VIOOLTJE

 

1 Viooltje // Christus

 

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 139 (4de preek, regels 33-24). Prekenbundel. Violetten = de ootmoed van Jezus.
  • 183-187 (15de preek). In januari moeten de zusters elke dag een krans van violetten maken = de ootmoed van Jezus overwegen.
  • 249 (41ste preek, regels 6-8). Violetten = de ootmoed van Jezus.
  • 250 (22ste preek van de H. Geest, regels 27-29). Violetten = de ootmoed van Jezus.

 

2 Viooltje = Maria

 

Theophilus ed. 1960 (circa 1410)

  • 53 (vers 1220). Marialegende. Violette van oetmoedicheiden.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 203 (refrein 102, verzen 52-53). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Sonder sone waerdij off enighe smette / ontfaen mits tgodlyc toe doen reyn violette.
  • 302 (refrein 139, vers 16). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Schoon violette.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 57 (fol. 16r, vers 28). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Vyolette nette zonder smette oyndt bewaert.

 

3 Viooltje = bepaalde deugden

 

Sancti Eusebii Hieronymi Epistulae ed. 1991 (394)

  • 254-255 (Brief LIV, paragraaf 14). Latijnse brief (‘Ad Furiam de Viduitate Servanda’). Ondersteun weduwen en meng ze als viooltjes met de lelies van de maagden en de rozen van de martelaren.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 137 (Somerstuc, hoofdstuk 8, regels 167-168). Theologisch compendium. Fiole der stantachticheit.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 218 (27ste preek, preek van de H. Geest, regels 5-9). Prekenbundel. Gouden violetten = ootmoedige werken in het klooster.
  • 243-244 (19de preek van de H. Geest, regels 17-19). Violetten = diepe ootmoedigheid.
  • 246 (20ste preek van de H. Geest, regel 22). Violetten = diepe ootmoedigheid.

 

4 Viooltje = mooi en/of geliefd en/of gerespecteerd meisje (geldt ook voor vrouwelijke allegorische personages)

 

Orloy der ewigher wysheit ed. 1926 (XIVA)

  • 192 (regel 15). Stichtelijk traktaat. De ‘ik’ noemt de meisjes die hem in zijn jeugd verleidelijk toelachten alle die scone violetten.

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 303 (nr. 34, vers 1). Amoureus lied. Violette, zuver wit.

Triumphe ende ’t palleersel van den vrouwen ed. 1996 (1514)

  • 316 (vers 4). Kledingallegorie. Voer mijn vrouwe, die suver violette.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 124 (refrein 67, verzen 1-2). Amoureus rederijkersrefrein. Dvecht, iuecht, vruecht ende een salich iaer / wensch ic v mijn liefste vyolette.
  • 198 (refrein 108, vers 44). Amoureus rederijkersrefrein. Over de geliefde: Als violetten riekende soet van guere.

Cristenkercke ed. 1921 (1541)

  • 55 (vers 1292). Rederijkersspel. Selfs Goetduncken tot Vprecht Simpel Ghelove: mijn violette.

sMenschen Sin en Verganckelijkce Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 142 (vers 470). Rederijkersspel. sMenchen Sin over Verganckelijcke Schoonheit: Want ic heb nu die schone fiolette.

 

5 Viooltje plukken = ontmaagden (waarbij viooltje = maagdelijkheid)

 

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 125 (verzen 3541-3543). Rederijkersspel. De sinnekes waarschuwen Katherina dat zij haar eer zal verliezen als zij haar maagdelijkheid aan Dierick verliest: Merct violetkens, Ja die ghepluct zijn / Ende dan ghehandelt, Hoe sy bedruct zijn. / Jae en ongheacht zijn van jonghe sotten.

 

[explicit 29 januari 2017]