STEKEN (toernooi, speer, lans, schild)

 

1 Steken = coire

[Vergelijk over deze topos in rederijkersrefreinen Coigneau II 1982: 285 (noten 88 / 90).]

Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 240 (vers 14.244). Allegorisch rijmtraktaat. De ik-figuur ontmaagt de ‘roos’: Ende stact met sinen stiven bordone [staf].

Middelnederlandse boerden ed. 1957 (circa 1405-08)

  • 36 (nr. VI, verzen 27-28). De boerde ‘Van eenre baghinen ene goede boerde’. Ende als si te besten laghen int werc / Vreselijc si steken ende slaen.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 399 (vers 9). Zot-erotisch rederijkersrefrein dat de coïtus vergelijkt met het tappen van wijn uit een vat: Hy stacxse, doen sprackse, v boor is fijn.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 68 (refrein 34, vers 34). Zot-erotisch rederijkersrefrein dat de coïtus beschrijft in beugelspeltermen: int eerst viel ic cranck int besteken.
  • 99 (refrein 52, vers 27). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht: Al sie ic steken breken ende tornieren.
  • 158 (refrein 82, verzen 23 / 25). Zot-erotisch rederijkersrefrein dat de coïtus beschrijft in scheepvaarttermen: steect tscip inden wint, en laet den spriet lopen / (…) Langt bomen, en riemen, roijt, steect, sterc en fel.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 152 (refrein 207, vers 40). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Hy hoorde wederom steken en horten.
  • 214-215 (refrein 243). Dit zot-erotisch refrein op de stok ‘steeckt van verre ic heb luttel an’ beschrijft de coïtus in steekspeltermen. Vergelijk over dit refrein Coigneau II 1982: 282. Het refrein bevat naast het ‘steken met een speer’ nog de volgende erotische metaforen: schild = vagina, helm = fallus, harnas = mannelijke genitalia, wimpel = fallus, kasteel = vagina, achterpoort = kont, deur van een prieel = vagina. Hieronder volgt de volledige tekst met hertaling.
  • 214 (refrein 243, verzen 1-13). Een vrouken dat ghern ghenuecht orboort [Een vrouwtje dat graag plezier maakt] / heeft op gehanghen een prijs om tsteken [heeft een steekspelwedstrijd uitgeschreven.] / Een ionghelinck cloick heeft dat gehoort [Een dappere jongeling heeft dat gehoord] / hij wou een speerken teghen haer breken [hij wou een speertje tegen haar breken (= tegen haar speervechten in een tornooi).] / Hy boot haer die hanschoe dat wou sij wreken [Hij daagde haar uit, en zij ging daar op in] / sy was hem ter stont bereet tontfane [zij was onmiddellijk bereid hem partij te bieden.] / Mer van te voren wou hij bespreken [Maar eerst wou hij met haar onderhandelen] / dat sij hem soude leueren scildt ende bane [zij moest hem een schild en een banier geven.] / Ick meender seijdhij mijn helm aen te slaene [Ik wil, zei hij, mijn helm inzetten] / want ghy moet weten wat ick can [want gij moet weten waartoe ik in staat ben.] / Hy meende rechteuoort tusscen die knien te gane [Hij wilde meteen tussen de knieën gaan (steken).] / Doen spracse tis al anders te verstane [Toen sprak zij: het moet op een heel andere manier gebeuren:] / steect van verre ic heb luttel an [steek van ver, ik heb weinig aan.]
