STAART

 

1 Staart = penis

[Lulofs 1972: 35-36. In Reinhart Fuchs verwijst de staart van Isengrym in het ijs naar de penis. Dit blijkt uit de klacht van zijn vrouw: ‘Hoe zal ik daarvan nu genezen?’ ‘Genezen’ betekende ook in het middeleeuwse Duits blijkbaar ‘klaarkomen’ (ibidem: 40).]

 altdorfer

Decamerone ed. 1989 (1349-53)

  • 173 (III, 1). Novellenverzameling. De hoofdpersoon doet zich voor als doofstomme tuinman in een klooster: In de mening dat hij het toch niet kon horen, riepen ze hem de schunnigste dingen toe, en de abdis – die misschien dacht dat hij naast zijn tong ook zijn staart kwijt was – bekommerde zich daar weinig of helemaal niet om.
  • 435 (VII, 1). Een pseudo-bezwering tegen een weerwolf (maar het gaat om de minnaar van een vrouwelijk personage): Weerwolf, weerwolf, onder de maan, / met stijve staart kwam je hier aan, / met stijve staart ga je hier vandaan.
  • 615-616 (IX, 10). Een priester maakt een man wijs dat hij diens vrouw in een merrie kan veranderen. Het moeilijkste onderdeel is het aanbrengen van de staart: Toen alleen nog de staart te maken bleef, schoof de bezweerder zijn hemd omhoog, nam de pootstok waarmee men mensen poot, stak hem fluks op de juiste plaats en sprak: ‘Dit weze een prachtige paardestaart.’

Esopus ed. 2016 (1485)

  • 82 (5de episode). Fabelverzameling. Xanthus heeft de slaaf Esopus gekocht voor zijn vrouw en noemt hem een ‘knappe man’. Eén van de dienstmeiden denkt met zo’n man te kunnen huwen. Ende als die dienstmaecht desen Esopus hadde ghesien, was sij gheheel vervaert van anxte ende seyde: ‘Syt ghij die suverlijcke pauwe, waer is dijnen schoonen steert?’ Ende Esopus antwoerde haer: ‘Hebdij eenen steert te doene, so weet dat ghij des gheen ghebreck hebben sult’.

Kirchbaum 1978 (1506)

  • 54-55 (afbeelding 23). Een kopergravure van Albrecht Altdorfer uit 1506: Allegorische figuur (München, Staatliche Graphische Sammlung). Krichbaum noemt de figuur ‘Prudentia’, mét vraagteken. De gewone attributen van Prudentia (Voorzichtigheid) zijn een slang of een draak, een dubbel gezicht en een spiegel [zie Timmers 1985: 151-152 (nr. 386)]. Draak en spiegel zijn aanwezig, maar het dubbel gelaat niet. Vergelijk ook Prudentia, een pentekening van Albrecht Dürer (Parijs, Louvre) [Hütt/Forberg 1975: 80, Winkler 141]: hier is naast de draak en de spiegel het dubbel gezicht wél duidelijk aanwezig. Stelt dus de gravure van Altdorfer wel een Prudentia voor? Is het niet eerder een Superbia? Dit vanwege de erotische ondertoon: zie het gewaagde decolleté, de linkerhand die naar de boezem tast en vooral: de staart van de draak die onmiskenbaar de vorm van een fallus heeft en gericht is op het kruis van de vrouwelijke figuur. Zie ook de afbeelding hierboven.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 28 (refrein 10, vers 43). Zot-amoureus rederijkersrefrein. De ‘ik’ is verliefd op de vrouwtjes: Tvier der minnen leijt mij inden starte. Of betekent ‘staart’ hier achterwerk?

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 203 (refrein 236, vers 48). Zot-erotisch rederijkersrefrein. De meisjes zijn tegenwoordig allemaal veel te heet: Ist lief of leet / sij willen den steert hebben. Hetzelfde in Arnold Bierses ed. 1925: 28 (nr. 6, vers 48).

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 235 (refrein 129, verzen 73-74). Zot-erotisch rederijkersrefrein, apologie van de seks. Mer wilt altoos besich ontrent den steert sijn: / tquaetste datter af comt sijn baruoete kinderen. Letterlijk: de afloop, het resultaat van seks is slechts baby’s, maar tegelijk dubbelzinnig: penis.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 73 (verzen 1685-1687). Rederijkersspel. Een sinneke over Ongodlick Gronderen, de vrouw van Selfs Goetduncken: Ongodlick gronderen gheen argher wijf vermaert, / ghesproten vuijten staert, die sij oeck hout te leene / van lucifer, noijt afgrijselijcker queene.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 215 (nr. 185, strofe 1, vers 5). Zot liedje. Vrouw klaagt over libido van haar man: Ick cruype so nauwe onder den steert.

