VOGEL

 

1 Vogel = man in erotische context, minnaar

 

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 73 (nr. XXXIV, verzen 48-51). Gedicht (‘Vanden goeden vrouwen’). Gheliken als die lichte morghen / verblyden doet die voghelkijn / soe mach een wijflijc beelde fijn / eens mannes herte doen verwecken.

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 76 (verzen 2143-2145). Rederijkersspel. Het sinneke Natuerlijck Ghevoelen over Dierick: Elck tuycht van dies hy heeft geploghen / Ghelijck elck voghelken zijnen sanck singt / Den minnaer om der liefster danck dingt.
  • 150 (vers 4251). Sinneke over Dierick: Ramp hebbe die voghele ick late hem springen.
  • 215 (verzen 6118-6119). Sinneke zegt: Want die te hooghe minnen moet / Men ontrooft hem den voghel uuten neste.

Het Zutphens Liedboek ed. 1985 (1537/40)

  • 60 (nr. 4, vers 25). Een amoureus lied (liefdesklacht): Ein ander die fogel ann (= gun) ich das nest. Bedoeld wordt: een ander mag haar (het meisje) hebben.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 14 (nr. 11, strofe 1, verzen 5-8). Amoureus lied. De ‘ik’ wil bij zijn geliefde zijn, maar dat kan niet altijd door de nijders: Ic wil mi gaen vermeyden / gelijc die vogel doet / als hi den wilden valc siet vlieghen / so verandert hem zijn bloet.
  • 89 (nr. 77, strofen 1-3). Amoureus lied. Een lansknecht die ’s nachts bij een meisje in bed kruipt, wordt vergeleken met een ‘klein wild vogeltje’.
  • 113 (nr. 97, strofe 4). Amoureus lied. Een ridder en een meisje gaan naar bed met elkaar, maar dan (strofe 3) wordt het ochtend: Wel op ridder coene / sprack dat meysken fijn / keert v herwaerts omme / mi wect een wilt vogelken. Neutrale verwijzing naar het zingen van de vogels ’s morgens of dubbelzinnig (wild vogeltje = fallus)?

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 266 (refrein 18, strofe 1, verzen 8-9). Zot-erotisch refrein over drie pelsnaaisters. Hun drie vrijers quamen gheiaecht / int huys, als voghels zeer quaet om timmen.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 228 (vers 2139). Rederijkersspel. Een sinneke over de vertrekkende Eneas: De voghele is uijten neste gheleijdt.

Al Hoy ed. 1964 (circa 1600)

  • 2 (vers 31). Rederijkersspel. Willeken over Ijdel Lustken (spottend): Wat doolvoghelken eest? Antwoord van Buijcxken: het is Ijdel Lustken, hoor je het niet aan zijn minnezang? Doolvogeltje = spotnaam voor iemand die geen vaste stek heeft (hier: in de liefde – Ijdel Lustken is een playboy).

 

2 (Vrije, wilde) vogel(s) = ongebonden, lichtzinnige persoon/personen

 

Consolatio philosophiae ed. 1990 (524)

  • 153 (Boek IV, 3de proza). Iemand die voortdurend van richting of bezigheid verandert, wordt als een fladderaar [origineel Latijn: avis] beschouwd. Vergelijk ook ed. 1981: 184-185.

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 100-101 (verzen 2843-28450. Rederijkersspel. Neve over Dierick: Tonghebonden voghelken dats mijn devijse / Mach int bosch wel vlieghen van rijse te rijse / Alst sonder cluystere aen den voet is. / Hier mach hy op peynsen die wijs ende vroet is / Vercoren nichte. Katharina antwoordt: Dat leg ick nedere: / Maer had ick mijn vlechte van hem wedere / Soo liet ick hem vlieghen van tacke te tacke / Al sou ick sterven van onghemacke.

Asotus Evangelicus ed. 1988 (1537)

  • 162 (verzen 517-521). Latijns bijbeldrama over de Verloren Zoon. Colax over de Verloren Zoon: Grote goden, / wat is hij toch een dolend jong, wat een vrije vogel (quam et indomita est avis). / Hij lijkt even frappant op een vogel als twee druppels melk / of water op elkaar. Dat zijn vader weg is, weet hij (denk ik): / olie op het vuur van zijn lichtzinnigheid.
  • 162-164 (verzen 525-530). Asotus zegt: Op een wilde vogel (avis fera) lijkt frappant / de wankele en dolende jeugd, / want als een vogel vliegt zij vaak heen / door de onoplettendheid van de bewaker / zodat hij hem nooit meer / lokken of vangen kan.