  • 214-215 (refrein 243, verzen 14-26). Die ionghelinck was opt steken rasch [De jongeling verlangde hevig naar het steken] / want hij was cloick ende wel ghemoet [want hij was dapper en vrolijk gezind.] / Ick hangher seijdhij mijn geheel harnasch [Ik zet, zei hij, ook heel mijn harnas in] / steeck ic niet doet den scilt int roet [als ik niet door het schild in het rood (?) steek.] / Mijn speer is dick ende wel gheuoet [Mijn speer is dik en goedgeschapen] / noyt man en verlanghede meer om campen [nooit had een man een beter geschikte voor de strijd.] / Voren ront al waert een cloit [Vooraan is zij (de speer) rond als een bal] / en achter hanghender aen twe clampen [en vanachter hanger er twee klampen aan.] / Soudict verliesen twaer veel rampen [Zou ik ze (de speer) verliezen, dat ware een grote ramp,] / noijt man soe cloeckelick strijt en verwan [nooit begon een man zo dapper aan de strijd.] / My leekens syn ghesont voer coortsen voer crampen [Mijn lijf heeft geen last van koorts of krampen.] / Doen sprac tvrouken men begint hier te scampen [Toen zei het vrouwtje: men begint hier te schertsen,] / Steeckt van verre ick heb luttel an [steek van ver, ik heb weinig aan.]
  • 215 (refrein 243, verzen 27-39). Om steken had hij een goet ghestel [Voor het steken was hij goed voorzien,] / des had sij in haer hertgen groot riueel [daarom was er in haar hartje grote feestvreugde.] / Hij woude rechteuoort mitten speer int vel [Hij wou meteen met de speer het (strijd)veld betreden,] / sijn winpel hinc hij voer haer casteel [zijn wimpel hing hij voor haar kasteel.] / Voordie achterpoort geeftmen tijneel [Voor de achterpoort wordt er een receptie gehouden,] / daer menich ruyter ter poorten wt spranck [daar waar menig ruiter al kwam doorgereden.] / Ende voer die doere van een prieel [En voor de ingang van een prieel] / daer scermtmen nae den vrouwen danck [daar schermt men om de vrouwen te behagen.] / Daer was ghemaect een schoon behanck [Daar was een mooi voorhangsel gemaakt] / van leufens, het sach menich man [van luifels, vele mannen hebben dat gezien.] / Tot haer maeckte hij sijnen ganck [Op haar ging hij af,] / Mer altijt was der vrouwen sanck [Maar steeds zong zij hetzelfde liedje:] / steeckt van verre ick heb luttel an [steek van ver, ik heb weinig aan.]
  • 215 (refrein 243, verzen 40-48). Prinche [Prins,] / En trouwen this goet te weeten [voorwaar, het is goed om weten] / diet tspel verliest datment hem verwijt [dat wie het spel verliest, verwijten krijgt.] / Niemant en pijn hem te hooch te vermeten [Laat niemand te hoog willen grijpen:] / der vrouwen streken houwen strijt [vrouwenstreken zorgen voor problemen.] / Der vrouwen scildt niet lichtelic en splijt [Het vrouwenschild splijt niet gemakkelijk,] / hy is beter in te steken dan een wan [het is beter om daarin te steken dan in een mand.] / Om steken was des knapen appetijt [In het steken had de knaap wel zin,] / Altijt tvrouken sonder respijt [en altijd weer het vrouwtje, zonder ophouden:] / steect van verre ick heb luttel an [steek van ver, ik heb weinig aan.]