Mars en Venus ed. 1991 (1551?)

  • 234 (verzen 45-46). Rederijkersspel. Juno over onbetrouwbare mannen: Want altijt sleepen sij hören steert, / hem selven vernieuwende met andere vruchten.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 52 (f. 344r, verzen 1-2). Zot rederijkersrefrein, lofdicht op de wijn. Wijn moet niet gedronken worden door jonge mannen (melck ghesellekens) of zy wierden te nisch naer Venus cellekens / in hueren steert.

De groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 23v (vers 391). Rederijkersspel. De secretaris van de hel maant de duivels aan om alle zondaars te straffen: Diet niet onderhout beneemt hem hooft en staert. Hoofd en staart letterlijk, maar ook dubbelzinnig? Staart = penis, hoofd = glans penis?

De Preecker ed. 1938 (XVIB)

  • 15 (verzen 232-233). Rederijkersklucht. De waard, dreigend tot een zogenaamd bezeten varken (in werkelijkheid een dominicaan met wie zijn vrouw overspel heeft gepleegd): Compt, hoerensoon, ick sal u mercken, / en ick sal corten uwen staert.

Coster Johannus ed. 1997 (XVIB)

  • 128r (vers 461). Rederijkersklucht. De koster, die overspel heeft gepleegd met de vrouw van de hoofdpersoon, wordt door deze laatste als een hond gevangen gezet in een groot hok. De zoon van de hoofdpersoon zegt: Vaertgen hij is verkeert… En de vader reageert: Sijn staert staet vooren.

Wauter Dicksteert ed. 1980/81 (1631)

  • 122 (verzen 51-52). Tafelspel. Beerte, een weduwe die door de hoofdpersoon het hof gemaakt wordt, stelt zich voor: Ick heete Beerte, die wel can spelen metten steerte, / quaemt zoo te passe. De hoofdpersoon, een potente trouwlustige boer, heet overigens ‘Wauter Dicksteert’.

 

2 Staart = achterwerk

 

Ysengrimus ed. 1987 (circa 1150)

  • 334 (boek III, vers 659). Latijns dierenepos. Reynardus spreekt over een voorouder van Ysengrimus, de ram: Die had wél een staart, vermits het een Engelsman was. Voetnoot: in de Middeleeuwen werd van Engelsen spottend gezegd dat ze staarten hadden. ‘Caudatus’ had de connotatie ‘laf, hij die wegvlucht van de vijand en zijn “staart” laat zien’.

Rijmbijbel II ed. 1859 (1271)

  • 203 (hoofdstuk 329, verzen17.306-17.312, Daniel). In een veldslag slaan de Perzische soldaten van Cyrus op de vlucht: Doe quamen jeghen hem die wijf / ende lieten haren naecten sterd sien / ende riepen: ‘Waer wildi vlien? / Wildi in uwer moeder lechamen?’ / Doe begonden hem die man scamen / ende keerden omme, al dor des. / Daer ward verwonnen Astiages. De Latijnse bron (Historia Scholastica) heeft hier detectis posterioribus suis (met hun achterwerken ontbloot). Men vergelijke deze passage met dezelfde passage in De Noordnederlandse historiebijbel ed. 1998: 706 (Daniel 9, 35-38) [1458]: Doe dat die wiven sagen uut dier steden, die liepen si hem jegen ende namen hoer cleder op ende toechden haer naecte lijf ende riepen: ‘Waer wil gi wesen? Wil gi weder in uwer moeder lichaem?’ Doe keerden hem die van Persen omme van scaemten ende vochten cloeclic ende verwonnen die van Meden.

Rijmbijbel III ed. 1859 (1271)

  • 9 (Die Wrake van Jherusalem, hoofdstuk 3, 27.270-27.273). Een Romeins ridder toont de Joden zijn naakte achterwerk: .J. roomsch riddre quam daer ter steden / die hare feeste hadde onwaerd / ende toochdem sinen naecten staerd: / dies worden die Joeden gram.