Leander ende Hero ed. 2002 (1621)

  • 93 (Spel 1, verzen 160-161). Rederijkersspel. Zoo de Voghelen gheern vlieghen op de tacken, / zoo vliecht de jonghe Ieucht gheern in’t wilde.

Suyp-stad ed. 1978 (1628)

  • 124 (vers 1105). Moraliserende rijmtekst. De dronkaards worden aangesproken: Her-uyt je Vogels, wilt van Geest.

 

3 Vogel = vrouw in erotische context, minnares

 

Pyramus ende Thisbe ed. 1965 (circa 1520)

  • 206 (verzen 85-586). Rederijkersspel. Het kamermeisje van de opgesloten Thisbe over Thisbe: Ghelijc tgevogelte de gayolen haet / is haer mispriselic mijn bewaren nauwe. Vogel in kooi = het verliefde meisje Thisbe.
  • 207 (verzen 609-611). Thisbe over haar verlangen naar Pyramus: Ghelijc den vogele naer tloer van ase snaect, / gheeren die oogen venus maniere wel, / boodtschap dragende als messagieren snel.

Sint Jans onthoofdinghe ed. 1996 (vóór 1552)

  • 82 (verzen 455-464). Rederijkersspel. Herodes’ gasten zingen een lofrefrein voor hem: zoals vogels bij zonsopgang door hun zang de mens verblijden, zo moet Herodes vrolijk zijn omwille van zijn vrouw.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 190 (vers 1041). Rederijkersspel. Anna, de zuster van Dido, zegt: Een voghel can quaelijck sijn nestken alleen maecken. Een vrouw (Dido) moet een man hebben.
  • 210 (verzen 1617-1618). De sinnekes tot Eneas: Beter eenen voghele in die handt / dan twee in die lucht, siet. Beter bij Dido (= de ene vogel) blijven, dan verder reizen naar Italië en niet weten wat de toekomst brengt.

Knollebol ed. 1980 (1560/61)

  • 89 (verzen 95-96). Spotprognosticatie. Over prostituees die kans lopen op geslachtsziekten: En dees speelvoghelkens sullen crijghen leepe ooghen / en druyperkens, clapoorkens sullen si moeten ghedooghen.

Joseph ed. 1975 (1565-66?)

  • 98 (verzen 403-404). Rederijkersspel. Quaet Ingeven (sinneke) over de geile vrouw van Putifar die net aan het woord is geweest met een refrein: Hoe quelt [kweelt] dat vogelken? Ist geboomt? / Bijlo neent, ick siet sitten op deerde.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 184 (strofe 12). Lied. Een arme man vrijt tevergeefs een rijk meisje: Die Vogel wort ghehaelt op ’t lest / Soo hout hy niet dan ’t lege nest.

 

4 Vogel(s) als onderdeel van amoureuze/erotische sfeerschepping

[Vandenbroeck 1989: 183-184. Vogels zijn topisch in de middeleeuwse minne-allegoriek. In de Rozenroman. In het Zutphens Liedboek (in dit laatste zijn ze als hinderlijk gekenschetst). In beelden met liefdesthematiek zijn vogels niet zeldzaam. Zowel een deftige, hoofse als een obscene, dubbelzinnige context is mogelijk.]

 

