SPIN

uilennest

[In de tekening Het uilennest (Rotterdam, Museum Boijmans Van Beuningen) van Jheronimus Bosch zien we, behalve een uilennest in een dode boom, tegen de rechterrand ook twee spinnen: de ene hangt in een web, de andere is een web aan het weven. Een vogel loert op de eerste spin. Ilsink (2009: 64-69) interpreteert de dode boom, de uilen en de spinnen als tekenen van vijandschap en dreiging: ‘Zoals de uil als lokvogel wordt gebruikt om andere vogels te vangen, zo gebruikt de spin zijn web als valstrik om insecten te vangen. Dit betekent dat het spinnenweb naast de uil fungeert als een teken van gevaar en aanspoort tot alertheid (deze oproep wordt kracht bijgezet door het feit dat de spin in het web zelf weer wordt beloerd door de vogel die er overheen gebogen op een tak zit)’. Ilsink verwijst in verband met dit motief naar het gedicht Mont toe, borse toe van Cornelis Crul (zie infra) en stelt dat Bosch met het motief van het spinnenweb tegelijk een proeve wilde geven van zijn vakkundigheid als beeldend kunstenaar, zoals ook het geval was bij Albrecht Dürer en Maerten van Heemskerck: ‘Zonder de duiding van het spinnenweb bij Dürer en bij Van Heemskerck onmiddellijk te willen projecteren op het web in de tekening van Bosch – waar zij vooreerst de functie heeft van een teken van dreigend gevaar – mag de weergave van het spinnenweb als teken van virtuositeit niet onvermeld blijven waar het gaat om de interpretatie van Bosch’ tekeningen als objecten die kunstenaar en diens kunst representeren’.

 

In zijn iconografische duiding van deze tekening beperkt Koreny (2012: 192) zich tot een verwijzing naar Ilsink: ‘Ilsink deutete den toten Baum und die böse Eule als Künstlersignum. Die Spinne mit ihrem Netz sah er als Symbol für Achtsamkeit vor Gefahr wie als Zeichen für die Virtuosität des Künstlers’.]

 

1 De spin/bij/bloem-topos: spinnen zuigen venijn uit bloemen, bijen zuigen honing uit bloemen

Spinnen = venijnige, nijdige, valse, hatelijke personen die de dingen steeds ten kwade keren

 

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 70 (Winterstuc, hoofdstuk 15, regels 60-63). Theologisch compendium. De zesde ‘ouderdom’ van de mens, van 78 jaar tot de dood = duttinge of ofganc. Typisch hiervoor is: miswanen, want men heeft heel zijn leven veel kwaads gezien: Hier om is hoir ziel ghelijck eenre spinnen die vol onnuts arbeits is.

De Spieghel der Menscheliker Behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 7 (proloog, verzen 229-246). Typologisch rijmtraktaat. Naar aanleiding van een exempel over een omgevallen eik in een klooster waarvan iedereen iets neemt: de auteur zal uit de hystorien ook nemen wat hij nodig heeft voor zijn boek. Uit dezelfde bloem nemen bijen hun honing en spinnen hun venijn, elk wat ze nodig hebben.
  • 102-103 (hoofdstuk 17, verzen 19-30). Een bij neemt uit een bloem honing, een spin venijn: wie in staat van zonde ter communie gaat, verdoemt zichzelf, wie waardig communiceert, heeft er groot voordeel bij.

Geirnaert ed. 1994 (circa 1500)

  • 257 (verzen 14-16). Brugge, Stadsarchief, hs. 58: een liefdesbrief van ene Maarten aan ene Tanneke in de vorm van een vierstrofig amoureus gedicht. Al waren alle nyders daer up ghestoort, / fenijnneghe tonghen, aergher dan coppespin, met eerbaer ionste blivic hu eyghen voort.