The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 111 (Fragment III, Group D, verzen 464-468, in het bijzonder vers 466). The Wife of Bath’s Prologue. Vrouwen die wijn gedronken hebben, worden geil: A likerous mouth moste han a likerous tayl (een wellustige mond leidt tot een wellustige staart). Staart = letterlijk: afloop, resultaat, maar tegelijk = dubbelzinnig: achterwerk als pars pro toto voor kruis.

De Vooys 1926 (XV)

  • 214. Het verhaal van een jood die een Mariabeeld beledigt: Doe ghenck die boese yode ende dede sin nedercleet af ende liet dat belde inden stert sien.

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 151 (vers 4262). Rederijkersspel. Sinneke over de veronderstelde geilheid van Katherina: Haer achter steertken dat crunckelt so seere.
  • 162 (vers 4613). Idem: Haer achter steertken / is quick ende wackere.
  • 165 (vers 4699). Idem: Sy can wel spelen met den steerte. Of wordt hier ‘penis’ bedoeld?

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 112 (refrein 58, vers 33). Zot rederijkersrefrein. Geile clarissen zeggen: Ontbint ons eel paus of wy vercreuelsterten. Verkrevelstaarten = erotische kriebels voelen in het achterwerk.

Vanden Jongen geheeten Jacke ed. 1905 (1528)

  • 13 / 31. Een volksboek. Over de betoverde stiefmoeder van Jack die steeds winden moet laten: Telcken alse op hief haren start / so lietse vliegen eenen grooten vart. In een latere druk (eind zestiende eeuw): Telcken alsse op hief haren steert / so lietse varen een groten veert.

dWerk der apostolen cap. 3, 4 en 5 ed. 1903 (XVIA)

  • 338 (verzen 18-19). Rederijkersspel. Sergiant haalt de gevangen apostelen: Nv haeltse hier buyten, hoe stady en ghebaert, / men salse den staert noch morghen vernistelen.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 75 (vers 1377). Rederijkersspel. Scriftuerlick in een vermanend refrein: Keert (…) dijdelheijt den staert.

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 636 (vers 568). Rederijkersspel. Werlt tot tVleesch (een hoer): Uwe knipstertinghe maect elcken beroyt. Erotische toespeling.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 211 (verzen 1630-1631). Rederijkersspel. Een sinneke over Dido naar aanleiding van Eneas’ vertrek: Ja, sij sal u alte haest ûp uwen steert sijn / en dûen alle dleedt dat sij can versieren! Equivalent van de nog gangbare Antwerpse volkse uitdrukking ‘iemand achter zijn gat lopen’.

Jan Goemoete ed. 1946 (vóór 1559)

  • 23 (vers 484). Rederijkersklucht. Bate en Vrou Ghijbe willen Jan achternazitten om hem slaag te geven: Vrou ghijbe, gaen wij hem aen up zijnen steert.

De groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 31v (verzen 1066-1067). Rederijkersspel. De procureur van de hel over Waerlick: Dis sal Die hel sijn eewijge val sijn / ende onder Lucifers staert sal sijn sijn kerck hoff.

Geert en Maes ed. 1982 (XVI)

  • 11 (vers 11). Rederijkersklucht. Geert zegt over zijn bazige vrouw: Dwijff volcht mij altijt op mijne staert. Equivalent van de nog gangbare Antwerpse volkse uitdrukking ‘iemand achter zijn gat lopen’.

Die propheet Jonas ed. 1993 (XVIB)

  • 61v (vers 1382). Rederijkersspel. Het ene neefgen tot het andere: Daersom so sult ghij noch raecken onder Luijcefart start.

Het lichamelijcke huis ed. 1994 (XVIB)

  • 27r (vers 536). Rederijkersspel. Sondege Gheest in verband met de doodzonden: Op dat sij al die onder Lucifers staert sijn geseeten

Die Huisvader ende Huismoeder ed. 1994 (XVIB)

  • 40v (vers 735). Rederijkersspel. Donwillige zegt: Op dat sijn curen al onder Lucifers staert… (de zin wordt afgebroken, want de spreker ziet iets).

Leander ende Hero ed. 2002 (1621)

  • 96 (Spel 1, verzen 243-244). Rederijkersspel. Sinneke zegt: Wel laet ons dan gaen stoken ‘tvyer van minnen, / en de Vrijers doen rinnen naer haren steert.
  • 141 (Spel 2, vers 360). Een sinneke over Hero: De Quackel is immers onder haren steert zeer heet.

