VISSOP

 

Uitdrukkingen met de termen vissop en Sint-Joris’ vissop komen in de laat-Middelnederlandse literatuur verscheidene malen voor, steeds in een erotische context. De herkomst van deze uitdrukkingen is voorlopig nog onduidelijk. Wel staat vast dat in de vijftiende- en zestiende-eeuwse beelding en literatuur de semantische velden vis / vissen / visser met sterke seksuele connotaties beladen waren. De toevoeging Sint-Joris is blijkbaar gebaseerd op de picturale en tekstuele topos Sint-Joris met de lans, waarbij lans een fallische metafoor is binnen het semantisch veld steekspel. Met Sint-Joris’ vissop wordt dan verwezen naar seksuele opgewondenheid, met de term vissop tout court naar vaginale secretie.

 

Het Nederlands-Latijnse woordenboek van Kiliaan geeft als verklaring voor ‘visch-sop’ liquamen piscium (= vissaus) [Etymologicum ed. 1974: 625].

 

1 Uitdrukkingen met vissop = vaginale secretie

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 203 (refrein 236, verzen 52-53). Verzameling rederijkersrefreinen. Een zot-erotisch refrein op de stok ‘Daer heb ic luttel sorghen voer’. Een ongeveer 15-jarig meisje klaagt tegen haar moeder over het feit dat zij nog geen seksuele omgang met een man heeft gehad. In het envoi wordt gesteld dat jonge meisjes ‘tegenwoordig’ veel te heet zijn: Tdunct hen al goet als sij haer begheert hebben / voer tveijnsterken daer sij tvissop wt ghieten. Dit refrein en deze verzen ook in Arnold Bierses ed. 1925: 28-29 (nr. VI, verzen 52-53) [tekstbron uit 1577-90] maar met varianten: Tes hun alleleins als syt gheneert hebben, / Voor tvinsterken daer sijt tweilssop uut ghieten. In plaats van ‘vissop’ dus ‘dweilsop’. Ook in een refreinenbundel uit 1590 komt het refrein voor [zie Coigneau I 1980: 168-169 (nr. 23)]. In een bijlage bezorgde Coigneau een kritische editie, waarbij hij in vers 53 kiest voor ‘tvissop’ [Coigneau I 1980: 214-215 (Bijlage II)]. RG 1959: 501, vertaalt hier: verliefdheid, geilheid (met vraagteken).

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 83 (nr. 71, strofe 10). Liederenbundel. Zot liedje over het overspel tussen een visser en een gehuwde vrouw in een badstoof: Dat vrouken was behendich / Si goot haer vischsop wt / Doen spranc die loose visscher / Ter hoochster veynsteren wt. Dit is de laatste strofe van het liedje. De voorlaatste strofe luidt: Maer doen si saten ende aten, / Doen quam haer eygen man. / Doen docht die loose visscher: / Hoe come ick nu van daen? Het begrip ‘eten’ vormt hier een sleutel voor een beter begrip van de laatste vier verzen. Wordt hier een soixante-neuf gesuggereerd (eten = fellatio + cunnilingus)? Vissop uitgieten = klaarkomen van de vrouw. Uit het hoogste venster springen = klaarkomen van de man in de mond (venster = vagina, dus hoogste venster = mond)?

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 198 (verzen 1288-1289). Rederijkersspel. Een sinneke zegt over de minzieke Dido: Waij! Mij dunckt datse mitten vissoppe so begooten is / Datse nauw vör en weet datse achter leeft! WNT VII1, 443, vertaalt hier: verliefd, minziek zijn.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 66 (strofe 10). Liederenbundel. Een visser gaat vissen op de Rijn, maar vindt niets te vangen dan een mooi meisje. Over het meisje wordt gezegd: Sy goot haer Vissop uyt.

