VINGER

vinger1 

1 Met de vinger wijzen = bespotten, beschuldigen

 

Sidrac ed. 1997 (circa 1320)

  • 738 (Tekst III.1, vraag 145, regels 19-22). Didactisch prozatraktaat. Over mensen die anderen vervloeken: Maer die tonrechte doemen si zijn den duuel ghegheuen ende ghewijst metten vingheren.

Der leken spieghel III ed. 1848 (1325-30)

  • 134 (Boek III, hoofdstuk 11, vers 89). Berijmd didactisch traktaat. Onrechtvaardige rechters sijn met Gods vinghere ghewijst.

Boec van Gods Wraken ed. 1869 (1346-51)

  • 334 (Boek I, hoofdstuk 16, vers 1370). Stichtelijk rijmtraktaat. Als Cham de naakte Noach zag, wijsde hi daer metten vingher op.

De spiegel der minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 208 (verzen 5889-5890). Rederijkersspel. De sinnekes tot Katherina: Merct hoe u tvolck misprijsen sal / Beschreeuwen, Befoeyen, Met vingheren wijsen sal.
  • 212 (vers 6009). Katherina zegt: Elc wijst mu met vingeren voor vrouwen en heren.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 88 (refrein 46, verzen 16-17). Amoureus rederijkersrefrein, klacht van man: Beraest bewtijfelt gaen ic achter landen / men wijst mij mit vingheren ick moet bewenen.
  • 96 (refrein 50, vers 44). Vroed rederijkersrefrein. Over meisjes die de jongens achternalopen: mit vingheren sietmen op hen wysen.
  • 116 (refrein 60, vers 19). Zot rederijkersrefrein. Over dronkaards die liggen te slapen: daer elc mit vingheren op staet en wyst.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 270 (refrein 72, strofe d, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Als de meisjes niet op hun eer passen Zoo salmen u met vingeren wijsen.

Tielebuijs ed. 1934 (1541)

  • 60 (verzen 504-505). Rederijkersklucht. Ronsefael tot zijn zoon Tielbuijs die nu geld heeft: Ghij sult nu wel meijskens crijghen metter ellen, / Die op u met vingheren wesen te voren.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 198 (nr. 171, strofe 7, vers 8). Liederenbundel. Over ‘versleten’ hoertjes: Elck wijst ons met vingheren naer.

Der sotten schip ed. 1981 (1548)

  • b4v (hoofdstuk 3). Didactisch traktaat. De vrek zegt: Tvolc wijst mi met vingheren ende spot met mi / Om dat ick vreck ende karich sy.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 160 (Boek II, refrein 17, strofe b, verzen 11-12). Vroed rederijkersrefrein. Datmen de muncken naer roept achter straten, / De leecke de priesters met vingheren wijsen, dat mag allemaal van Luther.
  • 187 (Boek II, refrein 24, strofe q, verzen 3-4). Vroed rederijkersrefrein. Al wijstmen desen ketters metten vingher bij, / Dat sij dolen, sij en willens niet kinnen.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 330 (refrein 35, strofe E, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein. Prinche, al eest, dat ic van esels vermane, / Ic en wyse niemant metten vinghere; / Die gheen schult en heeft, en trecx hem niet ane.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 198 (verzen 1305-1306). Rederijkersspel. Een sinneke over de op Eneas verliefde Dido: Men salse wel schier mit vingren wijsen; / Men hoordt een ijeghelijck hör dwaes bestier laecken.

De Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 18 (strofe 2, vers 9). Rederijkerslyriek. Over de ongeleerden: Dat goet es zullen zij metten vijnghers wysen.
  • 184 (strofe 1, vers 8). Zot rederijkersrefrein. Dees vreckaerds behoordmen met vijnghers te wisene.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 251 (fol. 295v, vers 12). Rederijkerslyriek. Ongelukkige vrijer tot zijn geliefde: een ander blijkt gij te begunstigen ende my met vyngheren / voor by te wysene.