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 31-32 (verzen 881-891). Rederijkersspel. Katherina over zij die geliefden benijden en beschimpen: Dierick jonghelinck wilt u verblijen / in die rooskens metten dauwe behanghen. / Die spinnen wil God vermaledijen / die haer venijn daer in ontfanghen. / Want haer lijflijcke blosende wanghen / venijnich duerstraelt zijn. / naer de byen moghen alle rooskens verlangen / als sy ghedaelt zijn / daer thonich met soethede mach gehaelt zijn. Dierick: Der spinnen wreetheyt verdwijnt de rosen. Katherina: En de bye verjuechtse met haerder soetheyt. Vergelijk over deze passage Van Gijsen 1989: 23, die signaleert dat de titelpagina van de oudste druk (1561) een vignet bevat met een roos, een bij en een spin: ‘Het vignet verwijst naar de oude zegswijze, dat de spin gif zuigt uit dezelfde roos, waaruit de bij honing haalt. Degenen die het stuk bekritiseren kunnen dit op zichzelf betrekken’.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 78 (refrein 40, verzen 34-35). Amoureus rederijkersrefrein. Over Judith en Holofernes: Niet sy holophernen bedroghen heeft / mer hy tfenijn wte bloymen getoghen heeft.
  • 89 (refrein 46, verzen 62-63). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Over de bedrieglijke vrouwen: bedrieghende spinnekens / geen meerder fenyn ter werlt ijemant ije vonde.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 57 (deel I, refrein 15, strofe e, vers 7). Vroed rederijkersrefrein, over de lutheranen: Sij sugen quaedt uut goet en slachten der spinnen. Zoals de spin venijn zuigt uit een bloem, halen de lutheranen slechte, ketterse dingen uit de Bijbel.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 5 (refrein 2, strofe a, verzen 15-17). Vroed rederijkersrefrein, waarschuwing tegen ‘clapaerts’: Men vindt menschen, die altijd der spinnen slachten. / Dus sijt op u hoede bij daghe, bij nachten; / onbehoedheydt doet somtijts die clapaerts spreken.
  • 167 (refrein 44, strofe b, verzen 6-8). Vroed rederijkersrefrein. Tot de valse wereld en ‘eerdse minne’: Nu ic u kinne, / voerwaer zoo hate ic gelijck een spinne / U valsch venijn.
  • 219 (refrein 58, strofe g, verzen 1-4). Amoureus rederijkersrefrein, vrouwelijke auteur: zij houdt van hém, ondanks zijn ontrouw. Over slechte raadgevers in de liefde, die een meisje willen afkeren van haar geliefde: Ic haetse die mij geven ander leere, / als valsche spinnen.
  • 256 (refrein 68, strofe d, vers 15). Amoureus rederijkersrefrein, klacht van vrouw. Tot haar geliefde: Mij dunckt, ghij haet mij gelijck een spinne.
  • 283 (refrein 77, strofe c, verzen 2-3). Vroed rederijkersrefrein. Over de tegenstanders van de rederijkers: En wilt u wachten; vliedt veninighe spinnen, / die niet en minnen aerdeghe zeden.
  • 326 (refrein 90, strofe c, vers 8). Vroed rederijkersrefrein. Over de ketters die Maria niet vereren: Spinnen vol etters zijn ketters, die dit vergheten.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 205-206 (refrein 113, verzen 47-50). Vroed rederijkersrefrein over de Nijd: Hoe constige dingen, dit toocht hem bloot, / si vindender arch in, tsi cleen oft groot / als die spinne die fenijn is garende / wt suuer bloemken, hier leyt den cloot.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 36 (verzen 879-880). Rederijkersspel. Selfs Goetduncken in een klaagliedje over de kwetsende liefde van vrouwen die de mannen gek maakt: onnatuerlick scuerlick, der mannen wit int sinnen / als sughende spinnen.
  • 63 (vers 1432). Scriftuerlijcke Hoede tot Selfs Goetduncken: als je niet luistert naar mij, ende ghij sterft als spinnen. Spinnen = ketters die een geestelijke dood sterven.
  • 101 (verzen 2371-2372). Een sinneke, op het einde van het spel: mer twelck ons de doet es, es haer tleuen, / als spinnen wij sneuen, als bijen sij ghedien. Spinnen = ketters, bijen = goede gelovigen (zij zuigen beiden uit de bloem/Bijbel, maar de enen gif, de anderen honing).