 

2 Uitdrukkingen met Sint-Joris’ vissop = seksueel opgewonden zijn

 

De Blauwe Schuit ed. 1981 (XV)

  • 44 (verzen 124-133). Berijmde vastenavondtekst. Voert van den gueden vroukijns fijn, / Die gaern bi die guede ghesellen sijn / Ende die Venus dwinghet, die goddinne, / Ende gernen draghen verholen minne, / Is’t abdisse of nonne, / Die d’een bet dan d’ander gunne [genegen is], / Ende met Sinte Jorys vissop sijn beghoten: / Dese moghen den Scuten ghenoten [meevaren met de (blauwe) schuit], / Want si guede ghesellen beraden, / Als si mit commer sijn beladen. Vergelijk over deze passage ook ed. 1981: 63. WNT VII1, 442-443, vertaalt hier: van de min gekweld, met de minzucht bezocht zijn; verliefd, minziek zijn. RG 1959:501, vertaalt hier: een verliefde, amoureuze aard hebben.

Tghevecht van Minnen ed. 1964 (1516)

  • 45 (verzen 1-4). Berijmde ars amandi. De titelpagina van deze druk kondigt aan: Van Venus Ianckers ende haer bedrijven, / Hoe sy lopen ende rinnen, hem wasschen ende wrijven / Als si hebben die mutse onder die kinne geknoopt / Ende zijn in sint iorijs vissop ghedoopt. RG 1959:501, vertaalt hier: verliefd (of geil?) maken, zijn.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 71-72 (refrein 36, verzen 42-43). Verzameling rederijkersrefreinen. Een amoureus refrein, type ‘amoureuze klacht’, op de stok ‘Vrijen en dient den clercken niet’. Een verliefde, maar niet erg succesvolle jonge klerk zegt over zichzelf: Want besprinct begoten heeft sint ioris sop / Veruerliken doerscoten myn herschen cop. RG 1959: 501, vertaalt hier: een verliefde, amoureuze aard hebben.

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 16 (vers 449). Rederijkersspel. Een sinneke over de verliefde Dierick: Sint Joris vissop is tbier vercranckende. WNT VII1, 443, vertaalt hier: de min, de verliefdheid. RG 1959: 501, vertaalt hier: het staat er slecht voor, het is een belabberde boel.
  • 36 (vers 1035). Een sinneke over de verliefde Dierick en Katherina: Sy hebben sint Joris vissop ghedroncken. WNT VII1, 443, vertaalt hier: verliefd, minziek zijn. RG 1959: 501, vertaalt hier: (smoor)verliefd zijn.
  • 43 (verzen 1214/1220). Een sinneke zegt twee maal: Ey vissop vissop. RG 1959: 501, vertaalt hier: verliefdheid, geilheid (met vraagteken).
  • 117 (vers 3299). Een sinneke over Dierick: Sint Joris vissop hout u verevelt. WNT VII1, 443, vertaalt hier: de min, de verliefdheid. RG 1959: 501, vertaalt hier: gij zijt smoorverliefd.
  • 225-226. Noot van de tekstbezorger bij vers 449 en de andere hierboven geciteerde verzen. De uitdrukking slaat volgens hem op verliefdheid maar kan soms ook een obscenere betekenis hebben. Hij verwijst verder naar een episode uit de vita van Sint-Joris: tijdens de martelingen van de heilige moest deze kiezen uit twee dranken die de tovenaar Athanasius bereidde: de ene zou de drinker beroven van zijn zinnen, de andere zou hem doden. Misschien leidde die zinnenrovende drank tot de idee van het vissop.