Dryakelprouuer ed. 1920 (1528)

  • 201 (verzen 94-98). Rederijkersspel. Een kwakzalver over een afrodisiacum: Jck weet noch een recepte om te helpene / Mannen zynde van ghebreke hout / Wiens dync ghemeenelic voor steke vout / Ende ghepartuert zyn met jonghe wyfuen. / Comme vry tot my om een verstyfuen.

Jongen geheeten Jacke ed. 1905 (1528)

  • 15 / 33. Volksboek. Ende ooc van schoon vrouwen die binnen der weken / Int doncker waren ghevelt ghesteecken.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 237 (refrein 131, verzen 12-13). Zot rederijkersrefrein. Ke al haddi den draeck op de knien sien steken, / Tsijn al maechden tot dat den buyck op gaet.
  • 238 (refrein 131, vers 35). Zot rederijkersrefrein. Si was lieuer te steecspele dan inde kercke.
  • 255 (refrein 144, verzen 3-4). Zot-erotisch rederijkersrefrein dat de coïtus beschrijft in schaatstermen: Mannen en vrouwen diuersch genaemt / Die onderlinge steken om een prijseken.
  • 258 (refrein 145, verzen 42-43). Zot rederijkersrefrein. Wiltse vechten, spaert uwen knijf niet, / Swijcht, steect en stommelt met uwer pinnen.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 71 (vers 1636). Rederijkersspel. Een sinneke zegt in een erotische context (de verleiding van Vprecht Simpel Gheloven, een vrouwelijk allegorisch personage): Ende doent tottet insteken quam, ghinct schijfelen spijtich.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 206 (nr. 178, strofe 3, vers 3). Zot-erotisch liedje over een molenaar en zijn vrouw: Steect een steecxken diepere.
  • 207 (nr. 178, strofe 5, vers 6). Idem: Ia, ia, steect een luttelken diepers.
  • 207 (nr. 179, strofe 2, vers 3). Zot-erotisch liedje over een vrouw en een kleermaker. De vrouw zegt: Den lesten dye my stack.
  • 236 (nr. 201, strofe 4, verzen 4-5). Liedje ‘Vanden Landtman’. Veldhoertjes beschadigen de korenvelden van de boer: Als si ligghen in haer spel / Si stommelen ende si steken.

Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • c3r (hoofdstuk 5). Moraliserend traktaat. Een ‘oude sot’ zegt: Vrouwen hantieren als wijlen eer / steken ende breken en mach ic niet meer.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 164 (Boek II, refrein 18, strofe i, vers 11). Vroed rederijkersrefrein. Luther moest met alle geweld ook een vrouw hebben: Siet ghij niet, hoe hij steect sijnen stanckere.

Joncheyt ende Redene ed. 1920 (XVIA)

  • 479 (vers 72). Rederijkersspel. In een opsomming van handelingen die te maken hebben met ijdel genot: Steken, brekin, scermen, tornyeren.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 96 (fol. 205r, vers 29). Rederijkerslyriek. In de gevangenis kan men niet steken binnen venus baelien.
  • 259 (fol. 299v, vers 14). Dies zoudhy er gheerne zyn holetken in steken.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 105 (nr. 113, strofe 1, verzen 1-4). Vroed rederijkersrefrein. Och! menschen, hoe moechdy dus glorieren / in steken, tornooyen & mommeryen, / costelycke bancketten, om triompheren / met Venus dierkens in diversche partyen?

Vier Wterste II ed. 1965 (1583)

  • 45 (strofe 90, vers 1163). Stichtelijk rijmtraktaat. Context = wellust. Steken, breken, tornoyen, en triumpheren.
  • 311 (strofe 622, vers 8080). De dichter vermaant de hovelingen om hun wellust: V steken, v breken, en v houeren.

Preecker ed. 1938 (XVIB)

  • 6 (vers 94). Rederijkersklucht. Een waardin zegt dubbelzinnig tot een varken dat zij gekregen heeft van een preekheer met wie zij seks heeft gehad: En steeckt doch voort u bolletgen. Bolletje = (dubbelzinnig) kop / glans penis.

Christum liefde bewijsen ed. 1993 (XVIB)

  • 73v (vers 1088). Rederijkersspel. Een neefke verleidt Den Aertschen Mensch met de aardse ijdelheden: Jae steecken en breecken en tornoijen om prijs (erotische context).

Aert van Idelheijt ed. 1998 (XVIB)

  • 184r (verzen 334-336). Rederijkersspel. Aert van Idelheijt zegt: Ghij prijst al naect te ternoijen, en te steeken / als man en wijff onder deeken, in een camere / met beslooten Deuren.

 

2 Toernooi (steekspel) // coire

[Vergelijk over de dubbelzinnige metaforiek en de cultuurhistorische context van het steekspel in de Middeleeuwen, Pleij 183a: 48-50 / 115-116.]

 

Middelnederlandse boerden ed. 1957 (circa 1405-08)

  • 36 (nr. VI, verzen 30-32). De boerde ‘Van eenre baghinen ene goede boerde’. Een begijn en een jongeling hebben seks: Si werde haer vromelijc weder / Ende eer die joeste [steekspel] was voldaen, / Soe vielen si beide te gader neder.