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 147 (deel II, refrein 14, strofe b, verzen 9-10). Vroed rederijkersrefrein, over de lutheranen: Vervalschers van Gods woort, die wel der spinnen slacht, / die uut soeten bloemkens suycht venijn infect.
  • 179 (deel II, refrein 23, strofe b, verzen 13-15). Vroed rederijkersrefrein, over de lutheranen: Ick sou mijn verstant tot allen uren bughen, / totdat ick tonder dees valsche spinnen brochte, / die haer venijn uuter schriftueren sughen.
  • 187 (deel II, refrein 24, strofe q, verzen 7-8). Vroed rederijkersrefrein, over de lutheranen: De vijant heeft soo verbijstert haer sinnen, / sij gaen blijdelijc int vier dees valsche spinnen.

Siecke Stadt ed. 1917 (1539-64)

  • 5 (vers 135). Rederijkersspel. Die Gemeent (positief personage) over de ketters: Tfij v geslacht van spinnen…
  • 6 (vers 147). Een sinneke tot een ander sinneke: Om v keel wens ick een seel, fenijnige spinne.
  • 7 (vers 178). Een sinneke zegt: Want ick slacht die spinnen…

De Rijckeman ed. 1941 (1550)

  • 174 (verzen 88-94). Rederijkersspel. In de voorrede: wie onze stof niet wil horen, die gaat maar weg opdat ze ons sparen met hatelijke vinnen / ’t kwaad uit goed te spinnen. De goeden (de bijen) mogen blijven. Hier: het werkwoord ‘spinnen’ met toespeling op spinnen = zij die uit het goede het kwade halen, die het spel moedwillig verkeerd interpreteren.

De bekeeringe Pauli ed. 1953 (circa 1550)

  • 79 (verzen 531-532). Rederijkersspel. De niet-bekeerde Saulus over de christenen: O Godt, sijnt oock niet vertwijfelde sinnen / die gelijck de spinnen haer fenijn spreijen?

Het Cieraet der Vrouwen ed. 1983 (1566)

  • V2-V3 (regels 37-49). Artestekst. Uit dezelfde bloemen halen bijen hun honing en spinnen hun venijn. Nochtans bevat de bloem geen venijn: de spin bederft het sap van de bloem door dit te mengen met het venijn ‘in haar balg’. Zoals een spin geen venijn voor honing kan rondstrooien, zo kan een berisper ook niet iets goeds uit een goed werk halen. Bloem = het book van Goossens, honing = het goede dat uit dit boek te halen is, bij = de lezeressen die het goede eruit halen, spin = de kritikasters van Goossens die zijn boek kapotmaken met hun jaloerse, venijnige kritiek.

Weydts ed. 1969 (1567)

  • 21-22 (Gesten, strofe 16, verzen 3-5). Strofisch gedicht. Over de geuzen die zich tijdens de Beeldenstorm gedroegen dycke, opgheblasen als spynnen.

tHuis van idelheijt ed. 1996 (vóór 1568?)

  • 63v (vers 143). Rederijkersspel. Opperman over de neefkens: Die is verjaecht van deese valsche spinnen. Spinnen = hypocriete verleiders tot zonde.
  • 65r (vers 309). De neefkens stellen zich voor: geen arger spinnen en soudij conen geraecken.
  • 75v (verzen 1265-1266). Opperman over de neefkens: Dit wert u geraeden van deese spinnen / Idel begrip en Diversche sinnen.
  • 76v (vers 1346). Die Lieft verwijtend tot Dwalende Mens: alle menschen bedriegende gelijcken den coppen spinnen. Spin = zondaar die naaste bedriegt.