Meestal verjaecht neering ed. 1941 (circa 1564)

  • 102 (vers 594). Rederijkersspel. Meest Al zegt: Dien ik ’t zou klagen mijn met vingeren nasteken.

De vier wterste II ed. 1965 (1583)

  • 48 (strofe 96, verzen 1242-1243). Stichtelijk rijmtraktaat. Vlees tot de stervende dichter: Laetse ons bespotten / en met vingheren wijsen / Die hier Godt vreesen, en nature dwinghen.

Lijss en Jan Sul ed. 1938 (XVIB)

  • 103 (vers 362). Rederijkersklucht. Coppen over Lijs (die in een kalfvel gevangen zit): Sijet nu canse niet spreecken noch wijst sij met den vinger.

Emaus ed. 1994 (XVIB)

  • 16v (vers 44). Rederijkersspel. Cleophas, leerling van Jezus, zegt: Idle ons hoop en men schier met vingeren ons nae wijst.

Een Droncken Boer die uut vryen gaet ed. 1985 (1612)

  • 285 (kolom 2, vers 147). Rederijkersklucht. Een boer zegt: De luyden mochten my met vingeren nawysen.

 

2 Met de vinger wijzen = iemand aanwijzen (positief)

 

Trojeroman ed. 2001 (XIIIA)

  • 47 (verzen 1017-1021). Klassieke hoofse epiek. Over Hector: Hy was des daghes ducke ghepryst / ende mitten vingher ghewyst, / so scoen was hy ende so goet / in syn ghelate ende hem en mistoet / niet dat men mercken mochte. Profaan voorbeeld.
  • 76 (verzen 2108-2112). De Trojaan Polidamas vecht tegen de Griek Dyomedes: Helena ende ander vrouwen mede / saghen die joeste ende dit ghemoet. / Doe trat deen dander op den voet / ende hebn mit vingheren ghewyst / Polidamas ende ghepryst. Profaan voorbeeld.

Walewein I ed. 1957 (circa 1250)

  • 313 (verzen 10.529-10.530). Arthurepiek. Daer was Walewein sere gheprijst / Ende met vingeren up hem ghewijst. Een profaan voorbeeld van deze positieve topos.

Treyne Maecxsele ed. 1906 (XVIB)

  • 48 (verzen 1025-1026). Rederijkerspel. Troostende Suercoes tot tReyne Maecxsele: want v willick hem metten vinghere wysen. / Ziet daer es v brudigom vul der liefden gloedicheyt. Hier wordt met de vinger gewezen naar Christus (net als bij Johannes de Doper en het Lam Gods).

 

3 Johannes de Doper die met de vinger wijst naar het Lam Gods (positief)

[Vergelijk Johannes 1, 29]

vinger2a 

Dialogus miraculorum II ed. 2004 (1219-23)

  • 155 (Afdeling 8, hoofdstuk 51). Stichtelijk (Latijns) traktaat. Over Johannes de Doper: Hij wees de Verlosser, die hij in de schoot herkend had, met zijn vinger aan toen deze midden in de massa naar hem toekwam, en doopt Hem met zijn heilige handen in de Jordaan.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 154 (Somerstuc, hoofdstuk 9, regels 150-151). Theologisch compendium. Johannes de Doper zegt: Desen heb ic ghewijst mitten vingher: Dit is dat Lam Godts, dat op hem draecht al der werlt sonden.

Tleven ons heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 81 (hoofstuk 15). Jezusleven. Onse Heer quam so weder totter Jordanen ende als hem Johannes sach comen tot hem, wijsde hi hem mit den vingher ende seide: ‘Siet dat lam Gods, siet den ghenen die die sonden der werelt op boert. Hi is die gheen, daer ic op sach neder comen ende rusten den Heilighen Gheest als ic hem dopede.
  • 100 (hoofdstuk 18). Johannes was een prophete, jameer dan een prophete, want den ghenen dien hi boetscapte te comen, die wijsde hi mitten vingher.

De groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 26r (vers 592). Rederijkersspel. Waerlick zegt: al heeft hem sint Jan / met den vinger geweesen.

Een man ende een wachter ed. 1975 (XVIIA?)

  • 158 (verzen 141-148). Rederijkersspel. Ist dan de vinger van Sinct Jan Baptiste / Christus wysende metter spoet: / Siet tlam godts, dat de werelts sonden wech doet. / Desen is rechtueerdich geboeren, / Want al wat die propheten tevoeren / Propheteerden door Godts ingeuen gepresen, / Dat heeft hij mitten vinger gewesen. / Daer om is hij de meeste onder de propheten.

 

4 Iets door de vingers zien = iets (laakbaar gedrag) tolereren

[Vergelijk over deze uitdrukking Dirk Coigneau, Refreinen in het zotte bij de redeijkers, deel II, Gent , 1982, p. 346 (noot 246): ‘door de vingers zien’ = onverschillig blijven, meer bepaald gezegd van een man die zijn vrouw laat betijen. Vergelijk verder Louis Lebeer, “De Blauwe Huyck”, in: Gentsche Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis, deel VI (1939/40), pp. 216-217, die informatie geeft over deze zegswijze naar aanleiding van de Blauwe Huik-spreekwoordenprent.]

 

De Middelnederlandse boerden ed. 1957 (XIV)

  • 37 (nr. VI, verzen 43-44). Een boerde. Een begijn en een jongeman worden door andere begijnen betrapt tijdens de coïtus: Die selke [sommigen] loecte doer den vingher, / Si maecten al willens blent.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 96 (nr. 47, vers 131). Didactische lyriek. Rechters die tonrecht doer den vingher sien.

Ulenspieghel ed. 1986 (XVIA)

  • 159 (hoofdstuk 30). Uilenspiegeldruk. Ulenspieghel als brillenmaker tot een bisschop: Doen seyde Ulespiegel, genadige heere dat berderft dat brilmaken, ende tis te besorgen dat al heel vergaen sal, want ghi ende ander groote heeren als die paus ende ander cardinalen bisschoppen keyser coningen hertogen ende ander heeren rechteren ende regeerders der steden ende landen god betert nu ter tijd door die vinger sien, ende niet en willen merken wat recht of onrecht is door gelt ende gaven. (…) Ende dit gebrec is so gemeen inden lande so dat die boeren leeren door die vingher sien.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 169 (refrein 216, verzen 36-37). Rederijkesrefrein. Hoerachtige vrouw tot haar impotente man: Vwen gilleman is veel te slap / leert duer die vingher sien tis meer dan tijt.
  • 194 (refrein 231, verzen 41-42). Rederijkersrefrein. Man tot ontrouwe geliefde: Al gaefdi mij voer terwen greijn doe caf / puer willens ic duer die vingheren keeck.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 40 (Boek I, refrein 12, strofe c, verzen 12-13). Vroed rederijkersrefrein. Die te straffen horen, behoeven geen brillen, / Sij sien door de vinger, de quade vercrillen.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 312 (refrein 86, strofe b, vers 12). Vroed rederijkersrefrein. De ouders van nu laten hun kinderen te vrij: En sien door den vingher en zwijghen stillekens.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 173 (Boek II, refrein 21, strofe d, vers 5). Vroed rederijkersrefrein. Over de wantoestanden veroorzaakt door de lutheranen: Tsiet al duer de vinghere heeren, vrouwen.

Der sotten schip ed. 1981 (1548)

vinger3

  • K3v-K4r (hoofdstuk 33). Didactisch traktaat. Alsoo berisptmen hier die van haren wijfs souden leven ende sijn putiers oft roffiaens oft hoere waerders, alsomense noemen wille van haren bedde ghenoote ende wettelijcke vrouwe. De hoofdstuktitel luidt: Ick sie door die vingheren ende moet ghedooghen / Al dat mijn wijf wilt die verblint mijn ooghen. Op de begeleidende houtsnede (die reeds voorkomt in de editio princeps van Das Narrenschyff – Basel, 1494), kijkt de nar-echtgenoot met het linkeroog tussen duim en wijsvinger, op dezelfde manier als de pooier op het rechterbinnenluik van Bosch’ Tuin der Lusten-triptiek.