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 80 (refrein 36, verzen 40-45). Verzameling rederijkersrefreinen. Amoureus refrein. Prince, wat wil ic van liefden gewagen? / Weer ghi oudt sijt oft ionck van daghen, / Haddi gesmaect van sint Ioris sope, / Ghi en sout ontsien steken noch slaghen, / Siecten noch plagen, mer zijn sonder versagen, / Haddi van liefden eenighe nopen. In de herdruk van 1640 (Antwerpen, Hendrick Aertssens) wordt ‘sint Ioris sope’ vervangen door ‘Cupidos sop’, wat niet alleen wijst op censuur (christelijke heilige wordt vervangen door heidense godheid) maar ook op het feit dat de uitdrukking te maken heeft met erotiek. Zie Doesborch I ed. 1940: XVIII. Commentaar van Kruyskamp: ‘In de 16de eeuw geliefkoosde uitdrukking ter aanduiding van de verliefdheid; de beeldspraak is nog niet verklaard; zie Ndl. Wdb. VII, 442 vg. En vgl. nog CXIV, 46’ [Doesborch I ed. 1940: 20]. RG 1959: 501, vertaalt hier: verliefd (geweest) zijn.
  • 208 (refrein 114, verzen 46-48). Vroed refrein. Over geile jongeren: Ick lache als hem sint ioris vissop wert gesconken / Ende si vanden teylbier worden puer droncken, / Lopende om gehuwet te sijn wacharmen. RG 1959: 501, vertaalt hier: ze worden smoorverliefd, dol van verliefdheid of geilheid.

Groot Labuer ende Sober Wasdom ed. 1920 (1530)

  • 266 (vers 42). Rederijkersspel van Cornelis Everaert. Groot Labuer zegt tot Sober Wasdom: Sytge met sint Jooris viszop beghoten?WNT VII1, 443, vertaalt hier: verliefd, minziek zijn. RG 1959:501, vertaalt hier: verliefd zijn.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 224 (nr. 192, strofe 2). Zot liedje over een Leuvens ‘clercxken’ dat verliefd is op een meisje: Hi slachte Vrou Venus knaepen. / Sint Iooris bisschop maecte hem nat. / Om in haer blanck armkens te slapen / Hi haer so vriendelijcke badt / Dwelcke si hem consenteerde. In zijn editie van 1941 (p. 128) corrigeerde W. Gs. Hellinga ‘bisschop’ hoogstwaarschijnlijk correct tot ‘vischsop’. WNT VII1, 443, vertaalt hier: verliefd, minziek zijn.

Spel van Charon (XVI)

  • ???. Ou, ghy jonge meyskens! … ghy de so tijelijck beghint te mutsene, dat ghy nauwe ghecropen sijt uyten doppe als ghy nat sijt van sint Joris soppe. Peynst om Medea: ghelooft die knechtkens niet. WNT VII1 443, vertaalt hier: verliefd, minziek zijn. RG 1959: 501, vertaalt hier: verliefd zijn.

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 607 (vers 97). Rederijkersspel. Werlt zegt over sMenschen Gheest: In sint joris vissop sal ick hem doopen. RG 1959: 501, vertaalt hier: verliefd (of geil?) maken, zijn.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 186 (vers 923). Rederijkersspel. Een sinneke zegt over de minzieke Dido: Hûe isse begooten met sint Poris soppe! Een latere druk heeft hier ‘S. Joris visch-soppe’. WNT VII1, 443, vertaalt hier: verliefd, minziek zijn. RG 1959: 501, vertaalt hier: verliefd zijn.

De Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 179. Rederijkerslyriek. In een amoureus refrein zegt de verliefde ikfiguur (een man): Met Senct Iooris vischzop vindic my bedropen, / Nauwe can ic ghespreken. WNT VII1, 443, vertaalt hier: verliefd, minziek zijn. RG 1959: 501, vertaalt hier: verliefd zijn.

Ulenspieghel ed. 1980 (1560)

  • 65 (verzen 117-121). Spotprognosticatie. Over de zomer: Als die lente uut is, ’s morghens naer de noene, / Beghint de somere met den heeten saysoene. / Dan mueghen die meyskens wel, die seer verladen sijn, / Henlieden in Sint-Joris vissop baden fijn. / Want door die groote hitte sal men dan seere sweeten. De commentaar van de tekstbezorgers bij vers 120: ‘Uitdr.: zicaan hun geile lusten overgeven. De herkomst van vele, vooral in de 16de-eeuwse literatuur aangetroffen uitdrukkingen met Sint-Jorisvissop (bijna altijd met sexuele implicaties) is nog steeds duister. Vgl. WNT 7, 442-3 en MRG, p. 500-1’.