Die geboorte Johannes Babtista ed. 1994 (1578)

  • 107v (verzen 1328-1330). Rederijkersspel. Sacharias zegt: Hoe dat wij vanden viandt die ons nu beheert / souden werden verlost verstaet wel den sin / oick van die handt die ons haeten gelijck een spin.

Goetheijt, Lijefde en Eendracht ed. 1994 (1579)

  • 154r (verzen 441-442). Rederijkersspel. Het ene neefke tot het andere: Wat een bitteren spin hebdij Die sielen geweest / die door u mosten Dalen int helsche foreest.
  • 155v (verzen 608-609). Een sinneke over een helper: Hoe ginck daer die mont van goet onderwijs / wasse niet wel bewaert voor tspinne raech.
  • 159r (verzen 981-982). Goet Onderwijs zegt dat Christus u kan beschermen voort groote elent dat veel bittere spinnen / dagelicxs beghinnen veel volcxs me te beswaren.

Jesus onder die leeraers ed. 1941 (1580)

  • 149 (verzen 726-727). Rederijkersspel. Jezus tot de schriftgeleerden: Hoe wel te recht slacht gij die spinnen. / Zeg ik daarom, dat men goed doen zal laten? Spinnen = joodse schriftgeleerden die Gods woord moedwillig verkeerd interpreteren.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 17 (refrein 5, strofe 1, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Tfy u, menschen, die quelt al de sinnen / met boeverye en boose gespinnen.
  • 105-108 (refrein 24). Vroed rederijkersrefrein uit 1562. Allegorie over de spin en de bij die beide tot de bloem komen: de bij haalt er honing uit, de spin venijn. De bloem = Christus, de bijen = de gelovigen, de spinnen = de ongelovige ketters.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 67 (refrein 103, Prinche, verzen 3-7). Vroed-amoureus rederijkersrefrein uit 1559. De ik tot Christus: ghy sult my, u lieff, leyen by u binnen / wt alle dees spinnen, die op my wachten, / die my lagen leggen, dagen & nachten. / Want tvlees, de weirelt & smensche leeren / my altyt omsingelen.
  • 71 (refrein 104, strofe 3, verzen 11-12). Vroed rederijkersrefrein. Over de christelijke strijders: ghy bekent oock dees spinnen; volcht geensins die leere / der Nicolaiten, die verdeelt syn seere. Spinnen = ketters.
  • 87 (refrein 108, strofe 3, vers 7). Vroed rederijkersrefrein (protestants) over de (katholieke) ketters: & gaen al swymelende als leelycke spinnen.
  • 152 (refrein 124, strofe 2, vers 15). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Over de liefdesgodin die de ik wil verleiden tot ‘onbehoorlijke minne’ (ontrouw): mer tis al al om niet, venynige spinne.

Mont toe, borse toe ed. 1950 (1583)

  • 51 (verzen 169-170). Strofisch rederijkersgedicht. Er is overal verraad, bedrog en list: De Coppespinnen hangen aen t’huys gestrect, / T’wordt al verstaen, waer ghijt vertrect. Spinnen = verraders, roddelaars.

Coninck Proetus Abantus ed. 1992 (1589)

  • 9r (verzen 146-148). Rederijkersspel. Vermaning in de sprekende proloog van de spelers aan de toeschouwers om ‘uit speelcoren geen venijn te zuigen als erge spinnen’ = om hun kunst welwillend te aanvaarden. Speelcoren: toespeling op naam van de rederijkerskamer (vergelijk fol. 8r, vers 22)?

dEenvoudige Mensch en Schijn van Deuchden ed. 1996 (vóór 1598)

  • 108v (verzen 1276-1277). Rederijkersspel. Eenvoudige Mensch over de vijanden van zijn geloof: Die bittere nijdicheijt veel arger dan spinnen / toonden oick haer aert, om mijn te bevleckken.

Die Ghenaede Goodts ed. 1996 (vóór 1598)

  • 167r (vers 406). Rederijkersspel. Een helper tot de neefkens (valse verleiders tot zonde): Eij spinnen Moordadich.

