VLIEGEN

 

1 Overvlieger = overspelige persoon, bedrieger

 

Ghemeene Neerrynghe ed. 1920 (XVIA)

  • 443 (verzen 157-160). Rederijkersspel. Elckerlyc kritisch over ijdele, geile jonge meisjes en jongemannen. Deze laatsten worden genoemd: deis ouervliegherkins.

Mars en Venus ed. 1991 (1551)

  • 236 (vers 91). Rederijkersspel. Venus, bewonderend over Jupiter n.a.v. Juno’s verhalen over diens avontuurtjes: Way, dats een overvliegher. Overspelige echtgenoot.

Vanden .X. Esels ed. 1946 (1558)

  • 12 (vers 43). Volksboek. Al waer die man een ouervlieghere. Overspelige echtgenoot.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 212 (fol. 273v, vers 8). Rederijkerslyriek. Dusdaneghe ouervlieghers ende Pupstekers. Overspelige echtgenoten.
  • 230 (fol. 283v, verzen 3-4). Rederijkerslyriek. Nachthulen, ouervlieghers die gheerne prouuen / omme ionghe zoldermeeryekens besprynghen. Overspelige echtgenoten.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 214 (fol. 444r, verzen 12-13). Rederijkerslyriek, de bekende ‘adieu’: an Coram nobis houeken al was icker noydt / neem ick oorlof daer men douervlieghers castyd. Overspelige mannen.

Christum liefde bewijsen ed. 1993 (XVIB)

  • 67v (vers 514). Rederijkersspel. Vrouwelijk sinneke tot mannelijk sinneke: Wadt schulter Overvliegerken.

Jan Fijnart ed. 1998 (XVIB)

  • 10r(verzen 629-630). Rederijkersklucht. Een slachter over Jan: Hadden wij hem wij sillen doen gapen slem / en doen roupen papen hem, die overvliegere.

 

2a Vliegen = opgewonden zijn (positief-religieus)

 

Navolghinghe Ons Heren Ihesu Christi ed. 1954 (XVA)

  • 140 (Boek III, hoofdstuk 31, regels 2-3). Geestelijk prozatraktaat. Want also lange als mi enich dinc hout, so en mach ic niet totti vlieghen. / Hi begeerde vryliken te vlieghen die daer seide: ‘Wie sel mi geven vederen als der duven, ende ic sel vliegen ende rusten.

 

2b Vliegen = opgewonden zijn (pejoratief-religieus: gericht op zondigheid en aardse ijdelheid)

 

Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 99 (verzen 64-65). Rederijkersspel.Wellustige Mensch die geniet van de aardse ijdelheden, zegt: Ick en weet off ick op mijn hooft of op mijn voeten staen, / Ick vliege daer ick gaen, van grooter weelden.

Reyne Maecxsele ed. 1906 (1571-83)

  • 22 (verzen 413-414). Rederijkersspel. Vleesschelickheyt zegt: dies myn zinnen vlieghen, en dat ghewueghelick / om tfruut teeten hueghelick.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 116-117 (verzen 626-629). Rederijkersspel. De Verloren Zoon wil zijn jeugd gaan uitleven: Ach vlieghende gheest, wat zallick beghinnen? / Myn zinnen staen groene, ter vruecht gheneghen, / Den Quaden Wille raet my int herte binnen / Te volghene de zinnelickheyt, zoo jonghers pleghen.

 

3 Vliegen: restmateriaal

 

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 317 (refrein 87, strofe e, verzen 13-14). Amoureus rederijkersgedicht, liefdesklacht van vrouw: Al wilic onconstich vlieghen zonder vlercken, / Neempt dancklijc, lief, peynst, men vindt meer ronder clercken. Vliegen zonder vlerken = dichten zonder talent.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 4 (regel 20). Spreekwoordenverzameling. Hy wil vlieghen eer hy vloegelen heft.
  • 25 (regel 7). Hy wil vlieghen sonder vloegelen.

 

[explicit 10 maart 2017]