Veelderhande Geneuchlijcke Dichten ed. 1977 (1600)

  • 158. Het satirische gedicht Van den Langhen Waghen dat allerlei afkeurenswaardige personen beschrijft, onder meer: Weerdinnen die haer ghasten gherief doen / Ende met sint Joris Vissop gieten. WNT VII1, 442, vertaalt hier: in de gelegenheid stellen om den bijslaap te plegen. RG 1959: 501, vertaalt hier: coire of gerieven (met vraagteken).

 

3 Uitdrukkingen met ‘sop’ (= soep, saus)

 

Piramus en Thisbe ed. 1965 (circa 1500)

  • 150 (verzen 434-435). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: Dus gaen wij ander amoureusen besluijpen / al souden sij vanden selven soope suijpen. Dit betekent: al zouden zij hetzelfde (nood)lot ondergaan. Voetnoot verklaart: ‘Soope = saus, vloeibare spijs’.

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 39 (verzen 1097-1098). Rederijkersspel. De allegorische personages Jonstige Zin en Natuurlijks Gevoelen zeggen: Natuerlic gevoelen doet veel dincx maken / Die tsop gheproeft heeft die weet hoet smaect.
  • 40 (vers 1149). Jonstige Zin zegt: Die dat ghesmaect heeft proeve vanden zope.
  • 125 (vers 3540). De sinnekes waarschuwen Katherina dat ze snel verstoten zal worden door haar vrijer Dierick: Met desen sope sult ghy begoten zijn.

Een sAnders Welvaren ed. 1920 (1511)

  • 53 (vers 32). Een wagenspel van Cornelis Everaert. Practyckeghe List wordt gezocht door Meest Elc: Want ter menegher baene, doet hy zyn zoopkin zieden.

sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 133 (vers 352). Rederijkersspel van Cornelis van Hout. De sinnekes gaan sMenschen Sin bedriegen. Manier zegt: Prûeft en eet nu al van onse soppe Voetnoot verklaart: ‘Soppe = vloeibare spijs’.

Seer schoone spreeckwoorden ed. 1962 (1549)

  • 6 (nr. 94). Spreekwoordenverzameling. Chair vielle faict bonne soupe / Oudt vleesch maeckt goede soppe. Tekstbezorger verwijst naar Harrebomée II 281.
  • 24 (nr. 408). Il se plainct de grasse soupe / Hy claecht ouer vette soppe. Oft aldus / Hy claecht van ghemake. Tekstbezorger verwijst naar harrebomée II 281 / I 228.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 51 (regels 5-6). Spreekwoordenverzameling. Sy sinnen altsaemen mit eener sop begote(n) / Ghelijck socht sijns ghelijck.

De Bruyne ed. 1925 (1579-83)

  • 19 (refrein 134, strofe 5, verzen 1-2). Verzameling rederijkerslyriek van Jan de Bruyne. Zot-erotisch refrein dat jongemannen aanspoort om niet te verlegen te zijn als ze een meisje tot seks willen verleiden: Wel liefken, sey ick, is dat beter dan beete? / Hoe smaeckt u dat sopken? Oft sydy te teere?

Monballyu 1977 (XVIB)

  • 272 (nr. 70). In de dorpskeure van Meulebeke (XVIB): niemand mag een riool laten lopen van zijn huis naar de straat om vloeistoffen of vuil water af te voeren. Concreet vermeld worden onder meer harynsop, vischssop. Men mag deze dingen ook niet met emmers of ketels op straat uitkappen.