Die Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 2 (verzen 61-74). Allegorisch leerdicht. De ikverteller droomt dat het mei en lente is: hij legt een verband tussen het zingen van de vogels en de liefde. Die voglen singen menechfoude, / die dore des felles winters coude / hebben in bedwange gelegen, / die hebben nu te lange geswegen; / beide nachtegale ende calandren, / die papegay oec metten andren / die singen menegerande noten, / daer si sitten met haren roten. / In desen tiden souden minnen / die jonge lieden in allen sinnen / dore den oversoeten tijt, / die danne es in die werelt wijt: / hi es al te hart ende vol van nide, / die niet en mint in desen tide. Vergelijk ook het Franse origineel in Roman van de Roos ed. 1991: 22-23 (verzen 67-84 en 94-102).
  • 8-9 (verzen 467-480). De ik beschrijft de liefdestuin waar hij is aanbeland: Noit en was so suete stat, / no daer die vogle songen bat, / noch oec maecten meerre geluut; / daer was in joie ende deduut. / Van cruden, van boemen alle manieren / waren binnen dien vergiere. / Die stat sceen so lievelike, / dat man en es in erderike, / hine soude verbliden, ware hire bi; / ende ic selve, gelovets mi, / wasser af verblidet alsoe, / ende int herte worden soe vroe, / dat ik niet C (ponden) en name / vore dat ic daer binnen en quame. Vergelijk voor het Franse origineel Roman van de Roos ed. 1991: 33 (verzen 477-494).
  • 11 (verzen 618-627 / 647-654). De ik gaat over tot een wat meer gedetailleerde beschrijving van de vogels in de tuin, waarbij in het Franse origineel [Roman van de Roos ed. 1991: 37-38 (verzen 641-680 / 699-703)] hun zang vergeleken wordt met die van sirenen. De Middelnederlandse bewerking vertaalt hier losjes: Ine horde voglen noit singen bat / dan icse hore singen daer / met sueten stemmen ende claer, / dat ic des der waerheit lie, / dat nie so suete melodie / en was gehort van genen mensce, / dat ic daer horde wel te wensce. / Die vogle zanc, die daer was groet, / dede dat mi die herte verscoet / ende verblijdde altemale. (…) Sconen dienst ende sueten te waren / daden hem die vogle die daer waren / met sange van al te sueter minnen, / daer men delijts mochte vele bekinnen. / Hoge ende nedre met haren stemmen / daden si hare noten clemmen: / sueter no scoenre melodie / en horde man met oren nie. De vermelding van vogelzang ook in Tweede Rose ed. 1958: 95 (verzen 263-274). Vergelijk over de vogels (vooral over de koperwiek en de papegaai) in De Lorris’ deel van de Roman de la Rose ook Stuip/Vellekoop 1992: 146.
  • 13 (verzen 772-774). De kledij van Deduut wordt beschreven: Hi was gecleedt met samite, / dat met voglen was dore dregen, / die van goude waren geslegen.
  • 14 (verzen 836-839 / 846-860). De kledij van de God van Minnen wordt beschreven: Daer wel gewracht stoet binnen / vogle ende oec scildekine, / draken, lewen ende espentine, / vogelgripen ende luparden. / (…) Oec aren daer in gescakiert / van rosen menich scone blat, / daer menich vogel neven sat. / op thoeft stont hem een rosen hoet, / die hem wale ende scone stoet, / daer vogelkine ende nachtegalen / al omme vlogen altemalen, / beide al singende vort ende weder, / ende slogen al vliegende die blade nader, / dat si vielen in sinen scoet. / Daer was die bliscap harde groet, / want al bedect so was hi / metten voglen, gelovets mi, / die met groter sameningen / om hem allen te stride singen. Vergelijk Roman van de Roos ed. 1991: 43 (verzen 893-901).

Vanden Winter ende vanden Somer ed. 1946 (circa 1410)

  • 46 (verzen 21-27). Een abel spel. De Zomer zegt: Ic ben die somer ende doe singhen / die voghelkine inden locht, die bloemen springen / ende die loveren in den woude. / Ende beneme des winters coude. / Ic bringhe ons den soeten tijt / ende doe den menegen met jolijt / met sinen liefken spelen gaen.
  • 54 (verzen 148-151). Clappaert zegt: Daer twee ghelieve liggen ghedect / op een bedde al moedernaect, / daer wert wel grote vroude gemaect, / al en es daer ghenen voghelensanc.

Tghevecht van Minnen ed. 1964 (1516)

  • 64 (verzen 575-577). Berijmde ars amandi. Een klagende venusjanker in een amoureus refrein: O suete vogelkens schoon boven maten, / uut caritaten en wilt niet aflaten / Maer singt in velden in bosschen in straten.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 228 (refrein 60, strofe e, vers 13). Amoureus meilied. Elck vogelken vliegt bij sijn gaeyken te neste.
  • 316 (refrein 87, strofe d, verzen 13-14). Amoureus rederijkersrefrein. Gelijc de vogelkens in der muten (= in het verborgene) fluten, / Moet liefte secretelijc vol virtuten spruten.