De wellustige mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 142 (vers 1131). Rederijkersspel. Berouwvolle zondaar tot God: Siet met mijn sonden door die vingeren.

Gemeene duytsche spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 59 (regels 30-32). Spreekwoordenverzameling. Ick late al voele uergaen, ongemerckt. / Ick sie veel doer die vingeren. / Sinde blindt, Hoerende dooff.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 320 (refrein 32, strofe C, verzen 16-17). Zot rederijkersrefrein. Een pantoffelheld over zijn vrouw die met andere mannen omgaat: Aylacen, ic moet duer de vingher sien, / Al speelt zy quaet hoerken, oft zy sou my craghen.

Lijss en Jan Sul ed. 1938 (XVI)

  • 84 (verzen 34-35). Rederijkersklucht. Jan Sul over zijn vrouw Lijss: Al kijck ickt door de vingeren dat sij een ander gerijft, / Effen wel kijfft sij op mijn sonder ophouwen.

Een nyeuwe clucht boeck ed. 1983 (1554)

  • 214 (nr. 239, regel 47). Anekdotenverzameling. Sach se allensins door die vingher.

Vanden .X. Esels ed. 1946 (1558)

  • 22 (regels 14-18). Volksboek. Over pooiers: Niet tegen staende alle dese / soo swijcht nochtans haer man al stille aensiende tprofijt ende tghewin dat hem door dien gheschiet / midts dyen dat hy oock door die vingheren siende goet chier maken ende slampampen mochte.
  • 24 (regels 76-83). Maer van alle dese sondighe ghebruyckinghen is dese Esel die meeste oorsake ende oorspronck / Want en hadden wy gheenen Goosen ende Hannen ligt achtere / we en dedens nymmermeer. Hieromme ghy Hannens die door de vingheren siet / ende v hier inne kendt van des vijfstens Esels geslachte te wesene / wilt uwe huysvrouwen badt gade slaen.

Ulenspieghel ed. 1980 (1560)

  • 61 (vers 57). Spotprognosticatie. Omdat si al leeren door die vingheren kijcken.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 269 (fol. 144v, vers 34). Rederijkerslyriek. Eduard De Dene (de auteur) wenst dat de klerk van de schout zijn bril erft Eer dat hy leert duer de vyngheren zien.

De hel vant brouwersgilde ed. 1992 (circa 1561)

  • 5v (verzen 444-445). Rederijkersspel. Lucifer over de zondaars: broodwegers krijgen thuis lekkere weggen (soort brood) bezorgd om deur die vinger te sien (zij melden dus niet dat het brood te weinig weegt omdat zij zijn omgekocht).

Bruer Willeken ed. 1899 (vóór 1565)

  • 218 (vers 536). Rederijkersspel. Over corrupte rechters: Heeft hy gelt, men sal duer den vinger kycken.

De groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 31v (vers 1075). Rederijkersspel. De openbare aanklager van de hel wordt door Lucifer vermaand: eij hoeren verraer ghij siet Doer Die vingeren.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 149 (refrein 123, strofe 5, verzen 15-16). Amoureuze klacht over ontrouw in de liefde: Eneas siet duer de vingeren altemet, / begevende syn wyff, als hy mach winnen schyven.

De vier wterste II ed. 1965 (1583)

  • 297 (strofe 593, verzen 7705-7706). Stichtelijk rijmtraktaat. Godt siet door de vingheren met t’smenschen sonden / Om dat sylieden haer beteren souwen.

De vier des werelts staten ed. 1941 (1596)

  • 251 (vers 84). Rederijkersspel. Bouwen over de toenemende tolerantie tegenover misdadigers: Men ziet ze nu al door de vinger.