 

4 Sint-Joris in verband gebracht met erotiek en scatologie

 

Die evangelien vanden spinrocke ed. 1910 (circa 1520)

  • E1v (zaterdag, 6de kapittel). Volksboek. Veel luden spreken van die witte febres die luttele weten wat si seggen si sijn quader da(n) dobbel quarteyne nochtans soe machmer af ghenesen met een soppe te maken in sint ioris vat. Met ‘witte febres (koorts)’ wordt hier hoogstwaarschijnlijk delirium tremens bedoeld, het gevolg van overmatig drankgebruik. Dirk Callewaert signaleert dat soppen ‘in sint ioris vat’ betekent: de liefde bedrijven, neuken [Die evangelien vanden spinrocke ed. 1992: 136 (noot 1)]. WNT VII1, 442, vertaalt hier: coire (met vraagteken) en geeft het Franse origineel. RG 1959: 501, vertaalt hier: coire (met vraagteken). SINT-JORIS // SEKS.

Paard van Sint-Joris (XVIA, 1590)

Coigneau wees op twee rederijkersverzen waarin mollige vrouwen vergeleken worden met het paard van Sint-Joris. In het handschrift A van Anna Bijns (XVIA) lezen we: Lisken die ghebilt was / als sint Jorijs peert. En in een gedrukte refreinenbundel uit 1590 wordt van een meisje gezegd dat zij gheborst en ghebilt als S. Joris heynst is. Zie Coigneau II 1982: 357 (noot 265). PAARD VAN SINT-JORIS // DIKKE VROUW.

Het Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 9 (verzen 76-78). Een satirisch rederijkersgedicht op dronkaards en vastenavondvierders die voorgesteld worden als geestelijken en edelmannen. De grave van Halfvasten hout oock zijn stede / Metten Ridder sint Joris, die heeft gheschent / Den vyerigen Draeck in Margrietens convent. Een dubbelzinnige, maar ook erg onduidelijke passage. Er was een klooster Margrietendale eerst bij, later in Antwerpen. Wordt met het convent misschien een bordeel bedoeld, of de vagina? Maar wat is dan die vurige draak?

Sint-Jorispoort (1580, Antwerpen)

In 1580 was de Antwerpse Sint-Jorispoort de herberg van het Schermersgilde. ‘De gevelsteen, ingemetseld boven de poort, was merkwaardig. Het was een romaans reliëf uit het begin van de 14de eeuw. De steen toont een naakte liggende figuur met opstaande en gekrulde ezelsoren en een open mond. Met zijn linkerhand trekt hij zijn kont naar voren waardoor de aarsholte duidelijk zichtbaar wordt. Een gaper langs twee kanten, een “montre-cul” met narrenkap uit de populaire zottencultuur wordt dus in verband gebracht met Sint-Joris. Deze militair met de fallische lans komt wel vaker voor in scherts met obscene of scatologische bijbetekenissen. De poort van Sint-Joris kan dus ook de kont van de heilige aanduiden: de gevelsteen zou daar dan de facetieuze uitbeelding van zijn geweest. Poort als “kont” komt vaker voor en vandaar ook Poortegale (Portugal) als stronttoponiem in carnaveleske teksten’ [Het Mandement van Bacchus ed. 1987: 94-95]. SINT-JORIS // ANALE FOLKLORE.

Braekman ed. 1986b (XVI)

  • 119 (nr. 30). Raadsels uit een Brugs, zestiende-eeuws handschrift. Welken is den profytighsten heyligen? / S. Jooris, want hy steeckt de lancie in het gat van den draeck, om den huyt gheheel ongeschent te bewaren, den welken aldus meer weerdigh is. SINT-JORIS // ANALE HUMOR.

Sint-Joris verslaat de draak (Gillis Congnet) (paneel, 1581)

Een paneel uit 1581 (Antwerpen, KMSK), geschilderd door Gillis Congnet voor de Antwerpse Gilde van de Jonge Voetboog. De voorstelling is mythologiserend en profaniserend en vertoont gelijkenis met De redding van Andromeda door Perseus. Het profaniserende karakter blijkt onder meer uit het feit dat de prinses naakt wordt voorgesteld. Volgens Leo Wuyts kan de mythologiserende invloed verklaard worden doordat de gilde zich tot het Calvinisme had bekeerd, waardoor zij Sint-Joris niet langer probleemloos als hun patroon konden blijven vereren. Zie Cat. Antwerpen 1992: 51 (cat. nr. 2).

