VINK

[Op het middenpaneel van de Tuin der Lusten (midden – links) zien we een distelvink die groter is dan de mensen om hem geen. Op het middenpaneel van de Antonius-triptiek (Lissabon) bevindt zich een bovenmaatse distelvink onder de duivels de Sint-Antonius kwellen.]

distelvinktopos 

1 Vink die gevangen wordt = onoplettende persoon die ergens het slachtoffer van is of bedrogen uitkomt (profaan) / ontsnapte vink = persoon die nadelige zaken ontloopt

 

Boec van Gods Wraken ed. 1869 (1346-51)

  • 311 (Boek I, hoofdstuk 10, verzen 698-709). Stichtelijk rijmtraktaat. Over de Fransen die in de Guldensporenslag (1302) verslagen werden door een cleyne ghemeynte te voet: Ghelijc alsmen vincken vaet / Daer men dat net over slaet / Also bleven si doet / Doen sijs minst in hoeden waren.

De spiegel der minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 88 (vers 2522). Rederijkersspel. Saturnus draagt Jalours Ghepeyns op om het meisje Katherina jaloers te maken: Spoet u derwaert / beclipt die vincke.

Aelwarich ed. 1980 (1527/28)

  • 109 (regels 43-44). Spotprognosticatie. Over de zomer: Die somer neemt aen zijn begin wanneer Arnoutsgesellen achter die hage haer netten spreyen, om vincken te vane. Vinken vangen = meisjes versieren of mensen beroven (onduidelijk uit context).

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 111(refrein 30, strofe e, verzen 5-7). Amoureus rederijkersrefrein. Een man spreekt: Vergeten es druck door u vriendelijck wincken, / Wincken cundij mij int nette gelijc de vincken, / Vincken, die quincken (…). Positieve (liefdes)context hier!

Luerifers ed. 1946 (circa 1550)

  • 178 (vers 111). Rederijkersklucht. Ja, ic hoore wel, de vincke is ontvloghen. De minnaar van een overspelige vrouw is niet ontdekt, is kunnen ontsnappen.

Van Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 173 (vers 568). Rederijkersspel. Een sinneke over Dido die begint toe te geven aan de verleiding: De vincke comt int slach!

De dove bitster ed. 1997 (XVI)

  • 60v (verzen 290-291). Rederijkersspel. Lippen Suermont, een boer, staat klaar om de derde vrijer een poets te bakken: had Ick den derden vinck inden slach / dats heijn Jijdelderm so waeren wij gestelt.

Josep ende Maria ed. 1994 (XVIB)

  • 10v (verzen 888-889). Rederijkersspel. Herodes zegt over Jezus: waer sal ick nu verneemen van dees niewe conings geboort / tnest al verstoort die vinck ontvloogen is.

Saul ende David ed. 1994 (XVIB)

  • 96v (vers 504). Rederijkersspel. Saul tegen zijn soldaten die David niet hebben kunnen gevangen nemen: Hebt ghij den vinck Laeten vliegen uuijt den kowe.

 

2 Vink die gevangen wordt = onoplettende zondige persoon die het slachtoffer is van de duivel of het kwaad (religieus) / ontsnapte vink = persoon die aan de duivel of het kwaad ontsnapt

 

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 80 (Boek I, refrein 21, strofe e, verzen 6-7). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther: Want met soeten ase hij dnetken uut spreyt, / Om vincken te vane na sijn vermeten.

dWerck der Apostolen cap. 3, 4 en 5 ed. 1903 (XVIA)

  • 342 (verzen 16-17). Rederijkersspel. Valsch Propheet tot Schoon Ypocrijt: Wel neefken ist nv niet wel ghefluyt, / Den bal is ghestuyt, tvinck is in slach.

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 634 (vers 541). Rederijkersspel. tVleesch over sMenschen Gheest die haar ontsnapt is (hij heeft zich namelijk weer op het goede pad begeven): de vinck is my ontpreeut.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 210. Rederijkersrondelen. Gelovigen die van het rechte pad afwijken, aangelokt door de zang van het ‘nieuwe vogeltje’ Luther: Dus locket de vincxkens duer zyn zoet gheclanc. (…) Sulc sonder vreese nieuwen sanc singhen, / Waer duer zy int nette die vincxkens cranc bringhen, / Die hen onnooselyc laten verleyen.

Afval vant gotsalige wesen ed. 1996 (XVI)

  • 119v (verzen 775-776). Rederijkersspel. De sinnekes zijn verslagen en druipen af: Wij mogent hier vercruijpen tes quaelick gebrowen / Die vinck is uuijter cauwen Dit maect mijn bedrooft.