Hans Snapop ed. 1997 (XVI)

  • 74r (vers 46). Rederijkersklucht. Jan Lamsoijr (die naar de hoeren wil gaan) over zijn vrouw: Wistent mijn wijff sij worde so quaet als een spin.

Sincte Paulus bekeringe ed. 1992 (XVIB)

  • 9r (verzen 812-813). Rederijkersspel. Saulus over de christenen: wadt segt ghij van desen vertwijffelde van sinnen / gelijcken de spinnen gaen sij haer fenijn spreijen.

d’Evangelische maeltijt ed. 1992 (XVIB)

  • 69v (vers 372). Rederijkersspel. Het ene sinneke tot het andere: Ick kent wij sijn de spinnen slachtich.
  • 74r (verzen 853-854). Het ene sinneke tot het andere: We Laet ons dan gaen de spinnen slachten / malcandren niet verachten, maer beminnen.

De Minckijsers ed. 1992 (XVIB)

  • 111r-111v (verzen 513-526). Rederijkersspel. In de proloog: de begrijppers worden aangemaand weg te gaan, nu het spel gaat beginnen. Zij worden vergeleken met spinnen die zoete honing in zuur venijn omzetten en de zoete bijen hun voedsel stelen. Honing = de goede christelijke (hier: protestantse) leer, spinnen = de (katholieke) ketters, bijen = de goede gelovigen die de boodschap correct interpreteren.
  • 114v (verzen 891-900). Spinnen = (katholieke) ketters die een valse leer uit de boeken halen, bijen = zij die de goede leer uit de boeken halen.

Lazarus doot ed. 1992 (XVIB)

  • 138v (vers 1129). Rederijkersspel. Een goede jood over de slechte joden: Eij geslacht der spinnen.

De Oude Tobijas ed. 1993 (XVIB)

  • 86v (vers 59). Rederijkersspel. De oude Tobias over zijn gevangen broer: Al sijt ghij hier bij die fenijnighe spinnen.
  • 100v (verzen 1366-1367). Een sinneke gaat de vrouw van de oude Tobias valse hoop geven in verband met de terugkeer van haar zoon, de jonge Tobias: Ick sal haer mistroosticheijt Ingeven / en doen haer als een spin beven, hoort mij nu.

De saijer die goet saet saijde ed. 1994 (XVIB)

  • 110r (verzen 722-723). Rederijkersspel. Een neefken zegt: want oncruijt heeft die aert van een spin / waer dat sij steect haer vin, sietmen al fenijnen.

Die Mensch veracht die Redelickheijt ed. 1994 (XVIB)

  • 110v (verzen 97-98). Rederijkersspel. Die Mensch zegt tot Die Redelickheijt: sout ick u moeten derven waer sout ick mijn vinnen / onder tbedroch van spinnen sout ick worden gedreven. Spinnen = de vijanden van het goede geloof.

Die daet der tirannen ed. 1994 (XVIB)

  • 171r (vers 360). Rederijkersspel. Een sinneke tot een ander sinneke over Veel Steden: Toont nu u vrij als een spin Wilt veel steden vrij haeten.

De andere Meij ed. 1994 (XVIB)

  • 180r (vers 415). Rederijkersspel. Een sinneke tot een ander sinneke: Sult ghij als een spin, mijn dat soo betaelen. Spin // ondankbaarheid.

Vruechde en Vreetsaemichghe Liefde ed. 1998 (XVIB)

  • 23r (vers 1555). Rederijkersspel. Goet Duncken zegt: En sijn behanghen, nijdich als een spin.
  • 26r (verzen 1791-1792). Vraeghe, tot het publiek op het einde, over de opvoering van het spel: En slacht gheen spinnen, bidden wij u uut minnen / wiltter huenich In vinnen, als bijkens cleijn.

Dagelicxs Onderwinden ed. 1998 (XVIB?)

  • 47r (verzen 56-57). Rederijkersspel. De verliefde Onbedochte Jonckheijt zegt: want Judas geslacht en der spinnen dracht / hebben mijn gebracht heel in dolaci. Spinnen = de nijders.