Al Hoy ed. 1964 (circa 1600)

  • 7 (verzen 115-118). Tafelspel. Willeken en Buijcxken spreken over Ydellustken (die allegorisch verwijst naar wellust). Willeken: Ydellustken die speelt zijn spel al stommelinge, / die somtyts dommelinge comt va(n) desen quale. Buijcxken: Sint Joris si(e)cte, meendij? Willeken: Ja, ja, van wische male, / die de lancken doet stryken en wryven. Met ‘Sint-Jorisziekte’ wordt hier een geslachtsziekte bedoeld. SINT-JORIS // GESLACHTSZIEKTE.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 130 (strofe 2). Verzameling liederen. Een minnelied. De ik is begerig naar zijn geliefde: Met Venus douwen ben ick bespoeyt / Al met sint Ioris gheleyt / Dat [= daar] elck bloemken schoon en lustigh bloeyt / Wil ick my gaen vermeyen / Ja daer alle de wilde Vogelkens schreyen. SINT-JORIS // LIEFDE.

 

5 Zaken die de dubbelzinnigheden rond Sint-Joris kunnen helpen verklaren

 

WNT XXI, 1089-1090 verklaart vischsop (op zichzelf staand) als: aanduiding van de verliefdheid. Uitdrukking met Sint-Joris’ vissop dienen naar verluidt ‘ter omschrijving van (zotte) verliefdheid en van den coitus. (…) De uitdrukkingen zijn nog niet afdoende verklaard; zij berusten echter klaarblijkelijk eenerzijds op vergelijking van vischsop in eig. zin met teelvocht of het vocht van de vr. geslachtsorganen, anderzijds op de associatie van St.-Joris en zijn lans met de coitus (verg. eng. Riding St. George, St. George and the dragon als fig. uitdr. voor coire’. Mét verwijzing naar de draak-passage in Doesborch.

 

In zijn Rhetoricaal Glossarium verklaart Mak vischsop als ‘verliefdheid, geilheid’ (met vraagteken) en de uitdrukking met Sint Joris’ vis(ch)sop als betrekking hebbende op verliefdheid. Het verband van Sint-Joris met de ‘zotheid’ is nog niet verklaard. Mak wijst wel op de naam Jurjen, Jeurken (= Joris) voor een nar. [RG 1959: 501]

 

Herman Pleij [De Blauwe Schuit ed. 1981: 63] suggereert dat Sint-Joris met zijn paard en zijn lans zo’n potentie uitstraalde, dat hij aangegrepen werd voor vergelijkingen op erotisch terrein. Wellicht heeft hij gelijk wanneer hij stelt dat met Sint-Joris’ vissop het sperma van Sint-Joris bedoeld wordt.

 

De verklaring van Enklaar (vissop zou een volkse vervorming zijn van het rare, Latijnse woord hyssop uit Psalm 50: 9) lijkt niet erg aannemelijk [Enklaar 1940: 100-101].

 

Het zestiende-eeuwse heiligenspel Een scoon spel van Sanct Jooris [Hummelen 1 F 2] bevat niets dat de dubbelzinnigheden rond Sint-Joris zou kunnen verhelderen.

 

Kopergravure van Meester E.S. (XV)

In Bernhard 1980: 302, krijgt deze kopergravure de titel: Sint-Joris en de jonkvrouw na de doding van de draak. Deze gravure steekt vol erotische toespelingen: de rechterhand van Sint-Joris die onder een plooi van het kleed van de prinses gaat, ter hoogte van haar geslacht (het is de duim die onder de plooi gaat), de rechtervoet van Sint-Joris die onder het kleed van de prinses schuift, de linkerhand van Sint-Joris houdt bovenaan het schild (een vrouwelijk symbool) vast en maakt het vagina-gebaar, de linkerhand van de prinses houdt de helm (een mannelijk symbool) van Sint-Joris vast, de rechterhand van de prinses houdt met een vagina-gebaar de lans (mannelijk symbool) van Sint-Joris vast. Zie ook de bloemenkrans op het hoofd van de prinses. Maar gaat het hier wel degelijk om Sint-Joris en de prinses?