De menschwordinge Christi ed. 1992 (XVIB)

  • 16v (vers 162). Rederijkersspel. Van deuchden bloot als een gepluckte vincke.

Abrahams offerhande ed. 1992 (XVIB)

  • 58r (vers 877). Rederijkersspel. Abraham is in de war omwille van Gods opdracht (zijn zoon doden). Een sinneke over Abraham: Noijt beter vinck.

Cranckheijt des vleijsch ed. 1992 (XVIB)

  • 89v (verzen 216-217). Rederijkersspel. Een sinneke tot een ander sinneke over hun slachtoffer: Compt siet tot [toe] neve tis al gecloncken / die vinck Is selffs gevallen int nedt.
  • 100r (vers 1189). Een sinneke tot een ander sinneke over de ‘helpers’ en het slachtoffer (dat gered werd): Ick wensch haer pover / datse ons die vinck hebben ontschaeckt.

Wie haer op troost verlaeten ed. 1992 (XVIB)

  • 122v (verzen 45-47). Rederijkersspel. De sinnekes zien Beswaerde Consiencie twijfelen en ruiken hun prooi: Hou kijckt uuijt wanhoop, wadt ist al bedorven / Den vinck is opt nedt, wiltse niet verroeren / het wordt voor ons coop, waer den geest verstorven.

 

3 Vink = duivel

 

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 179 (Boek II, refrein 23, strofe c, verzen 10-12). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Int schijn van duechden spreyen sij haer netten, / Om siele te vane sijnt duvels slachvinken, / Waer bij daer vele int helsche gheclach sincken. Lutheranen die dienst doen als lokvinken van de duivelse jager.

Werlts versufte maeltijt ed. 1994 (XVIB)

  • 119v (verzen 200-201). Rederijkersspel. Vluijende Weelde tot twee andere duivelse verleiders tot zonde: Laet wij op malcander niet stincken meer / wij sijn toch vincken seer gelijck van veeren, tjan.

 

4 Vink in verband met erotiek

 

De spiegel der minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 74 (vers 2079). Rederijkersspel. Moeder over de minnaar van haar dochter: Waer hy katijvich sy liet den vinck vliegen. Vink = minnaar. Of verwijst ‘de vink laten vliegen’ hier naar het verlies van maagdelijkheid?

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 637 (verzen 579-580). Rederijkersspel. tVleesch over haar erotische voorkeuren: ia ick onder mijn sielken [lijfje, kledingstuk] / daer ben ick wackerder dan een vincxken.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 212 (fol. 442v, vers 6). Rederijkerslyriek. De bekende ‘adieu’ van Eduard De Dene. Context: personen met ondeugden, losbandigen: adieu vynckenaers vyncken / ende Rutsepeeuwers. Vinkenvangers en vinken = vrouwenlopers en (slettige) vrouwen?

Lijs en Lippen Harman ed. 1997 (XVI)

  • 67r (verzen 283-284). Rederijkersspel. Lijse trekt erop uit, naar haar minnaar toe: nu wil Ick gaen schoijen met de vincken / tot daer Ick mijn Alderlieffste sal vinden. Erotische context dus, maar waarom precies vinken? Vinken = bedelaars?

Van Straten ed. 1992 (1672)

  • 117. Een erotisch gedichtje uit 1672. ‘Ik sta verwonderd,’ zei Jaap Rot, ‘dat Piet de Pronkert, / die vuile Klaar de Hoer zo vurig mint, ja vinkt. Vinken = coire.

 

5a Vinken = allerlei soorten personen

 

Van den drie blinde danssen ed. 1955 (1482)

  • 46. Stichtelijk traktaat. Fortune regeert over mens en dier: Deen vincke heeft alle hoer daghen ghevloghen / Die ander wordt inden nest bedroghen.

De schuijfman ed. 1932 (1504)

  • 2 (vers 16). Rederijkersspel. Schuijfman en Sloef zijn geen galeiboeven meer. Schuijfman zegt: Maer wij sijnder nu aff; ick ben lichter dan een vinck.

Pyramus ende Thisbe ed. 1965 (circa 1520)

  • 216 (vers 728). Rederijkersspel. De sinnekes over Thisbe die opgesloten wordt door haar ouders: Men sluttse naeuwer dan een saet vinck. Vink // opgesloten meisje.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 87 (refrein 23, strofe d, verzen 13-14). Amoureus rederijkersrefrein, klacht van vrouw, over het onrecht en de slechte justitie in de maatschappij: trecht gaet op crucken. / Daerme sietmen plucken als gansen en vincken.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 214. Rederijkersrondeel. Over de navolgers van Luther: Quade ruervincken, die quincken discoort en twist. Roervinken = herrieschoppers, twistzaaiers.