Diversche Liedekens ed. 1943 (XVIb)

  • 54 (nr. XXIII). Amoreus lied. De ik vraagt aan Cupido: Laet haer dat ander cleen voghelkin mijn boodtschap draghen. Bedoeld wordt wellicht de nachtegaal.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 194 (verzen 1172-1173). Rederijkersspel. Een wachter zingt: Elck voghelken gheruchtich / laet hooren zijn gheluijdt.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 102 (strofe 7). Lied. Een lansknecht maakt een meisje zwanger: En gheeft ons Godt een Knape / Soo cleyne Knapelijn / Soo willen wy hem leeren schieten / Een cleyn wilt vogelkijn. Erotisch-dubbelzinnig?
  • 130 (strofe 2). Minnelied. De ik is geil: Wil ick my gaen vermeyen / Ia daer alle de wilde Vogelkens schreyen.
  • 149 (strofe 1). Natuurlied. De ik droomt over zijn/een lief: zij wandelen in een prieel vol bloemen waar veel vogels zingen. Er zijn cupieren (kauwen?), nachtegalen, goudvinken, wielewalen, kneutjes, roodborstjes, eksters, kraaien, koekoeken, papegaaien.
  • 149-150 (strofe 3). Idem. Allerlei vogels zijn in paren bij elkaar: pauwen en pauwinnen, roerdompen (petoren) en lepelaars, reigers, ooievaars, griffioenen, struisvogels, maar ook: de uil (den leelijcken snuyf) vliegt de kievit op zijn kuif en de valk valt de tortelduif aan. Verder veel patrijzen fazanten, reigers en kraanvogels. De arend zat het hoogst, de griffioen was daar jaloers op. Er zijn vogels die paren maar andere vechten (in erotische zin?).

 

5 Vogels in verband met erotiek

 

Van Altena ed. 1987 (circa 1200)

  • 33 (nr. II, cobla 3-4). In een anonieme Occitaanse ballade uit de periode 1100-1300: Laat ons nu naaien, zoete, fraaie vrind, / in ’t gras waar reeds de vogelzang begint. / Vooruit! Wat de jaloerse er ook van vindt… / Mijn God, de dageraad! Die komt te snel! // Kom, zoete vrind, wij spelen een nieuw spel, / de vogels zingen daarbij luid en fel, / voordat de wacht ons roept met fluit en bel… / Mijn God, de dageraad! Die komt te snel!

Brugman 1948a (XVc)

  • 232 (Preek 19, regels 207-210). In tot nonnen gerichte preek: een maagd moet steeds behoedzaam zijn. Al waert dat si niet dan doer den hof en ginghe, soe sal si haer ogen behoeden, dat si die niet te wildelijc op en slaen nae vogelen, of nae enigen dingen te sien. Want si mochte yet sien, dat haer scadelijc wesen mocht. Uit de verdere tekst blijkt dat het vooral om paargedrag van duiven en hanen gaat.

Asotus Evangelicus ed. 1988 (1537)

  • 192 (verzen 1139-1144). Latijns bijbeldrama over de Verloren Zoon. De Verloren Zoon pleit voor de wellust, de natuur is er immers op gericht: Waartoe immers heeft de natuur ons / een mond, een buik en andere lichaamsdelen verleend / als we daar op onze leeftijd niet van mogen genieten? / Elk woud krijgt loof, vogels broeden op hun / eieren, het vee is dartel en alleen de mens zal / geen deel hebben aan vertroosting en blijdschap?