Goodts Goetheijt ed. 1998 (XVIB?)

  • 153r-153v (verzen 394-400). Tafelspel. Ghoodts Goetheijt zegt: Ons simpel verhaelen wilt toch bekinnen / niet gelijck den spinnen, maer als bijkens cleijn. Duvels Nijdicheijt zegt: Suijckt geen fenijn maer honich reijn / het is certeijn, dat wij ontbinden.

Vanden Jongen geheeten Jacke ed. 1905 (XVId)

  • B45. Volksboek. De verteller over de stiefmoeder van Jacke: Ende had des leets genoech als een feninige spinne.

 

2 Spinnen = duivels, helfauna

 

Fabulae ed. 1985 (XIIIb)

  • 101-102 (nr. 42). Latijnse stichtelijke fabelverzameling. ‘The Dispute of the Wasp and the Spider’. This ‘parlor’ [bedoeld wordt het spinnenweb] is a gorgeous woman, the pleasant things of this world, the refined opulence of wealth – the things we usually speak of as Parlors of the Devil. And the Devil devours all who thrust themselves amid these. Hence Job 18: 8: ‘He has thrust his feet into a net, and walks in its meshes’.
  • 156 (nr. 111). ‘The Fly and the Ant’. It is likewise with laymen. At Easter and Pentecost they receive the Eucharist, and quite regularly hear the divine services. Then soon after, they give themselves over to dissipation and gluttony and to other filthy pleasures. They desert the church for some prostitute, that which is purest for that which is most foul, God for the Devil. Such laymen are the Devil’s own flies, whom the spiders of hell shall devour.

Dat Boeck vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (XV)

  • 112 (regels 26-28) – 113 (regels 1-3). Stichtelijke prozatraktaat. Over de helfauna die de zielen martelt: Daer syn oec onuerdrachlike ende ontellike wormen . altoes hongherich . vuerich . venynde . onreyne . stinckende als padden . spinnen . eghelen . slanghen . aderen . euedassen . draken . ende al onreynne . ende venynde wormen.

Die pelgrimage van der menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 445 (regels 31-32) – 446 (regels 1-9). Stichtelijk-allegorisch prozatraktaat. Satan die zielen vangt // spin die vliegen vangt. Vliegen = goede gedachten.

 

3 Spin // zondigheid (vooral Nijd)

 

Des coninx summe ed. 1907 (XV)

  • 246 (par. 49). Catechetisch traktaat. Over de Nijd: Want een nydich mensche is therte so vol venijns, al siet hi of hoert hi enich goet van enen mensche, hi oerdelt quaet ende trect altoes ten quaetsten. Hi gheliket der spinnen, die tfenijn trect uter bloeme, daer die bye honich uut trect.

Die pelgrimage van der menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 385 (regels 1-13). Stichtelijk-allegorisch prozatraktaat. De 1ste hand van Gierigheid = roof: wordt vergeleken met een spin die vliegen uitzuigt. Spin // hebzucht.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 272 (verzen 63-64). Vroede rederijkersballade. Heer, laat ons oetmoedig zijn soe wordt ons campte des wints behoedt / van ydel glorie, argher dan spinnen. Spin // hoogmoed.

Mariken van Nieumeghen ed. 1980 (circa 1516)

  • 61 (vers 406). Mirakelspel. De tante van Mariken is kwaad en nijdig: Want ik zwelle van kwaadheid als een spinne. Spin // ira, invidia.

De const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 204. Rederijkersrefrein over de godin Venus: zij trekt alles tot luxurien en zij is ia ende al bevleckt als veninighe spinne. Spin // onkuisheid van venus, zondigheid.

De groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 30r (verzen 941-943). Rederijkersspel. De procureur van de hel over Schijn: want hij seer wel Der spinnen slachtich is / daer en isser noijt geen goet gevonden / dus stect van boven tot onder vol sonden. Spin = zondige clerus.

tHuis van idelheijt ed. 1996 (vóór 1568)

  • 68r (verzen 574-575). Rederijkersspel. Een neefke over de ‘worm’ Avaricia: Sij hiet Avaricia / och sij suijct soetelick boven alle spinnen. Spin // hebzucht.

