lichthart ed. 1938: 67-68 (verzen 237-242).

Verlaten Kennisse ed. 1992 (XVIB)

  • 111v (vers 934). Rederijkersspel. Een sinneke over de zondige erotiek van de hoofdpersoon: Hach hach hach haij daer gaense nu Lesen venus brieven.

Veelderhande Geneuchlijcke Dichten ed. 1977 (1600)

  • 81-82. De dialoog ‘Van den ouden ende langhen Aernout’. De Meester vraagt: Aernout waer gingt ghy ter Scholen? Waarop Aernout antwoordt: Te sint Truyen voor de steen kolen / daer sat ick het vuyr soo naer / dat ick het noch wel worde ghewaer / Ick schreef daer letteren sonder inct / d’ Welckmen noch beschreuen vint / met veel masselen voor mijn schenen. Volgens Enklaar 1937: 102, werd Aernout in Sint-Truiden dus gemarteld en gebrandmerkt. Maar bij Kiliaan [Etymologicum ed. 1974: 307] lezen we: Maschelen aen de beenen = Maculae subrubrae quae hyeme contrahuntur, dum crura ad ignem propius admouentur (roodachtige vlekken die ’s winters opgelopen worden, als men de onderbenen erg dicht bij het vuur steekt). De vlekken op Aernouts schenen zouden dus gewoon verklaard kunnen worden als een gevolg van het te dicht bij het vuur zitten, maar wat betekent in dat geval het vers ‘ik schreef daar letteren zonder inkt’? Wordt hier inderdaad een toespeling gmaakt op brandmerken? Maar werden brandmerken dan op de schenen aangebracht met letters? En Aernout zegt dat hij zélf schreef zonder inkt, dus brandmerkte hij zichzelf… Aannemelijker is dat hier een toespeling gemaakt wordt op seksueel verkeer (in het bordeel?) en zijn de vlekken het gevolg van een venerische ziekte (syfilis?). MNHW 1981: 349, geeft voor masel: ‘Eene door de eene of andere ziekte veroorzaakte vlek op de huid’. En in een spotprognosticatie uit 1560 wordt de volgende toespeling op syfilis gemaakt: Jan Pockaert met sijn verrotte schinckelen / mochte op dit pas wel beghinnen te hinckelen [Ulenspieghel ed. 1980: 67 (verzen 150-151)]. In Het Leenhof der Ghilden ed. 1950: 17 (vers 296), is het crausel aen de beenen één van de symptomen van een geslachtsziekte. Waarschijnlijk wordt in de hier besproken passage dus bedoeld dat Aernout ‘school heeft gelopen’ in bordelen en daaraan syfilis heeft overgehouden. Het te dicht bij het vuur zitten verwijst dan metaforisch naar het te vaak omgaan met prostituees.

Nieuwe Nederduytsche Gedichten ende Raedtselen ed. 1972 (1624)

  • In een zot-erotisch refrein: Maer als nu Venus bouck by na was vol gheschreven.

Van Straten ed. 1992 (XVII/XVIII)

  • In erotisch gedicht uit 1672 zegt meisje: Komt gij op ’t scheurtje van mijnen brief / uw wapen of merk in douwen.
  • In erotisch liedje uit 1714 zegt jongen: Ei,laat het nou eens toe dat ik een reisje / gelijk een reutje ruiken mag aan jouw brief.

 

2 Brief = hart

 

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 108 (refrein 29, strofe e, vers 11). Amoureus refrein. Ik tot geliefde: Anders niemandts en scrijft in uwer herten briefken.
  • 281 (refrein 81, strofe c, vers 6). Amoureus refrein. Ik tot geliefde: Gescreven staet ghij in mijnder herten pampier.

 

3 Brief = schuldbrief van de mens n.a.v. de Zondeval

 

Voor de verklaring van dit motief, zie Rooijakkers e.a. 1994: 38. Kolossenzen 2: 14-15 = Christus’ kruisdood delgde de tegen de mens gericht schuldbrief (naar aanleiding van de Zondeval) uit.

 

Jhesus Collacien ed. 1962 (1480?)

  • 253-254 (44ste preek, regels 17-39). Goede Vrijdag is de dag van de soenbrief tussen God en de mensheid.

Brugge: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 106 (verzen 303-306). Rederijkersspel. De schuldbrief (thandtgheschrift) van Christus, gericht tegen het zondig geweld, aan het kruis gehecht.

Meesen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 136 (vers 319). Rederijkersspel. De pardoen brief bezeghelt vonden. Vergelijk Johannes 6: 27.
  • 139 (verzen 383-385). Christus heeft tandtgheschrifte verscheurd aan het kruis.
  • 140 (vers 399). Christus = bezeghelden brief.

Ieper: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 171 (verzen 433-434). Rederijkersspel. Christus’ bloed heeft het hantgheschrifte dat ons ter dood vermaande, uitgewist.

Nieuwkerke: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 200 (verzen 448-449). Rederijkersspel. Het handtgheschrift is uitgedaan door Christus.

Nieuwpoort: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 227 (verzen 406-407). Rederijkersspel. Christus nagelde de chyrograffe (schuldbrief) aan het kruis.

Antwerpen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 293 (verzen 371-373). Rederijkersspel. Christus sloeg het handtgheschrift aan het kruis.

Loo: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 520 (verzen 195-196). Rederijkersspel. Christus heeft van de duivel de obligacye

Kortrijk: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 563 (verzen 428-431). Rederijkersspel. Christus deed de chyrogreffy

Winoksbergen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 619 (verzen 446-448). Rederijkersspel. Thandgheschrifte is met Christus aan het kruis geslagen.

Treyne Maecxsele ed. 1906 (1571-83)

  • 36 (vers 719). Rederijkersspel. Den brief es bezeghelt en jc blyue verknesen.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 148 (refrein 34, strofe 4, vers 12). Vroed rederijkersrefrein. Thantschrift geschuert van Godt des vaders thoren.
  • 165 (refrein 39, strofe 1, vers 11). Vroed rederijkersrefrein. Maer Christus selve quam dit hantschrift schueren.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 164 (refrein 127, strofe 2, vers 13). Vroed rederijkersrefrein. Thantschrift is geschuert, svyants machts verdreven.
  • 168 (refrein 128, strofe 2, vers 10). Vroed rederijkersrefrein. & schuerde den brieff des verbonts wt vyants poot.

De Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 189 (verzen 694-695). Rederijkersspel. Christus aan het kruis heeft thandt ghescrift

 

[explicit 26 augustus 2013]