Crancheijt des Vleijsch ed. 1992 (XVIB)

  • 98r (vers 999). Rederijkersspel. Sterckheijt des Geest over God: en hij siet met tsmenschen deur die vinger. Gods genade vergeeft vele zonden.

De Troost der Sondaren ed. 1993 (XVIB)

  • 145v (vers 290). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: Men siet nu al deur die vingers = alle zondigheid wordt tegenwoordig toegelaten. De sinnekes in dit spel zijn marskramers. De ene verkoopt brillen, maar die koopt niemand want… (zie citaat).

Leander ende Hero ed. 2002 (1621)

  • 142 (spel 2, vers 376). Rederijkersspel. Sy kan wel simuleren, en door den vingher zien met allen. Hier: seksueel wangedrag toelaten.

 

5 Vinger = penis

 

Die evangelien vanden spinrocke ed. 1910 (circa 1520)

  • B2v. Satirische tekst. Een remedie voor een vrouw die een ‘kwade borst’ heeft, is naar verluidt: de man moet drie ringe(n) maken m(et) sinen vinger. In de glosse zegt één van de andere spinsters dat die drie ringen gemaakt moeten worden onderaan de buik beneden de gordel. In het Franse origineel gaat het over ‘instrument naturel’ en ‘membre’. Zie ed. 1992 (Callewaert), pp. 58-59 / 100. Duidelijk dubbelzinnig!

Aelwarich ed. 1980 (1527/28)

  • 115 (regel 120). Spotprognosticatie. Over impotente oude mannen: Pier Pincke sal qualick olie hebben. Pink = penis.

Het leenhof der ghilden / Parafrase ed. 1950 (kort na 1564)

  • 44 (regel 296). Satirische rederijkerstekst. Den druypenden vingher = met syfilis besmette penis, druiper.

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 35-36 (nr. X, verzen 32-36). Zot-erotisch rederijkersrefrein over een geil meisje van 12-14 jaar: Mij is laestent geseit ende ic moest laten gebueren: / Cust ic mijnen cleinen vinger gesteken veyne / In mijnen noose, ic en dorst mij niet langer verweeren. / Tclein vingerken propt ic, ja, den gehele deume. Pink en duim zijn hier fallussymbolen, de neus is een vaginasymbool. Men maakt het meisje wijs dat als ze haar pink in haar neusgaten kan stoppen, dat ze dan rijp is voor seks.

Een marot sot geclap ed. 1998 (XVIB?)

  • 98r (vers 27). Rederijkersklucht. De marot, die spreekt via de zot, zegt dat zij vaak verkeerde bij mannen en vrouwen: sij deedese Dick trowen, met den Lanxsten vinger van elven. Die mannen en vrouwen moesten dus trouwen omwille van een zwangerschap.

 

6 Vinger = clitoris?

 

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 52 (nr. 45, strofe 25). Liederenbundel. De geliefde van de ik is pseudo-dood opgebaard: Hi hief op dat baren cleet / Hi sach haer cleyn vingerken roeren / Och doen so loech haer roode monde / Doen si den ridder voelde. Op het eerste gezicht is dit niet erotisch bedoeld (het gaat écht om de pink van het meisje), maar de situatie is wel erg dubbelzinnig. Ook in de rest van dit lied speelt erotiek een belangrijke rol. Hetzelfde lied in Amoreuse Liedekens ed. 1984: 44 (strofe 25) [XVIIa]: Hy hief op dat baren-kleedt / Hy sach haer kleyn vingerken roeren / Och doen loech haer rooden mont / Doen sy den Ridder voelde.

 

7 Restmateriaal

 

sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 129 (vers 297). Rederijkersspel. Het sinneke Ghewoonte tegen sMenschen Sin (een man) die nu gaat genieten van de vrouw Verganckelijcke Schoonheit (letterlijk en figuurlijk): Mûcht ic, soone, dan u vingeren licken = mocht ik meegenieten.

 

[explicit 25 november 2016]