De leden van het Gilde van de Grote Kruisboog (Meester van de Mechelse Sint-Jorisgilde) (circa 1497)

Op dit paneel (Antwerpen, KMSK) [Vandenbroeck 1985: 84-90 (afb. 37)], gemaakt in opdracht van de Mechelse Gilde van de Grote Kruisboog, wordt de patroon van de gilde, Sint-Joris, uitgebeeld terwijl hij de draak doodt. Op de achtergrond staat de prinses met het lam. De prinses maakt hetzelfde gebaar als de op zijn hoofd in het water staande man in TM34: de handen tegen elkaar gehouden, met gekruiste duimen, ter hoogte van het geslacht. Blijkbaar was dit een bidgebaar. We treffen dit bidgebaar ook elders aan, onder meer in afbeeldingen van Sint-Joris.

Bijvoorbeeld in Prinses Cleodeline, een pentekening (circa 1480-90, fragment van een ontwerp voor een glasruitje), toegeschreven aan de Hausbuch-Meester (Dresden, Kupferstichkabinett) [’s Levens Felheid 1985: 259 (cat. nr. 127)]. Deze tekening is gebaseerd op een gravure van Martin Schongauer. Terwijl Sint-Joris de draak bevecht (niet afgebeeld op deze onvolledige ontwerptekening), staat prinses Cleodeline rustig de gebeurtenissen af te wachten. Om haar mond speelt een glimlach, met beide handen maakt ze ter hoogte van haar pudendum het bidgebaar. Hetzelfde bidgebaar ook in een burijngravure van Martin Schongauer [Cat. Parijs 1991: 104].

 

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 237 (refrein 131, verzen 12-13). Verzameling rederijkersrefreinen. Zot-erotisch refrein op de stok ‘Tsijn al maechden tot dat den buyck op gaet’. Thema: meisjes die een bruidegom zoeken nadat ze zwanger zijn geworden van een ander. Twee jongens bespieden een flirtend meisje dat beweert dat ze nog maagd is. De eerste strofe eindigt met: Ke al haddi den draeck op de knien sien steken, / Tsijn al maechden tot dat den buyck op gaet. Deze verzen lopen parallel met de laatste twee verzen van de tweede strofe (verzen 25-26): Ke man, al haddi den sluetel int slot gesien, / Tsijn al maechden tot dat den buyck op gaet. Hieruit blijkt duidelijk dat het ook in vers 12 om de coïtus gaat. ‘De draak steken’ is dus een omschrijving van de coïtus, waarbij ‘draak’ verwijst naar de vrouw. Een ‘draak op de knieën’ is dus een geknielde vrouw. Blijkbaar wordt hier dus gezinspeeld op de coïtus a tergo (seks op zijn hondjes). De beeldspraak rond het steken van de draak is meer dan waarschijnlijk gebaseerd op het steken van de draak door Sint-Joris. Vergelijk over dit refrein Coigneau II 1982: 320-321.

 

 

6 Neutrale info over Sint-Joris

 

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 209 (nr. 97, verzen 170-177). Lyriek. Gedicht over de drie standen in de wereld. Want ridderscap wart eerst ghevonden / By groter coenheit die si deden, / By doechden ende by edelheden, / Alsmen van Sinte Jorijs scrijft, / Die buten schulden wert ontlijft / Ende ghepijnt hier in sijn leven, / Nochtan en wildijt niet begheven, / Hi en hiltet zwaert altoes in eren. Nadruk op het zwaard!