Hans Snapop ed. 1974 (XVI)

  • 44 (verzen 431-434). Rederijkersklucht. Truij Belhorens tot Griet: Chregen die weerdinnen alsulcke vincken / Als wij sijjn, lieve buer wijff, / dat sou haer dan anders in haer ore clincken, / En sij en souden dat niet spelen sulcken bedrijff. Vinken = mannen die naar bordelen gaan?

Verlaten Kennisse ed. 1992 (XVIB)

  • 110r (verzen 799-801). Rederijkersspel. Verblintheijt in Sonden, een zondige verleidster, heeft het over de vergankelijkheid van de mens (waarom zou hij het er dus niet van nemen?): daer heen passeerden wij dan als gestorven vincken / wie sou daerom hincken naer sulcke prangen / deur alle wellustigen beemden sijn ons oncuijssche gangen.

De blinde diet tgelt begroef ed. 1934 (XVIB)

  • 67 (vers 51). Rederijkersspel. Blinde man tot zijn ‘cnape’: Ou, scherpe vinck! Aantekening (p. 138) geeft nog andere voorbeelden van ‘vink’ op mensen toegepast. Scherpe vink = scherpziende persoon. Vergelijk ook bij ‘restmateriaal’.

Broeckaert ed. 1893 (XVIB-XVIIa)

  • 43 (refrein I, strofe a, verzen 6-8). Rederijkersrefrein. Het is nooit goed, de mensen zeuren altijd: Draeg ick een quaet habijt om mijn verneren, / Ick worde veracht; dus vallet mij suer; / Men zal seggen: laet de mager vincke passeren. Magere vink = arme persoon die slecht gekleed is.

De voorleden tijt ed. 1932 (XVIIa)

  • 18 (vers 248). Rederijkersspel. Elck Een vraagt de armoedig geklede Magere Tijt spottend hoe hij heet: Maer Winter-vinck of Pier Hoop-somer? Maer(ten) Wintervink = spotnaam voor armoezaaier (met toespeling op de problemen die zwervers tijdens de koude winter hebben om warm te slapen en eten te vinden).
  • 20 (verzen 275-276). Magere Tijt vraagt Elck Een waar tGemeen Profijt is gebleven. Elck Een antwoordt: Tis lange geleden, / Dat hij is gaen schoijen met de vincken. Aantekening verklaart: (kale) vinken = armoezaaiers, zwervers.

 

5b Vink = invectief voor verachte persoon

 

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 22 (vers 636). Rederijkersspel. Een sinneke spreekt tot minnaar Dierick: Ke neense seg ick vincke.

De gebooren blinde ed. 1994 (1579)

  • 62v (verzen 1235-1236). Rederijkersspel. De farizeeër Arapha over de geboren blinde: Sijn die reden niet hart waerdich om te verterden / van sulcke arme slechte plompe geplocten vinck.

Goodts Goetheijt ed. 1998 (XVIB)

  • 146v (vers 85). Rederijkersspel. Duvels Nijdicheijt tot Goodts Goetheijt, scheldend: Swijgt wat hebdij al vragens onveetende vinck.

 

5c Luistervinken = roddelaars, achterklappers, huichelaars

 

Braekman ed. 1969 (circa 1450)

  • 92. Didactisch-moraliserend gedichtje over nyders en luustervincken die zo geliefd zijn bij de heren: zij praten mooi in je gezicht, maar achter je rug ‘schieten zij hun venijn’.

De luijstervinck ed. 1934 (XVIB)

  • 85. Rederijkersspel. In de lijst met dramatis personae: Den Clapart ofte Luijstervinck.

 

6 Vink // liefdesgeluk

 

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 315 (refrein 87, strofe b, verzen 5-6). Amoureus rederijkersrefrein. Een vrouw spreekt: Hoe den nachtegael singt, hoe de vincken quincken, / Derf ic u, lief, druck maeckt mij bij tijden mat.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 46 (refrein 18, verzen 4-6). Amoureus rederijkersrefrein. Een venusjanker zegt: al hoordic alle nachtegalen en vincken / haer keelken clincken, die droefheyt mincken / in vruechden, mi teender medecine.

 

7 Vink in positief-religieuze context

 

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 329 (refrein 90, strofe i, vers 4). Vroed rederijkersrefrein. Lof op Maria: Vincken, spreeuwen, meeuwen, singt lof daer buten.

