TURKEN

 

Bij Bosch en zijn navolgers treft men vaak een maansikkel (soms met, soms zonder ster) aan. Op de Londense Doornenkroning (National Gallery) bijvoorbeeld draagt de Christusbeul onderaan links een maansikkel en een ster als embleem op zijn kap. Bax [1948: 147] schreef: ‘Bij de halve maan, met of zonder ster, hebben we oorspronkelijk te doen met het Turkse embleem, het teken, waaronder de Turken in de 15de en 16de eeuw de Balkan veroverden en tot voor de poorten van Wenen kwamen, Centraal- en West-Europa met vernietiging bedreigende. (…) In de literatuur van die tijd worden de Turken vereenzelvigd met de dienaren van Lucifer’. Uit een aantal van de hieronder gegeven bewijsplaatsen blijkt dat de Turken rond 1500 nogal snel vereenzelvigd werden met Saracenen, heidenen, Hunnen, Mohammedanen en zelfs Joden, dus in feite met alle volkeren die uit het (Midden) Oosten kwamen en als een dreiging werden gezien. Had Bosch telkens hij een maansikkel (met of zonder ster) schilderde dezelfde gedachte?

 turken_afb

Turken = gezien als een dreiging en geassocieerd met allerlei negatieve dingen

 

Dietsche Lucidarius ed. 1998 (1400-20)

  • Verzen 2469-2474. Berijmd traktaat. Of sie Sarrasine over mere / Doot slaen om Onsen Here; In deser wijs doen si vrome / Bede ter ziele en ten lichame; / Maer die kersten sielen slaen doot, / Die doen hooftsonden groot.

Malleus Maleficarum ed. 2005 (1487)

  • 160 (Pars I, quaestio 15). Latijns traktaat. Over God die straft: Zo straft Hij heden ten dage Zijn volk door middel van de Turken en voorheen strafte Hij het vaak door middel van vreemde volkeren, zelfs ten tijde van de Oude Wet. Dit is een citaat uit de Decreten van Gratianus.

Kroniek van Peter van Os ed. 1997 (1513-15)

  • 171. Kroniek. Over het jaar 1452 (o.s.), de val van Constantinopel: Van desen verlyes was groet iamer in kerstenheyt, want die Turcken deden daer grote blasfemie Gode ende den heiligen dattet nyet te scryven en is.
  • 180. In 1454 trok Filips de Goede naar Duitsland om te spreken van een cruysvaert om te trecken op die Turcken, dair nyet af en quam.
  • 181. In augustus 1457 hadden die kersten in Hongeryen over die Denouwe een myraculose victorie tegens den Groten Turck, die vloot.
  • 182. Over 1457: Oeck teser tyt sant paeus Pius die Tweeste die een cruysvairt predicten op die Turcken, aen hertoghe Philips…
  • 183. In 1457 geven de drie staten van Brabant geldelijke steun aan Filips de Goede in hulpe der reysen te trecken opte Turcken.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 186 (refrein 226, vers 14). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht: Al mostick den groten torck bestrijen.

De Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 116 (verzen 487-489). Rederijkersspel. De sinnekes zijn Wellustige Mensch aan het verleiden tot zonde. [Quaet Gelove:] Ghij sijt rijck genoech, ghij moecht te meer allmissen besetten / Naer u doot, so sijdi toch wel bewaert / [Vleysschelicke Sin:] Jae, ghelijck een turck die nae den hemel vaert.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 52 (Boek I, refrein 14, strofe r, vers 7). Vroed rederijkersrefrein. Tvolck haet malcanderen als Turcken, als honden. Ook in Bijns ed. 1902: 231 (refrein 3, strofe 17, vers 7).
  • 83 (Boek I, refrein 22, strofe d, verzen 13-15). Vroed rederijkersrefrein, tegen de lutheranen: Sij en achten gelooften, wielen oft crunen, / Maer loopen in dwilde als menschen verwoet / Van deene sonde in dander, als Turcken en Hunen.
  • 87 (Boek I, refrein 23, strofe c, vers 7). Vroed rederijkersrefrein. Siet, kerstenrijc is van den Torcken betreden.
  • 88 (Boek I, refrein 23, strofe e, verzen 5-6). Idem. Torcken en ketters, die voor Gode stincken, / Wanen Christus bruyt, de kercke, crincken.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 193 (refrein 51, strofe e, vers 2). Vroed rederijkersrefrein. Die sleypt den block es den Torcken bevolen.

dOnghelycke Munte ed. 1920 (1530)

  • 257 (vers 463). Rederijkersspel. De Turck als vijand van Karel V.