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 346-348 (nr. 41). In het zotte rederijkersrefrein op de stok Hier om prys ick der spreukens sanck meest worden een aantal vogelgeluiden nagebootst om zo het spreekwoord elck voghelken singt nae dat ghebect is te illustreren. Dit geeft aanleiding tot soms poésie pure-achtige regeltjes, zoals ook in Coigneau II 1982: 319-320, wordt opgemerkt. Waar Coigneau echter niet dieper op ingaat, is dat de vogelgeluiden vaak een herkenbare betekenisinhoud hebben en dat deze een aantal malen op het erotische terrein ligt. De nachtegaal zingt ’s nachts: Steck steck, diep diep, avont en noene (steek steek, diep diep, ’s avonds en ‘s middags). De mees zingt: Tiet, tiet, wit, suscipe (borst, borst, wit, pak vast). De leeuwerik zingt: Lieben, lieben, lieben (Duits: beminnen, beminnen, beminnen). De hop zingt: Hop, hop, hop (behoeft wel geen verklaring). De roetaerd (Vlaamse gaai) zingt: Hanneken lact haer gat. Het uiltje (hubeken) roept: Cus, cus, ioep, ioep. De kleine vinken int wilde ruyt roepen: Den lieven, den lieven tyt, wient mach hinderen (misschien: pak vast het liefje, het liefje, wie het ook mag hinderen?). De specht roept: Wyf, wyf. De reiger roept: Quack, quack (volgens Etymologicum ed. 1974: 419, betekent ‘quack’ reiger, maar ook: vlees, het vleselijke). En de ganzen roepen: Craech af, craech af (nek eraf, nek eraf: een verwijzing naar het ganzenrijden?). Volgens Etymologicum ed. 1974: 259 (sub ‘kraeghe’), kon ‘kraag’ ook de bovenrand van een onder- of bovenkleed betekenen. Kan wat de ganzen roepen dus ook geduid worden als ‘kleed naar beneden’ (vrij vertaald: bloesje open, borsten bloot)?

De Jongh 1995a (XVII)

  • 25. Het erotische motief ‘vogel op de hand’ in de 17de eeuw: verband met onkuisheid. Afbeelding 3 = een gravure van Jacob Matham: de personificatie van de Libido (een halfnaakte vrouw naast een bok) draagt een vogel op de hand. Afbeelding 4 = een schilderij van Abraham Janssens: de personificatie van Lascivia (Wellust, een vrouw met ontbloot bovenlijf) heeft twee parende mussen op haar hand.
  • 28. J.C. Jagher, houtsnijder van de Nederlandse Ripa-uitgave, gaf Lussuria/Geylheyt weer met een vogel in de hand. Bij het origineel van Ripa is het een patrijs.

 

6 Vogel = fallus, penis

[Friedmann 1946: 178 (noot 67): (…) in everyday usage in the Italian idiom, small birds, frequently the nightingale, are mentioned in the sense of phallic symbols. The phallus is often referred to as ‘the little bird’. This usage is apparently not a modern innovation, but has a considerable antiquity.]

 

Maeterlinck 1907 (XV)

  • 35. ‘Dans un grand frontispice du XV° siècle présentant tous les caractères de l’art flamand, nous trouvons une satire encore plus risquée (manuscrit 4014 de la Bibliothèque Nationale de Paris, fonds latin). Elle représente une femme décochant une flèche dans la direction d’un grand Phallus volant, peint au naturel et orné d’un grelot. Outre ses ailes, l’étrange volatile est gratifié de deux pattes d’oiseau. Cette gauloiserie n’a d’ailleurs aucun rapport avec le texte intitulé: Epitres de Clément IV’. Deze passage wordt geciteerd in Bax 1979: 26.

Cat. Utrecht 1988 (XVa)

  • 81. Een carnavalsinsigne: een gevleugelde fallus (begin 15de eeuw). Fallus = vogel.

Cat. ’s-Hertogenbosch 1992 (XV)

  • 85. Vijftiende-eeuwse insignes uit Zeeland: onder meer fallussen met vleugels (‘vogels’ dus).

 

7 Het werkwoord ‘vogelen’ = coire

[Een duidelijke bewijsplaats voor de term ‘vogelen’ = jagen op vogels in Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937: 235 (Winterstuc, hoofdstuk 32, regels 763-769). ‘Vogelen’ wordt hier in één adem genoemd met ‘weyde-spil’ = jacht. Tekstbron uit 1404.]

[De Jongh 1995a. In de 17de eeuw konden ‘vogelen’/’vogel’/’vogelaer’ respectievelijk betekenen de coïtus uitvoeren/penis/hoerenbaas of hij die de coïtus uitvoert. Onder meer verwijzing naar woordenboek van Kiliaan (‘voghelen’) (24). ‘Vogelen’ in de betekenis van coire komt reeds voor in de vroeg-16de-eeuwse volksliteratuur (28). Voorbeelden uit de 17de-eeuwse literatuur en beelding waarin ‘vogelen’ = coire (28-32).]