Tvoyage van Mher Joos van Ghistele ed. 1998 (circa 1490)

  • 62 (Boek II, cap. 8). Reisverslag naar Nabije Oosten. Over Beiroet: Men zeyt dat Baruten in ouden tijden plocht een coninrijcke te wesene; heeft ghezijn redelic groot ende uutnemende steerc, zomen noch wel sien mach ande oude, vervallen ende ghedestrueerde edeficien. Inghelijcken zeidemen daer dat de coninc die vader was vander maecht, bij lote ghebuert metten lammekine den drake, die Sent Jooris verloste, daer plach te woonene, ende als noch sietmen daer eene maniere van eenen vervallenen casteele dat uutnemende groot ende steerc ghesijn heeft, an deen zijde vander stede staende, als noch wat steercten hebbende, daer de heydenen wake up houden, dwelc men met cleender dijnc wel fortifieren zoude, dat den voorseyde coninc plocht toe te behoorne.
  • 64-65 (Boek II, cap. 8). Uitgebreidere info over Sint-Joris en de draak. Op de plek waar Joris de draak overwon, deed de koning een kerk bouwen (nu nog slechts een klein kapelletje) want hij verstont dat Sent Jooris der Maghet Marien reynicheit belooft hadde ende mids dien an zijnder dochter niet huwen en zoude. De kerk was dan ook gewijd aan Maria. Op de plaats waar de prinses stond, deed deze laatste een klooster oprichten, waarin zij zich met een aantal maagden terugtrok om heel haar leven lang in kuisheid Maria te dienen.
  • 368 (Boek VIII, cap. 6). In de 15de eeuw was de gebruikelijke naam voor de Bosporus: ’t Canael van Constantinopolen of Sentjooris Aerm.

Dwonder van claren ijse en snee ed. 1946 (1511)

  • 17 (verzen 41-48). Gedrukte beschrijving van een sneeuwpoppenfestival in Brussel in 1511. Aen de Duyue stont, sighes vroedere, / De maecht, dlam, metten drake, / Ende Sint Ioris, haer behoedere, / Die sijn hoot verloos sonder sake. / Die coninck haer vadere was tonghemake, / Op sijn casteel ligghende hooghe; / Wt onghenoechten verloos hi sijn sprake, / In sijn hoot haddi niet een goey ooghe.

Bruer Willeken ed. 1899 (vóór 1565)

  • 219 (verzen 593-594). Rederijkersspel. Katyvighe beschrijft hoe de wereld op zijn kop staat door allerlei zonden en bedrog: Sint Joris gaet te voet met synen sweerde / En Sinte Christoffel reyt nu te peerde. Nadruk op zwaard.

 

Janssens 1959

  • 29. Tijdens de Sint-Jorisnachten lopen de heksen rond (23 april).

Van Autenboer 1962

  • 39. Het gevecht van Sint-Joris met de draak in een Mechelse processie/ommegang in de 15de eeuw.

Van Autenboer 1963

  • 112. Ommegangen in Bergen op Zoom, 1442 en 1470. Onder meer met Sint-Joris, zijn dienaar en de draak. De formulering die den draeck stack.
  • 124. Ook Sint-Joris in ommegangen te Breda, Heist op den berg?, Hoogstraten, ’s-Hertogenbosch en Turnhout rond 1500. Zie ook noot 82: biblio over Sint-Joris in ommegangen.

Rutgers 1972

  • 46. Sint-Joris was een specifieke ridder-heilige, kende geen algemene verering.

Burke 1990

  • 90. Gekuiste Engelse mummers-spelen werden opgehelderd door vergelijking met stukken over Sint-Joris uit begin 20ste eeuw in Thracië. Cfr. Bibliografie p. 281 voor een studie daarover uit 1906.
  • 132. Sint-Joris is een personage in Engelse mummers-spelen.

Brinkman 1997

  • 75. In de 15de eeuw werden spelen over Sint-Joris en de draak opgevoerd in Leiden en andere steden (in Delft reeds in 1438 een draak in een processie). In de 16de eeuw ook in Den Haag zo’ spel. Steden leenden elkaar hun draak uit.

 

[explicit 6 april 2015]