Evangelien vanden spinrocke ed. 1910 (circa 1520)

  • Volksboek. Als een vrou met kinde haer kint meer draghet in die rechtse side en(de) dat si gaerne venisoen etet en(de) gevolget [gevogelte] en(de) datsi gaerne hoert spreke(n) va(n) ternoien en(de) steecspelen weet voerwaer dat si eene sone draget. Onduidelijk dubbelzinnig.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 134 (refrein 70, verzen 30/33-35). Zot rederijkersrefrein. De ‘hazen’ verkrachten de ‘bloemen’: Enen prinche hadden sy een capiteyn / (…) Doe [lees: die] ouerluyt stelde sonder te cesserene / om te triumpherene een tornoys spel / Om dese bloymkens daer mede te persequerene.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 152 (refrein 207, verzen 35-37). Zot rederijkersrefrein. Een ‘venusjanker’ bespiedt zijn liefje die met een ander op haar slaapkamer het minnespel speelt: Hij hoorde dat sij hem nam bij sijn bolleken / datmer tornoijden al metter tasse / Dat bedsponneken gaen kisse casse.

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 43 (nr. XIV, verzen 24-25). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Een op seks belust tienermeisje zegt tegen haar moeder: Propterea, mater, noli flere / Want ic ben gewapent tot sulliken tornoije.

 

3 Toernooi (niet-metaforisch)

[Van Moolenbroek 1999: 261-262. De houding van de middeleeuwse Kerk tegenover toernooien: negatief.]

 

Dialogus miraculorum II ed. 2004 (1219-23)

  • 79 (afdeling 7, hoofdstuk 38). Stichtelijk Latijns prozatraktaat. Naar toernooien gaan houdt twee doodzonden in: trots & ongehoorzaamheid (aan de Kerk). Wie sterft tijdens een toernooi, wordt begraven buiten de kerkhoven van de gelovigen.
  • 372 (afdeling 12, hoofdstuk 16). Wie sterft tijdens een toernooi, gaat naar de hel, tenzij de persoon diep berouw heeft.

 

4a Steken met lans = coire (waarbij lans = fallus en schild = vagina)

 

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 208 (fol. 271r, verzen 14-22). Rederijkerslyriek. Princhelicke meyskens gent, / wackerlick te beene, / alsmen hu tsnavents om wyn huutzendt, / en ghaet doch niet alleene. / Ia, want Knispaert, clouck onvervaert / naer zynen aert, / zou tooghen oock zyn treken / end in hu schilt, iae en ghy wilt, / zoud hy zyn Lanche steken.

 

4b Lans breken / vellen = coire (waarbij lans = fallus)

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 65 (refrein 32, verzen 16-17). Zot rederijkersrefrein. Klacht over een overspelige vrouw: laet sy haer tot allen leesten stellen / loopt sy die rechte lanche vellen. Ook in Stijevoort II ed. 1930: 167 (refrein 215, verzen 18-19).

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 209 (nr. 180, strofe 5, verzen 1-5). Lied. Hoe vriendelijc hi sprac / Al tot dierken schoone / Sijn lancie die si brack / Hi creech van haer te loone / Want ten schilde haer niet een haer.

Vanden .X. Esels ed. 1946 (1558)

  • 23 (regels 34-36). Volksboek. Over mannen die hun vrouw de hoer laten spelen: so houdt mijn Jofvrouwe metten anderen slampamperkens tournoy spel / hoe wel daer gheen lancien ghebroken en worden.

Ontrouwen Rentmeester ed. 1899 (circa 1587)

  • 125 (vers 1323). Rederijkersspel. Sinneke tot Tgroot Getal over Venus: Gy moet met haer noch een lance breecken.

 

4c Lans = fallus

[Camille 2000: 88. In de Carmina Burana: ‘Hij brak mijn burcht binnen met zijn rechtop staande lans’.]

