VECHTEN

 vechten_topos

Vechten (worstelen, strijden, kampen) = seksuele gemeenschap hebben

 

[Vergelijk over de erotische connotatie van het betekenisveld ‘vechten’ ook Bax 1956: 84 (noot 8) en Coigneau II 1982: 285 (noot 89).]

 

Der vrouwen heimelijcheid ed. 2011 (1405)

  • 96 (verzen 761-763). Artestekst, over quade wijf die abortus willen opwekken om zo niet de gevolgen van hun wellust te moeten dragen. Zij dansen en springen: Ende worstelen met mannen alsoe wel, / ende pleghen der naturen spel / met mannen, ende ghenoeten dicke. Zie ook Der vrouwen heimelijcheit ed. 1846: 27 (verzen 758-760).

Lodder ed. 2002 (circa 1405-08)

  • 102 (vers 45). Uit de boerde ‘Van enen man die lach gheborghen in ene scrine’: Daer ghingen si onder hem beiden ruten (in deze editie vertaald als ‘een robbertje vechten’).

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 95 (verzen 2685-2686). Rederijkersspel. Jalours Ghepeyns stookt bij Katharina: Bylo hy leyt erghens by ander concubijnen / Met vruechden arm in arm en worstelt.

Tghevecht van Minnen ed. 1964 (1516)

  • 45 (verzen 8/26-27). Verklaring van de titel van deze postincunabel: Dus mach dit heeten Tghevecht van minnen / (…) My seggende: tis een ghevecht van minnen / Sijnde een exempel der amoreuser sinnen.

Mars en venus ed. 1991 (vóór 1517?)

  • 258 (verzen 413-414). Rederijkersspel. Wildij den camp beslechten / Up een beddeken besaijt mit violieren?
  • 282 (verzen 806-807). Rederijkersspel. Nu treckebecken sij / Ja, al worstelende onder hen beeden.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 48 (refrein 22, vers 25). Amoureus rederijkersrefrein. Tvechten tocken thertelyck scachen.
  • 57 (refrein 28, verzen 7-9/12). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Om eens teghen myn lief al naect te vechten / Om enen camp te beslechten / te bedde by venus der goddinnen / (…) om eens soe veele en wil icks niet beghinnen.
  • 65 (refrein 32, vers 21). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Worstelt sy tot haer die oghen swellen.
  • 148 (refrein 77, verzen 31-32). Zot rederijkersrefrein. Neen, sey hy ick wille by v slapen / helzen en cussen en minlick strijen.
  • 170 (refrein 88, vers 10). Amoureus rederijkersrefrein. Niet cutevoghene int vechten int tocken.
  • 188 (refrein 96, verzen 37-41). Amoureus rederijkersrefrein. Domhelsen vanden ermkens coompt dan int crijt / stryt sonder nijdt, wordt minlick begonnen / Alsdan desen amorueseliken strijt / weder ghesoijnt [gezoend] wordt in corter stonnen / Met enen omhelsen, dat syt elc gonnen.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 150 (refrein 206, vers 33). Amoureus rederijkersrefrein. Daermen dus vechten mach sonder quetsen.
  • 151 (refrein 207, vers 13). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Vrolic ghinckmer worstelen een stondeken.
  • 152 (refrein 207, vers 22). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Men campter soe hem docht om tgulden vlies.
  • 167 (refrein 215, vers 23). Zot rederijkersrefrein, klacht van een hoorndrager: Worsteltse dat haer die borsten swellen.
  • 169 (refrein 216, verzen 28-29). Zot rederijkersrefrein, overspelige vrouw spreekt haar apologie uit: Teghen stoilen ende bancken soudic mij betrouwen / Enen eers camp te doen sonder flouwen.
  • 199 (refrein 234, vers 22). Amoureus rederijkersrefrein, klacht van een minnaar: Een(s) mit myn lief ten bedde te stryden.
  • 215 (refrein 243, verzen 19/23). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Noyt man en verlanghede meer om campen / (…) noijt man soe cloeckelick strijt en verwan.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 86 (refrein 41, verzen 34-35). Vroed rederijkersrefrein, lofzang op natuur en gezondheid. Ende als die hertekens dan tsamen springen, / deen aen dander dringen, worstelen, wringen.
  • 258 (refrein 145, vers 42). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Wiltse vechten, spaert uwen knijf niet.
  • 267 (refrein 151, verzen 14-15). Zot-erotisch rederijkersrefrein (coïtusrefrein). Over een onverzadigbaar meisje: Hi keteldese, doen peepse gelijc de paukens, / Naer tvechten so wilde hi af staen.
  • 268 (refrein 151, vers 42). Idem. Si worstelden so lange datser beide lagen.