 

3 Staart = lange sleep van vrouwen // vrouwelijke ijdelheid

 

Jans Teesteye ed. 1869 (vóór 1334)

  • 228 (verzen 2694-2695). Moraliserend dialooggedicht. Naar aanleiding van ijdele vrouwen met lange slepen: Ende enen sleyp na haren ganc / oft waer een steert, .ij. ellen lanc.
  • 278 (verzen 66-67). Het gedicht ‘Noch meer vanden wiven’: Si sleypen na hem haer lange steerte / ghelijc serpenten, .ij. ellen lanc.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 298 (verzen 85-88). Rederijkersballade (‘Vander mollenfeeste’). Ook vrouwen en jonkvrouwen zijn uitgenodigd (en moeten dus sterven): Langhe sleypsteerten ofte bonte mouwen / noch tuyten en doruen sy hebben twint / De mollen die daer haer feeste houwen / sy en soudent niet sien, sy sijn al blindt.
  • 397 (vers 35). Amoureus rederijkersrefrein. Over verwaande minnaars die denken dat ze een meisje kunnen krijgen, maar dat is niet zo: Sulck seer hoouaerdich zijnen steert wt spreet. Hier gaat het dus om de sleep van mannen!

Spel van de V vroede ende van de V dwaeze Maegden ed. 1979 (XVIa?)

  • 121 (verzen 305-307). Mysteriespel. Hoverdie (één van de dwaze maagden) spreekt: Maer en comt mij emmers niet te bij, / op dat mijnen steert zijnen cours hebbe vrij, / en dat ic mach gaen te mijnen ghemake.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 66 (boek I, refrein 17, strofe g, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Over lutherse vrouwen en jongemannen: Al sijnt joncfrouwen met steerten oft cadetten, / gaetter niet me omme, tsijn sviants netten.

De Dryakelprouver ed. 1920 (1528)

  • 205 (verzen 250-251). Rederijkersklucht. Knecht ziet een vrouw: Jc zye ghunder een vrauken met eender tubbe. / Hueren steert es langgher dan eeneghe strubbe (= boomstronk).

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 188 (refrein 50, strofe b, verzen 17-18). Vroed rederijkersrefrein. De wellustig levende rijken hebben boelkens die gaan als Venus camerieren Met langen steertten. Hetzelfde in De Bruyne I ed. 1879: 40 (refrein 10, strofe c, verzen 17-18).

De Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 116 (vers 496). Rederijkersspel. Sinneke tot Wellustige Mensch: Wij sullen uwen steert op heffen. Hier betreft het de sleep (de slippen) van een man.
  • 119 (vers 556). Sinneke over de weelderig geklede hoer Eergiericheijt die net als een pauwin is beschreven: Sij sou wel die (…) vagen met haeren steerte.
  • 121 (vers 613). Luxurie, een hoer, zegt: Overdaet, heft mijnen steert after op.
  • 122 (vers 619). Overdaet zegt: Dus dien ick Luxurije metten steerte.
  • 134 (vers 876). Hoerenwaardin vleiend tot Wellustige Mensch: Niemant so cloeck die in uwen stert derff bijten.

Der Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • C4r (hoofdstuk 106). Moraliserend traktaat. Er wordt kritiek gegeven op personen die met vastenavond of bij andere gelegenheden vermomd naar de kerk gaan. Zijdelings wordt uitgehaald naar de pronkzucht van mannen en vrouwen: En(de) gemeynlic sietme(n) nv die vrouwe(n) met hoorne(n) en(de) steerte(n) en(de) de mans met vier arme(n) en(de) paerts voete(n) ter kercke(n) come(n).

De Rijckeman ed. 1941 (1550)

  • 192 (vers 512). Rederijkersspel. Het sinneke Lands Zede over Broederlijke Liefde: Het doodlijk nopen is haar op die steerte [zit haar op de hielen].

Een Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983 (1554)

  • 177 (nr. 182, regels 1-8). Een klucht- of anekdotenboek. Een ridder wil een paard kopen van een burger omdat het zo’n schone staart heeft. De burger snijdt de staart af, waarna de ridder het paard niet meer wil. Dit souden die ouders oock haren dochteren doen die ten danse gaen willen.