Afval vant gotsalige wesen ed. 1996 (vóór 1598)

  • 121v (verzen 924-925). Rederijkersspel. Die Wet des Gheests tot Die Mensch: werck ick Den Doot der sonden die in u als een spin / tgodlick weesen bederven en tquaet doet behaegen.

Het lichamelijcke huis ed. 1994 (XVIB)

  • 24v (verzen 313-314). Rederijkersspel. Lijefde tot Siele: Niet een spinnecop [= zonden] en moet ghij Langer int huis [= lichaam] gelijden / maer tot allen tijden dat houden suver claer reijn.
  • 25v (vers 399). Siele zegt: Die spinnecop des nijts dat voor al becoopen sal.
  • 25v (vers 407). Hoop zegt tot Siele: Laet nergens hangen een spinnecop [= zonden] en sijt int werck spoedich.
  • 30v (vers 875). Liedje van de 7 Doodzonden: seer groot gewinne die Nijdige spinne heeft in dat aertsche dal.

Die Huisvader ende Huismoeder ed. 1994 (XVIB)

  • 39r (vers 633). Rederijkersspel. Daer is nijts saet, waer uuijt die spinnen soeken fenijn.

 

4 Vlieg als slachtoffer van spin = goede personen die slachtoffer zijn van slechte personen

[zie ook restmateriaal]

 

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 187 (verzen 5322-5325). Rederijkersspel. Dierick zegt: O Venus vermaledijde goddinne / hoe wel slacht ghy de spinne / die int raem van ghewinne / die vlieghen vanct. Spin = Venus die de minnaars met bedrieglijke liefde in hun ongeluk stort.

Menich Bedruct Hart aen een droege chijsterne verleijt ed. 1994 (1577)

  • 138r (verzen 385-388). Rederijkersspel. Het ene neefke tot het andere: Maer neve hoe sullen wij besetten tspel / om in ons netten fel tvolck soo te vliegen doen / coomense in mijn claewen, ick salse soe wijegen doen / als spinnen Die vliegen Die Daer toe affectij heeft.

 

5 Spinnenwebben // aardse ijdelheden

[Job 8: 14-15. Over de zondaar die God vergeet: Een herfstdraad is zijn vertrouwen, / zijn toeverlaat een spinneweb: / hij steunt op zijn web, maar dit houdt het niet uit; / grijpt het vast, maar het houdt geen stand.]

 

Legenda aurea I ed. 1993 (circa 1260)

  • 359. Latijnse verzameling heiligenlevens. Over de apostel Sint-Paulus: Do not talk to me about prizes and peoples, armies and wealth, provinces, powers: these he valued as little as if they were cobwebs.

Des coninx summe ed. 1907 (XV)

  • 408 (paragraaf 383). Catechetisch traktaat. Over de deugd grootmoedigheid. Wie deze deugd heeft, vindt de wereld klein en onbelangrijk, also dat al die werelt ende al die wercken der werelt duncken hem wesen als niet, ende en achtense niet meer dan oft waren spinnen webben.

 

6 Spin: restmateriaal

 

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 43 (regels 26-29). Moraliserend-didactisch traktaat. Die miere entie spinne sy aerbeiden in haren wercken. Sy geven ons exempel dat wy oec aerbeiden selen, soe dat wy wel verstaen in desen dat God al ghemaect heeft tonsen behoef. POSITIEF.

Dat Scaecspel ed. 1912 (1403)

  • 38 (regels 18-29). Moraliserend prozatraktaat. Over de taak van de rechters: het recht gelijkt tegenwoordig een spinnenweb (coppelspin): de grote dieren (de machtigen) vliegen erdoor, de kleine dieren (muggen, vliegen = het gewone volk) worden erin gevangen. NEGATIEF.