Dat Bedroch der Vrouwen ed. 1983 (circa 1532)

  • K3r. Postincunabel. En(de) si boude(n) daer venus acker met vieriger begeerten. En(de) int spelen en(de) worstele(n) so vant Thomas de(n) rinc int bedde.

Het Zutphens Liedboek ed. 1985 (1537-40)

  • 190 (nr. 28). Een spreuk. Suette lief, off es kvvemme als dar komen mochtte, / dat vuen ers vnd den miennen to samen fochten, / so bide ich v, sutte lief, dat gy den vuenn so bevvartt / datt gy den miennen niet vnd spart! [zoete lief, als het ooit zover mocht komen / dat jouw en mijn kont tezamen vochten, / dan smeek ik jou, zoete lief, dat jij de jouwe zo goed gebruikt / dat je de mijne niets bespaart].

Refereynen Gent 1539 ed. 2000 (1539)

  • H8r. Zot rederijkersrefrein van de kamer van Kaprijke, over dwaze verliefden: Want als zy elcanderen hebben ghezocht, / En de zake zo vriendelic toeghebrocht, / Zo gaen zy staerck naect lijf om lijf vechten.

Sorgheloos ed. 1980 (circa 1540)

  • 123 (regels 35-36). Spotprognosticatie, over de lente: Ende daerom sal ’t sorchlijc zijn jonge gesellen te vechten tegen die vroukens.
  • 133 (rehels 143-144). Spotprognosticatie, over augustus: Daer menige bataelje sonder grooten nijt wel uutcomen sal.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 73 (nr. 63, strofe 8, vers 4). Zot liedje. En hoe is v den strijt verganghen.
  • 78 (nr. 66, strofe 5, verzen 1-4). Amoureus liedje. Hi stelt zijn herteken in swaerder sorghen / Die zijn sinnekens aen vroukens lecht / Want hi hanget altijt sonder worghen / Als een die strijt ende niet vecht.

De nichte ed. 1920 (XVIA)

  • 534 (verzen 58-59). Rederijkersspel. Se mueghen altemets jn spele vechten / Tjeghens elc andren men darf niet segghen hoe.

De borchgravinne van Vergi ed. 1988 (1558-60)

  • 265 (regels 413-415). Gedrukte prozaroman. De burggravin en de ridder hebben seks: ende hy bleef den nacht bi haer slapen, daer si veel hanteringen der minnen hebben bedreven, met vechten, met spelen ende tocken.
  • 278 (verzen 880-881). Amoureus refrein. Ende als die hertekens dan tsamen springhen, / Deen aen dander dringhen, worstelen, wringhen.

Den hof en boomgaerd der poesien ed. 1969 (1565)

  • 48 (nr. XXXVI, verzen 24-25). Het gedicht ‘Van de leelicke mamme’. Mammen welcke niet en maken ghevecht / Ghy weet wel waer, zoo d’andere wel pleghen.

Joseph ed. 1975 (1565-66?)

  • 128 (vers 1234). Rederijkersspel. Quaet Ingeven over de losse zeden en de vrouwen die zich uitdagend gedragen. Tschijnt van achter dat zij van veuren willen vechten.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 200 (refrein 85, strofe 2, vers 9). Vroed rederijkersrefrein, lof op de vrouw. Dworstelen tegen vrouwen geen bequamer strydt.

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 21 (nr. II, verzen 21-22). Amoureus lied. Daer sullen wy joblyen, / In allen amoruesheyt stryden.
  • 38 (nr. XI, verzen 47/52/65). Zot-erotisch rederijkersrefrein. De ik-verteller bespiedt twee naakte badende geliefden in een prieel. Ten laisten viel daer eijnen strijt / (…) Prinche, in deese groete battailgie / (…) Hoerde ick alte groote gheruechte int strijden.

Den sack der consten ed. 1989 (circa 1590)

  • 70. Artestekst. Warom maeckt het den vrouwen een misdracht, te weten met worstelen ende dansen. Want door sulcke bevinge, soo worden die bintselen der vrucht ontbonden, ende soo wort het een ontijdighe gheboorte, want die materie niet langer ghehouden can worden.

Avont, nacht ende morgenstont ed. 1992 (XVIB)

  • 39r (verzen 373-377). Rederijkersspel. Menijch Mensch is bezig te banketteren en vrijen met de hoerenwaardin Nacht. (Ipocrijsie:) Eij sietse doch vechten… / (Aertsch Appetijt:) Eij sietse toch kijven / sij beginnen te wrijven, teene mondeken aen tander.

d’Een ende d’Ander: Twee soldaten ed. 1985 (1610)

  • 251 (kolom 2, verzen 261-263). Tafelspel. De waardin zingt een scabreus liedje: Een meysgen met een knechtgen / Lestmalen tsavonts spaey / Tsaem hadden een ghevechtgen.

 

[explicit 11 november 2016]