Meestal verjaecht Neering ed. 1941 (circa 1564)

  • 84 (verzen 223-224). Rederijkersspel. Een sinneke over de ijdelheid van jonge en oude burgervrouwen toen er nog welvaart was: Dan most er een tabbaard wezen met een lange staart / van een ellen of twee met wije mouwen.

 

4 Staart = de afloop, het einde van iets (vaak met verwijzing naar schorpioenenstaart)

[Druce 1919: 37. In het bestiarium van Philippe de Thaun (12de eeuw): staart van draak = het einde, de duivel zal op het einde hem vernietigen die eindigt in zonde.]

 

Die Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 79-80 (Deel III: Gierichede, hoofdstukken 85-86, verzen 6209-6282). Zondenspiegel. Staart = het levenseinde, de dood die men nooit uit het oog mag verliezen: Dus die niet dencken wil om sterven, / sal levende hem selven verderven; / die stert sal en daer neder slaen, / als hi sekerst sal wanen staen, / ende sijn goed sal hem helpen dan, / also et halp den riken man. / Dus is dat dencken om die doot / theghen vracheit remedie groot [verzen 6275-6282].
  • 127 (Deel IV: Traechede, hoofdstuk 58, verzen 9982-9986). Hier up sinte Lucas dus sprect: / onbequeme elc dier levet, / dat ne ghenen stert en hevet, / also die ape, die welke sassame [= walgelijk, afzichtelijk] / is int schouwen ende onbequame. Context: uit luiheid dingen onafgewerkt laten, met verwijzing naar de aap die geen staart heeft.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 39-40 (nr. XVIII). Leerdicht over een hond die zijn staart verliest als hij de keuken binnendringt. Moraal: wie met hoge heren aan het hof wil verkeren, daar loopt het vaak slecht mee af.
  • 91 (nr. LXIV, verzen 122-141). Leerdicht over een hond die in de keuken zijn staart verbrandt. Wordt stichtelijk geduid: met de zondaar loopt het slecht af.

Die Spiegel der Sonden ed. 1901 (1434-36)

  • 125 (Deel III: Gierichede, hoofdstuk Co, regels 18-20). Zondenspiegel. Naar aanleiding van de hebzucht: Woude die minsche die stert, dat is die doet, aen sien die hi ommer liden moet, hij sal drie ydel arbeide vijnden.

Van den drie Blinde Danssen ed. 1955 (1482)

  • 53. Allegorisch-moraliserend droomvisioen. Acteur vermaant de dansers (die te veel aan de tijdelijke ijdelheden denken): Nu luttel vermoet / op den langhen start.

Indestege ed. 1951 (XVd)

  • 26 (nr. III, verzen 283-288). Geestelijk gedicht. En beghint oec ghene daet / ghi en merket eynde eer ghijs bestaet, / want aen deynde leet al die macht, / al eest beghinsel scoen gheacht, / hevet deynde enen leliken stert, / soe eest beghin gheens prisen weert.

Maria Hoedeken ed. 1920 (1509)

  • 21 (vers 493). Rederijkersspel. Goet Gheselscip zegt tegen Duechdelic Onderwysen dat hij niet weet hoe hij zijn zondig gedrag moet beteren: Maer lachen jc en weet hooft, middel of steert om een beghinnen.

Een sAnders Welvaren ed. 1920 (1511)

  • 65 (vers 413). Rederijkersspel. Een sAnders Welvaren tot Meest Elc: Maer vreest den steert, tsal hu noch gruwen.

tGhevecht van Minnen ed. 1964 (1516)

  • 74 (verzen 864-872). Berijmde ars amandi. Remedie tegen de ‘mutse’ (zotte verliefdheid). Men moet voor de ‘mutse’ oppassen als voor een schorpioen: eerst is het prettig, dan onaangenaam, en het eindigt in de hel: Met sinen sterte soudt u seer steken.

De uure vander doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 101 (verzen 725-726). Strofisch rederijkersgedicht. De ‘ik’ over de Wereld die de ezels bovenop het rad (van fortuin) zet en de goeden vanonder: En ten inde sleyptu dus uwen steert / en branct, edel onedel aen eenen troch.

De appelboom ed. 1979 (XVIa)

  • 62 (verzen 386-387). Een allegorische rederijkersklucht. Ongereet Leven (een jongeling) declameert mee de moraal van het stuk: Al schijnt somtijts int beginsel schoon, / het strijckt wel naemaels sijnen staert.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 22 (refrein 6, strofe c, verzen 15-18). Vroed rederijkersrefrein. Profijt zonder eer is een venijnig serpent, men moet er dus voor oppassen: Peysende om den steert, daer tvenijn omtrent es. Hetzelfde in De Bruyne II ed. 1880: 105 (refrein 67, strofe c, vers 17).