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 151 (refrein 207, verzen 18-19). Zot rederijkersrefrein. Hij sach datmer ter stont tkersken wt blies / Hij hoorden dattet ernst gaf int inleggen der lancen.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 70 (refrein 29, verzen 11-15). Amoureus rederijkersrefrein. Een man vreest dat een ander zijn geliefde ‘hert’ zal jagen en vangen: dus duchtic dat [dat het (hert)] stoot / mocht crighen, quaemt in yemants schoot / tsinen wille gheuelt / en sijn lance metter hitten daer inne stelt / so ben ic darm wachtere van der niethage.

 

5a Steken met speer = coire (waarbij speer = fallus)

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 171 (refrein 217, verzen 44-47). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Wie weet wat den vrouwkens ghebreect / dan diet self draecht hij voijlt die pijne / Die de speren doet comen daermen mede steect / elc na sijn siecte suect medicijne.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 70 (refrein 29, verzen 26-28). Amoureus rederijkersrefrein. Een man vreest dat een ander zijn geliefde ‘hert’ zal jagen en vangen: Sou hem yemant op mijnen acker gheneeren / tot int aensteken met gherechte speeren, / tmocht mi wel deeren.
  • 234 (refrein 129, verzen 59-60). Zot rederijkersrefrein. Die sijn speere buycht die en dient niet daer men steect. / Elck van sijnder siecten suect medecine.

 

5b Speer breken = coire (waarbij speer = fallus)

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 214 (refrein 243, vers 4). Zot-erotisch rederijkersrefrein dat de coïtus beschrijft in steekspeltermen. Hij wou een speerken teghen haer breken.

Bedroch der Vrouwen ed. 1983 (circa 1532)

  • Volksboek. Van een impotente prins wordt gezegd: mer die arme prince en had die cracht niet om een speerken te breken / dwelck si begeerde met vierighe appetijte.

Leander ende Hero ed. 2002 (1612)

  • 135 (Spel 2, verzen 190-191). Rederijkersspel. Wy zullen hem zonder sperren te breken, / Oft syn leet te wreken, leeren tournoyen.

 

5c Speren/lansen breken = topos uit de ridderwereld (verwijzend naar gevecht tussen ridders)

[Viaene 1974a: 123-124. In de late Middeleeuwen werden de inwonder van Rijsel (Lille) ‘speerbrekers’ genoemd. Zij organiseerden immers jaarlijks een steekspel, de ‘Koning van de Spinette’. De hoofdprijs bestond uit een gulden sperwer.]

[Cat. ’s-Hertogenbosch 1992: 49. In 1498 in ’s-Hertogenbosch op vastenavond op de Markt een steekspel met scilde en spere. In de 16de eeuw: ook  rogsteken.]

 

Walewein I ed. 1957 (circa 1250)

  • 155 (vers 5339). Arturroman. De betoverde vos Roges vertelt hoe zijn moeder hem opleidde in de wapenkunst: Ende hoe ic speren soude breken.

Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 35 (verzen 2149-2150). Allegorisch rijmtraktaat. In de Tien Geboden van Cupido: Condi oec wel breken speren, / Dat seldi altoes begeren.

Lanceloet en het hert met de witte voet ed. 1962 (circa 1320)

  • 58 (verzen 653-654). Arturroman. Walewein vecht met een slechte ridder: Ende si hen daer soe onderstaken / Dat harre beider scachte braken.

Moriaen ed. 1971 (circa 1320)

  • 99 (verzen 1364-1365). Arturroman. Walewein vecht met een ridder die een jonkvrouw mishandelt: Ende quamen te samen met selken nide / Dat harre beider speren braken.

Ridder metter Mouwen ed. 1983 (circa 1320)

  • 156 (vers 3132). Arturroman. Der ward gebroken menech spere.
  • 180 (vers 3801). Braken si haer speren ontwee.