Dat Kaetspel ed. 1915 (1431)

  • 75-76 (regels 34-35/1-9). Moraliserend traktaat. Rechters worden vergeleken met spinnen: zij vangen de kleinen, maar laten de groten lopen. NEGATIEF.

Den triumphe ende ’t palleersel van den vrouwen ed. 1996 (1514)

  • 353 (verzen 1-5). Moraliserende kledingallegorie. Waer es mi vrouwe die dolphinne, / die dochter van Scotland, gent en pompues, / van Vranckerijcke toecomende coninghinne? / Sonder sparen, niet meer dan een spinne, / heeft se die doot ghenomen met daden rigorues. Spin = de meedogenloze Dood.NEGATIEF.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 97 (refrein 180, verzen 24-25). Vroed rederijkersrefrein. Dieren als voorbeelden voor de mens: …aen tcoppe ghepyn [lees: ghespyn] heeft / tgherinckst gheuoilen… De spin heeft een sterk tastzintuig. POSITIEF.

Asotus evangelicus ed. 1988 (1537)

  • 154 (verzen 354-357). Neolatijns bijbeldrama. Spin (araneus) = vader die zich aftobt voor zijn kinderen. POSITIEF.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 53 (regels 9/14). Spreekwoordenverzameling. In allen vijff sinnen ouertreffen den menschen sommige Dyeren. (…) Een spinne is int geuoelen en(de) grijpen bouen den menschen. POSITIEF.

Die daet der tirannen ed. 1994 (XVIB)

  • 168v (vers 127). Rederijkersspel. Tirannij tot Veel Steden: Nae ons moet ghij Luijsteren soo cleijn als een spin. NEGATIEF?

 

7 Spinnenwebben: restmateriaal

 

Vierde Martijn ed. 1958 (1299)

  • 59 (verzen 89-95). Didactisch tweegesprek. Merten tot Jacob over ontrouw en valse beloften bij de adel: Hi dede alse een loes tyran / die ons dit valsche webbe span / daer trouwe mede es te clouen / ende edelheit moet douven. Spinnenweb // ontrouw, bedrog. NEGATIEF.

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 556 (nr. 146, verzen 25-30). Amoureus liedje tot ‘vrauw Ghenuecht’: zij moet Twijfel verdrijven, anders: Hets al ghestof van coppeghespinne / in vruechden zwinne [in de bron van de vreugde]. Spinrag = dofheid, verveling, droefheid. NEGATIEF.

Scheepsma ed. 1995 (1446?)

  • 232 (regels 54-66). Geestelijke prozatekst. Een spin die haar web uitspant // Alijt Bake die fungeert als mystieke middelares tussen God en haar zusters. Als het geen resultaat heeft, zal Alijt als een dode spin nutteloos aan haar eigen weg blijven hangen. POSITIEF.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 269 (fol. 144v, verzen 18-19). Rederijkerslyriek. De Dene over een spionerende buurvrouw: Zou wachte myn huus met allen nauwe / wiens tonghe ghenaecte gheen Copghespin. Tong zonder spinnenwebben = roddelende, nijdige tong. NEGATIEF.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 86 (fol. 198r, vers 25). Rederijkerslyriek. Een gedicht over wantoestanden: De wet es tzommeghen plaetsen als Copghespin. Wet die spinnenwebben laat groeien = wet die niets onderneemt, niet in actie komt. NEGATIEF.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 98 (fol. 371r, vers 9). Rederijkerslyriek. Over vastenavondvertier: Laet in tkeelgat groeyen gheen Copghespin. Keel zonder spinnenwebben = keel die niet rust, die steeds drinkt.

De groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 26v (verzen 628-629). Rederijkersspel. Schijn, scheldend tot Waerlick: ghij voertwijfelt van gelooff, die als die spinnen haer webben driven / comter een vliege Die moeter in bliven. Spinnen = hebzuchtige machthebbers. NEGATIEF.

 

[explicit 11 oktober 2013]