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 138 (boek II, refrein 10, strofe h, vers 13). Vroed rederijkersrefrein. In verband met de lutheranen: Wij sien tbegin, elck wacht hem van de steerte.

Seer schoone spreeckwoorden ed. 1962 (1549)

  • 13 (nr. 211). Spreekwoordenverzameling. En la queue gist le venin / Inden steert leyt dat venijn.

dWerck der apostolen cap. 3, 4 en 5 ed. 1903 (XVIA)

  • 336 (verzen 13-14). Rederijkersspel. Valsch Propheet over het ‘inspireren’ van de farizeeërs: Wy sullen ons geleerde met sulcken brandt ontsteken / en bysonder den steert bedwinghen.

Vreese des Heeren en Wijsheijt ed. 1968 (circa 1550)

  • 392 (verzen 737-738). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: Groote hoopen / argenen [= boosheden] met steerten wy noch versieren snel.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 232 (verzen 2228-2229). Rederijkersspel. Een sinneke moraliseert op het einde over de kwalijke gevolgen van de liefde: Maer wachermen! de steert / vol dolören en fenijns grûijende is.

De Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 181 (strofe 3, verzen 14-15). Amoureus rederijkersrefrein. Van ooit, dbeghinsele, tot in den steert, / hebbic u in weerden ghehad.
  • 193 (strofe A1, vers 16). Vroed rederijkersrefrein, dialoog over de vrouw (nu eens goede dingen, dan weer slechte). Inden steert leid tvenijn zy zyn vul ontrauwen.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 244 (boek III, refrein 6, strofe e, vers 5). Vroed rederijkersrefrein. Al geeft de werelt eere, den steert is ghefenijnt.

De Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 160 (verzen 38-42). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: veel mensen gaan onvoorzichtig te werk, zodat ze in de problemen komen als die zot inden steert heeft.

Die Trauwe ed. 1899 (vóór 1595)

  • 177 (verzen 1088-1089). Rederijkersspel. Allen Ambachten over de wijnhuizen: Seven stertten sy op een vat laeten rinnen, / die sy voer een versch vat ontginnen. Volgens Kiliaan: staart = overblijfsel, rest van een wijnvat. De waarden kappen dus de resten van zeven wijnvaten bijeen en hebben zo een ‘nieuw’ vat om uit te tappen. Vergelijk ook het glossarium sub ‘steert’ (p. 243).

Weydts ed. 1969 (XVId)

  • 8 (nr. 2 [Vermaen], regels 1-3). Hyernaer volcht een cort vermaen van den valschen zyn van de Luterjaenen. Zy commen eerst an met schoene spraeke maer in de sterdt lycht huerlyeder fenynck.

Jan Fijnart ed. 1998 (XVI)

  • 6v (vers 370). Rederijkersklucht. Jan zegt: Men segt tfenijn ligt inden steert meest.

Krimpert Oom ed. 1932 (XVI)

  • 60 (vers 292). Rederijkersklucht. Een knecht zegt: Tfenijn leijt altoos bedeckt in den staert.

De Minckijsers ed. 1992 (XVIB)

  • 115r (vers 936). Rederijkersspel. Sodt zegt vermanend over de ketters: Maer inden staert wertmen gewaer tbedriegen.

Meester Hoon en Lippen Slechthooft ed. 1932 (XVIIa)

  • 112 (vers 413). Rederijkersklucht. Lippen zegt: Ons katte krijcgt nu eenen schoonen staert. Bedoeld wordt: de zaak loopt goed af.

 

5 Staart // achterbaksheid // schorpioenenstaart

 

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 11 (refrein 2, verzen 21-22). Amoureus rederijkersrefrein. Mer een vileyn die tfenijn heeft inden steert / pijnt reyne amoreuse te beschamene.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 5-6 (refrein 2, strofe b, verzen 13-14). Vroed rederijkersrefrein, gericht tegen ‘clapaerts’. Dus veyst u, moettij met clapaerts verselt zijn, / oft certeyn zij zelen haer steertken steken.
  • 235 (refrein 62, strofe d, verzen 6-7). Amoureus rederijkersrefrein, klacht van man over ontrouwe gelifde: Zij thoonde mij liefte in deerste begin; / zij steeckt metten steerte gelijck den serpente.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 59 (nr. 52, strofe 4, verzen 5-6). Politiek getint lied. Over kwade tongen: Si hebben so menigherhande gedachte / eer si strijcken haren staert.