Walewein ende Keye ed. 2011 (circa 1325)

  • 86 (verzen 421-422). Arturroman. Ende die speren braken daer / In XX sticken.
  • 95 (verzen 648-654). Deen quam daer opten anderen gereden / Met harde groter nidicheden, / So dat haer speren sticken braken. / Anderwerf si hen onderstaken / Ende staken noch haer speren ontwee, / Ende derdewerven oec noch mee / Staken si ontwe haer scachte.
  • 116 (verzen 1159-1162). Dat ic soude jegen enen knecht / Speren breken over recht. / Mar doch hier comen dinen here, / Ic breke jegen hem ene spere.
  • 118 (vers 1205). So dat sijn spere te sticken brac.
  • 119 (vers 1237). So dat beide haer speren braken.
  • 128 (vers 1462). Dat sijn spere te sticken brac.
  • 152 (verzen 2054 / 2058). Dattie speren braken ontwee / (…) Ende braken haer speren als een riet.
  • 160 (vers 2247). Dattie speren braken toter hant.
  • 162 (vers 2294). Dattie speren beide braken.
  • 166 (vers 2393). Datte sticken braken di scachte.
  • 171 (vers 2509). Inden buec, dat spere brac.
  • 185 (vers 2846). Ende die speren te sticken braken.
  • 197 (vers 3127). Dat elc daer sijn spere brac.
  • 199 (vers 3172). Ende haer speren te sticken braken.
  • 217 (vers 3598). Ende brac sijn spere toter hant.

 

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 561 (Somerstuc, hoofdstuk 45, regels 259-260). Theologisch compendium. Hoe men de keizer kroont. Eén van de feestactiviteiten is dat de ridders samenkomen om te tornieren, steken ende breken.
  • 564 (Somerstuc, hoofdstuk 45, regels 311-312). Eén van de regels van de ridders: dat hi tornoye ende steken alleen zal doen om ridderwerk te doen en in te oefenen.

Peeter van Provencen ed. 1982 (circa 1517)

  • Volksboek. Ende hi dede condighen in allen plaetsen daeromtrent dat alle ridders die steken wilden ter eerden vanden vrouwen / comen souden te Napels op onser vrouwen dach in Septembri. Hierom vergaderden te Napels veel vrome ridders de alle steken wilden ter eeren van den vrouwen.
  • Ende si gheraecten malcanderen so hertelijc dat si beyde haer lancen braken.

Borchgravinne van Vergi ed. 1988 (1558-60)

  • 261 (regels 275-280). Volksboek. Een passage vol steekspeltermen: Ende als dye heeren nu versaemt waren ende den bescreven dach des steecspeels nu comen was, soo bereyde hem een yeghelijck om rijckelickste ter banen te comen, ende daer dede elck zijn beste met steken om prijs te winnen; daer werden die lancien ghebroken, de peerden int sandt ghevelt, ende der ghelijcken vromicheden ende groote couragien werden daer bedreven.

 

5d Speer = fallus (waarbij schild = vagina)

 

Van Altena ed. 1987 (XII)

  • 85 (nr. IV, cobla 3). Occitaans lied van Marcabru (12de eeuw): Menig heer / zegt, mijn speer / trof haar eer / menig keer. / Straks krijgt heer / abt de eer.

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 133 (vers 3733). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: Nu doetse den dullaert zijn speerken rechten.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 215 (refrein 243, verzen 18-21 / 29). Zot-erotisch rederijkersrefrein dat de coïtus beschrijft in steekspeltermen. Mijn speer is dick ende wel gheuoet / noyt man en verlanghede meer om campen / Voren ront al waert een cloit / en achter hanghender aen twe clampen / (…) Hij woude rechteuoort mitten speer int vel.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 21 (nr. 19, strofe 3, vers 3). Wachterlied. Een wachter tot een meisje (dat in bed ligt met haar geliefde): Hebdy den schilt ick hebbe die speyr.

Knollebol ed. 1980 (1560/61)

  • 91 (verzen 139-142). Spotprognosticatie. En tusschen twee amoreuskens, verstaet die cluchten / En sal gheenen twist wesen, het come hoe ’t wilt, / Heeft deen de speere, d’ander heeft den schilt. / En wat sij bedrijven, ’t sal sijn uut ghenuechten reyn.

Mechelens Lischbloeme: factie in Antwerpen 1561 ed. 1962 (1561)

  • 109 (verzen 166-170). In het ‘Factie Liedeken’ van de Lischbloemen (Mechelse rederijkerskamer): Ghij meyskens wilt, die metten schildt / Altijts zijt in de weere, / In vruecht verprilt, gheborst, ghebilt, / Wacht u voor Venus speere; / Wilt eerbaerheyt ontsluyten. Ook in Amoreuse Liedekens ed. 1984: 98 (strofe 4).