Colloquia familiaria ed. 2001 (1533)

  • 202-203. De (Latijnse) samenspraak ‘Colloquium senile’ van Erasmus. Het gaat over oorlog voeren. [Pampirus:] Het was een heilige oorlog. / [Eusebius:] Tegen de Turken? / [Pampirus:] O nee, een nog veel heiliger zaak, zoals toen werd gepredikt.
  • 210. De (Latijnse) samenspraak ‘Franciscani’ van Erasmus. [Conradus:] Het zou zelfs wreed zijn als je dit Turken aandeed. Wat we ook zijn, we zijn toch mensen.
  • 286. De (Latijnse) samenspraak ‘Puerpera’ van Erasmus. [Eutrapelus:] Men verwacht de komst van de antichrist, de hele wereld is zwanger van ik weet niet welke catastrofe. Intussen zegevieren de Turken en zetten ze hun opmars dreigend voort: niets zullen ze sparen als hun ondernemingen succes hebben.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 99 (Boek II, refrein 2, strofe a, verzen 16-17). Vroed rederijkersrefrein. Het sijn al Christenen met den monde, / Maer metten wercken sij als Turcken sneven.
  • 118 (Boek II, refrein 6, strofe d, verzen 14-15). Vroed rederijkersrefrein, gericht tegen de lutheranen: Siet dees Christen bruers, nieu evangelisten, / En gaen gelijck Torcken ghecleet, op zijn stragots.
  • 134 (Boek II, refrein 10, strofe b, verzen 14-16). Idem: Maer soumen haer wercken wel waerderen, / Het schijnen veel beter Machumettisten, / Ja argher dan Turcken, int compareren.
  • 141 (Boek II, refrein 12, vers 6). Vroed rederijkersrefrein. Ja waer sachmen oyt Turcken booslijcker leven?
  • 157 (Boek II, refrein 17, strofe b, verzen 6-7). Vroed rederijkersrefrein. Die cruycen beelden naer Turcks costuymen breken / Roeckeloose gasten, verwaende dwasen fel.
  • 158 (Boek II, refrein 17, strofe c, vers 2). Idem. Die tegen Gods woort als Turcken en Hunen bassen.
  • 168 (Boek II, refrein 19, strofe f, vers 1). Idem. Ghij maect argher Christenen dan Turcken oft Joden.
  • 180 (Boek II, refrein 23, strofe d, verzen 14-15). Idem. Sij souden mij heeten mijnen draet draeyen, / Die teghen God als Turcken en Hunen bassen.
  • 188 (Boek II, refrein 24, strofe t, vers 5). Idem. Want sij sijn verkeerder dan Torcken of Joden.

De hel vant brouwersgilde ed. 1992 (circa 1561)

  • 2v (vers 141). Rederijkersspel. Lucifer geeft op zondige christenen: waer in gaense hem nu beter dan turcken aenstellen.
  • 4v (vers 372). Rederijkersspel. Lucifer geeft af op de zondige christenen die slechts in naam christen zijn en arger dan turcken daegelijcks haer draff draeven.

Meestal verjaecht Neering ed. 1941 (circa 1564)

  • 81 (verzen 147-148). Rederijkersspel. Meestal over Oorlog: ’t Es mogelijk gezonden voor ambassaat / Om die bozen te straffen iewerts in Turkijen.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 282 (Boek III, refrein 19, strofe b, vers 11). Vroed rederijkersrefrein. In oncuysheyt wij den Turcken te boven gaen.
  • 283 (Boek III, refrein 19, strofe c, verzen 4-7). Idem. Als wij tgeloove al hebben inde mont, / Willen wij als Christen menschen gepresen zijn / En als Turcken leven; onder schijn van desen zijn / Veel wolven comen in schapen cleeren.
  • 283 (Boek III, refrein 19, strofe d, verzen 4-5). Idem. Gelijc Turckijen wert kerstenrijc ten laesten, / Gaen wij dus voort in ons quade treken.
  • 408 (Boek III, refrein 55, strofe c, verzen 11-12). Idem. Elc laet hem van zijn quaey begeerten verwinnen / Als Heydenen, Turcken, die Godt niet en kinnen.
  • 409 (Boek III, refrein 55, strofe f, verzen 1-3). Idem. De duecht is verre van ons gevloden trouwen, / Maer sulcken boosheyt, die Turcken, Joden scouwen, / Is nu gemeene inde Christen landen.
  • 411 (Boek III, refrein 55, strofe h, verzen 10-11). Idem. Wij sullen noch Turcx bedijen, / Gaen wij dus voort.
  • 445 (Boek III, refrein 65, strofe a, verzen 15-16). Idem. Over slechte christenen: Als Turcken en Joden schouwen / Sij Gods tempel.
  • 448 (Boek III, refrein 65, strofe f, verzen 12-14). Idem. Veel duysenden Turcken tonswaert crielen willen. / Laet niet u Kercke van ketters verwaten schinden, / Die meer dan Turcken der kersten sielen schillen.
  • 465 (Boek III, refrein 70, strofe h, vers 7). Idem. Vroeger vochten de heren tegen de vijanden der christenen, maar nu: Maer nu gaen Heydenen en Turcken quijte.

Een spel ed. 1976/77 (1567-76)

  • 82 (verzen 49-51). Rederijkersklucht. Een pantoffelheld moet van zijn bazige vrouw hulp voor de keuken gaan zoeken, maar denkt die niet te zullen vinden. Zij: Al waert roouers, / In quaetheden ghelyckende eenich turck of reuse, / Ic zal hem te weercken stellen.

 

[explicit 15 november 2016]