De menschwordinge Christi ed. 1992 (XVIB)

  • 29v (verzen 1484-1485). Rederijkersspel. Simpel Trouwe zegt over de valse profeten (ketters): Nu ickt overdencke ick mocht oock wel peijsen / dat niet dan fenijn sou baeren haeren steert.

Paulus ende Barnabas ed. 1992 (XVIB)

  • 60v (vers 1064). Rederijkersspel. Paulus over de ketters: Want sij Laeten blijcken en uuijtkijcken haer fenijnige sterten.

Het lichamelijcke huis ed. 1994 (XVIB)

  • 22v (vers 137). Rederijkersspel. Sondege Gheest zegt over zichzelf: Ick soet int aencoomen steeke naderhant metten steerte.

 

6 Staart = gevolg, personen die iemand volgen, entourage

 

Gulden Vlies ed. 1946 (1516)

  • 17 (verzen 317-318). Strofisch rederijkersgedicht. Noyt en sachmen so langhen steert / van edel mans die na hem quamen.

De Bruyne I ed. 1979 (1579-83)

  • 57 (refrein 13, strofe d, vers 10). Vroed rederijkersrefrein (Anna Bijns). Aansporing tot de vrouwen om niet te trouwen: Te gane sonder steert, dats een groot jolyt. Bedoeld wordt: zonder man en kinderen.

 

7 Staart: restmateriaal

 

Die Heimlijcheden van mannen ende van vrouwen ed. 1893 (1351)

  • 179 (verzen 1983-1985). Artesttekst. Over een zalfje tegen schaamluizen: Ende oec es goet ende fijn / ten roden ogen, die se daermet / an den steert bestrijct, dat wet. ‘Staart’ kon ook betekenen: de hoek van het oog [vergelijk MNHW 1981: 577a (sub ‘stert’ 6)].

Des Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 299 (par. 145). Catechetisch traktaat. Over (de derde soort) vleiers: Die derde manyer is, dat dese flacteerres oec die sonden onsculdighen ende bedecken willen der gheenre, daer si mede flacteren of smeken willen, ende daer om sijn dese lude gheheten sterten inder heiligher scriften, want si bedecken die onreynicheit der sonden der moghender luden of der riker luden om enighe tijtlike ghenoot of baet, diese daer of wanen cryghen; daer om sijn si recht den starten ghelijct, want die start henct alle tijt ende decket dat alre onreynste dat aenden beesten is. Zoals een staart het vieze achterwerk bedekt, zo bedekken de vleiers de zonden.

Piramus ende Thisbe ed. 1965 (circa 1500)

  • 129 (verzen 130-131). Rederijkersspel. Een sinneke over Damoreuse: Waeij! dien bloet / heeft der minnen gloet bij den steerte. Iets bij de staart hebben = iets vasthebben.

Bernhard 1978 (1515)

  • 175. Een pentekening van Hans Baldung Grien uit 1515 (Karlsruhe, Staatliche Kunsthalle) [Koch 65]: Heksenscène. Een naakte heks (?) duwt een soort lange maïsstengel in de staart van een draak. De staart eindigt in een vaginavorm. De maïsstengel komt weer naar buiten via de muil van de draak en penetreert dan de vagina van de naakte vrouw.

Mars en Venus ed. 1991 (1551?)

  • 246 (verzen 212-213). Rederijkersspel. Een sinneke zegt dat Venus geknipoogd heeft naar Mars: Een oogskens met eenen steerte / heeft sij hem vriendelijck nae ghesonden. Een oogje met een staart = een verleidelijk knipoogje, een wellustige blik met gevolgen (?).

De Dolende Mensche ende de Gratie Gods ed. 1893 (circa 1600)

  • 19 (vers 257). Rederijkersspel. De sinnekes zien de zwaarbewapende Mensche aankomen: Hij maect den cromsteert, met allen grouwelijck. Volgens MNHW is een kromstaart een munt, genoemd naar een leeuw met naar binnen krullende staart. Dus hier: Mensche gedraagt zich als een leeuw: hij maakt indruk, boezemt schrik in.

 

[explicit 24 augustus 2016]