Lantman Steven ed. 1998 (XVIB)

  • 94v (vers 94). Tafelspel. En wilt u met u speeren verweeren als vroome haenen.

Nieuwe Nederduytsche Gedichten ende Raedtselen ed. 1972 (1624)

  • Zot-erotisch refrein. Een man zegt: Mijn speer zoud ick in haren schild doen zinderen.

 

6 Schild = vagina

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 214-215 (refrein 243, verzen 7-8 / 16-17 / 44-45). Zot-erotisch rederijkersrefrein dar de coïtus beschrijft in steekspeltermen. Mer van te voren wou hij bespreken / dat sij hem soude leueren scildt ende bane / (…) Ick hangher seijdhij mijn geheel harnasch / steeck ic niet doer den scilt int roet / (…) Der vrouwen scildt niet lichtelic en splijt / hy is beter in te steken dan een wan.

 

7 De speer van de liefde

 

Diversche Liedekens ed. 1943 (XVIb)

  • 11 (nr. V). Amoureus lied. Over ‘venusknapen’: Zy claghen tspeer dat hen deurstack / Metter minnen lack.

 

8 Watersteekspel

[Viaene 1977a. Over het watersteekspel als stadvermaak in de late Middeleeuwen (vooral door schippers en havenarbeiders). De burgers imiteren de ridders. Lijst van historische vermeldingen: pp. 7-12. Op p. 12: vermelding van het watersteekspel op de Sint-Martinus-prent naar Bosch.]

[Cat. Antwerpen 1997: 67 (catalogusnummer I.4). Breviarium Mayer van den Bergh (circa 1510), fol. 5r = de maand augustus. In de bovenmarge: afbeelding van een watersteekspel.]

 

9 Schild : positief-religieuze betekenissen

 

Evangelische Leeraer ed. 1989-90 (1532)

  • 90 (verzen 1417-1418). Rederijkersspel. Twoord Gods es eenen vyerighen schilt / den ghenen die daer inne hopen wilt.

Leffinge: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 67 (verzen 226-229). Rederijkersspel. Vanden wyze man maghmen waerachtigh lezen: / Dat Woordt Godts es gloyende vanden viere / Ende es een schildt in alder manniere / Wier op betrauwen. Vergelijk Spreuken 30, 5.

Tienen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 349 (vers 110). Rederijkersspel. Nemende een vast gheloove voor mynen schilt.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • Rederijkerslyriek. Over Maria: Vul gratien, ende schild vuer tviands strijt.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 1 (nr. 1, strofe 1, vers 5). Vroed rederijkersrefrein. Doet den schilt des geloofs aen, sonder duchten.
  • 116 (nr. 26, strofe 4, vers 14). Vroed rederijkersrefrein. Over Christus die ons voer Sathan is eenen vromen schilt.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 72 (nr. 59, strofe 3, verzen 4-5). Vroed rederijkersrefrein. Tot God: Dan altyt was my u goddelyc vermaen / een gewisse toevlucht, eenen schilt seer reyne.
  • 156 (nr. 77, strofe 5, verzen 12-13). Vroed rederijkersrefrein (Bijns): Tot den Heere roept, die allen arbeyt verlicht, / & neemt den schilt des geloofs tegen svyants schicht.
  • 187 (nr. 82, strofe 1, vers 6). Vroed rederijkersrefrein. Aenveert den schildt des geloofs seer crachtich.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 131 (nr. 119, strofe 4, verzen 6-7). Vroed rederijkersrefrein. Als wy dat dryfsant, sweirels instel, snoot, / met den schilt des geloofs, duer Godt, van ons dryven.
  • 160 (nr. 126, strofe 2, vers 15). Vroed rederijkersrefrein. Over de Bijbel: Sy is den schilt tegen de helsche gloeden.

 

[explicit 28 juli 2017]