 

8 Vink // dwaasheid

 

De Sotslach ed. 1932 (circa 1550)

  • 51 (vers 378). Rederijkersspel. Een boer gaat naar Bothuizen afreizen bij de grote ouwe gecken. Hij zegt: laten wij dus vertrekken tot huerder plecken en sijen hoe sij vincken.

De bonte kapkens ed. 1977 (1600)

  • 18 (verzen 11-12). Rederijkersspel. Het geluid van de bellen van een zotskap wordt vergeleken met Vincken / oft ander Robijnen.

 

9 Snotvinken = verkoude neuzen

 

Wonder van claren ijse en snee ed. 1946 (1511)

  • 16 (verzen 17-18). Rederijkersgedicht. Het sneeuwpoppenfestijn in Brussel, 1511. Beschrijving van een predikende swert bruer: Tes wonder dat hi niet en sterf van couwen / Doer de rootbaerden ende snotvincken.

Sorgheloos ed. 1980 (circa 1540)

  • 135 (regels 197-198). Spotprognosticatie, over december: Item die snotvincken sullen beter coop zijn dan die nachtegalen.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 29 (nr. 24, strofe 3, verzen 5-8). Zot-amoreus lied, over de winter: Ghi liefkens twee en twee / Moecht door de coude snee / Te velde nemen v ganghen / Ende daer snotuincken vangen.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 335 (refrein 37, strofe B, verzen 14-15). Rederijkersrefrein over de winter: Die snotvincken wilt vanghen, mach gaen daer buten, / Men vindtter ghenoech, aen alle weghen.

Knollebol ed. 1980 (1561)

  • 93 (vers 193). Spotprognosticatie. Over de winter: snotvincken vanghen metter hant.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (XVIIa)

  • 36 (strofe 3). Winterlied. De verliefde paartjes gaan wandelen in de sneeuw: Ende daer snot-vincken vanghen.

 

10 Vinken = luizen

 

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 170 (refrein 45, strofe c, verzen 7-8). Zot rederijkersrefrein: soort zoekt soort in de liefde. Al en hebbense niet een cleedt aen haer lijf, / Ten es gheschuerdt, vol neten, vol vincken.

Twee rabbouwen ed. 1998 (XVIB)

  • 65r (verzen 423-427) / 65v (verzen 463-465). Tafelspel. Een landloper geeft als present twee levende vinken: [Dander:] Maer wat present is dit toch? / [Deen:] Maer tsijn twee Leevende vincken / die moet ick haer schincken, soo ben ick bedocht. Even later blijken het twee luizen te zijn: [Dander:] Bij gans mort tsijn twee Luijsen / sulcke vincken heb ickj mee meer dan ick can tellen.

 

11 Vinken = geld

 

Een crijsman die eens buermans paert steelt ed. 1946 (vóór 1555)

  • 61 (vers 171). Rederijkersspel. Crijsman in terzijde: Ic ontleide den waert bij loo die vincke. Vink = bezit, spaarpot (volgens aantekening).

Meestal verjaecht Neering ed. 1941 (circa 1564)

  • 96 (verzen 478-479). Rederijkersspel. Een sinneke over Meest Al die zijn welvaart kwijt is: Hoe zit hij daar en pronkt in Eigen Goeddunken, / Recht of hij wachtten die vinken groot en klein.

De blinde die tgelt begroef ed. 1934 (XVIB)

  • 72 (verzen 167-168). Rederijkersspel. Schoenlapper gaat geld stelen: Nu, God wouts, ick wil gaen vincken, / Mijnen slach en sal om niet, niet gestelt sijn. Vinken = op vinken jagen = op geld jagen.
  • 83 (verzen 407-409). Schoenlapper gaat geld terug in de grond stoppen om zo meer geld te krijgen: En gelijckemen de vincken met vincken veet, / Met eenen uule veel vogelen bij wijlen, / So sal teen gelt tander versubtijlen.

 

12 Restmateriaal

 

Tvoyage van Mher Joos van Ghistele ed. 1998 (XVd)

  • 258 (Boek IV, hoofdstuk 15). Reisverslag. In Arabië zijn alte wonderlicke vele papegaeyen, zo datse de lieden van dien lande ghemeenlic rooven, ende hetense [eten ze op] ghelijcmen hier vincken oft musschen doet.

Een man ende een wyf ghecleet up zij boerssche ed. 1907 (circa 1500)

  • 190 (verzen 82-83). Rederijkersspel. Wijf tot Man: Mijn ooghskens zien claerder dan een vijncke, / Ja veel claerder dan een cauken van een craeijken ziet. Vink // scherp zicht.

 

[explicit 27 november 2016]