[Coigneau II 1982: 276 (noot 72). Vogel = penis, vogelen = coire, met vindplaatsen en referenties.]

[Matt Kavaler 1986: 19 / 24 (noot 7). Over vogels in een erotische context bij Beuckelaer en Aertsen. De vogels roepen het werkwoord ‘vogelen’ op. De vogelkooi is de vrouwelijke tegenpool van het mannelijke beeld van de omhooggehouden vogel.]

 

Der naturen bloeme I ed. 1980 (circa 1270)

  • 242 (Boek III, verzen 2064-2066). Bestiarium. Over de kapoen: Hi et met hennen ghemene, / maer hine voghelse noch hine vecht / altoes niet om haer recht.

Sidrac ed. 1997 (circa 1320)

  • 770 (vraag 194, fol. 171rb, regels 13-15). Artestekst. De haan is de mooiste vogel: Ende so hi ouder wert so hi staerker wert na ziere naturen ende bet vogghelt.

Stooker/Verbeij 1992 (XVA)

  • 291. Deze auteurs wijzen op een alchemistisch recept uit een vroeg-vijftiende-eeuws handschrift (UB, Leiden). Het recept leert hoe men basilisken moet kweken door twee hanen onder de grond vet te mesten: Ende dan sullen si malcanderen voglen ende eyer legghen.

Een Man ende een Wyf ghecleet up zij boerssche ed. 1907 (circa 1500)

  • 195 (verzen 186-187). Rederijkersklucht. Wijf zegt: Van ghedopte eijers en crijghmen niet den snotere; / men voghelter wel af, dats dat ic prijse.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 116 (refrein 60, verzen 20-21). Zot rederijkersrefrein. Een dronkaard droomt van seks: Die selcke sit al schoon vrouwen en pryst / tscynt dat hyt al voghelen sal dat hulsel draecht.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 305 (refrein 29, strofe A, verzen 7-8). Vroed refrein: vermaning tot bekering, waarschuwing tegen wellustigheid. De weerelt gheeft quaet exempel blamelyc; / blamelyc eest met voglene tsyne verkeerelt.

Het Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 28 (verzen 669-670). Satirisch strofisch rederijkersgedicht. Over geile vrouwen: Die van haer mans willen scheyden als lacke dillen / om dat sy niet genoech genueselt en worden. G (de druk van 1615) heeft ‘genueselt’ vervangen door ‘gevogeld’. In Het Leenhof der Ghilden/Parafrase ed. 1950 (XVIB) lezen we ook: die van haere mans willen ghescheyden woerden omdat se niet genoech ghevoegelt en worden [37 (regels 20-21)].

Coigneau II 1982 (1590)

  • 315. Coigneau wijst op een zot rederijkersrefrein op de stok ‘dat het voghel-spel een ghenoechlijck tijtverdrijf is’ uit een gedrukte refreinenbundel (Amsterdam, 1590), waarin allerlei vormen van vogelvangen aan bod komen, met in het envoi ten slotte de metafoor vogelaars = hoerenlopers (waarbij duifje = hoer). Vergelijk ook Coigneau I 1980: 164 (NR3).

Etymologicum ed. 1974 (1599)

  • 633. Nederlands-Latijns woordenboek. Voghelen. Aucupari, aues consectari, quaerere, venari: & Inire, coire, rem veneream exercere: ab auium falacitate metaphora sumpta (vogels vangen, op vogels jagen, vogels trachten te pakken, jacht maken op vogels: & penetreren, gemeenschap hebben, venuswerk verrichten: een metaforisch gebruik gebaseerd op de geilheid van vogels). De Chapeaurouge 1984: 67, verwijst naar deze passage (in een latere druk: Utrecht, 1623) en noteert dat men dus mag aannemen dat het begrip ‘vogel’ een erotische connotatie verkregen heeft door het feit dat vogels in de vrije natuur, duidelijk zichtbaar voor iedereen, paren.

Het Leenhof der Ghilden/Parafrase ed. 1950 (XVIB)

  • 39 (regel 108). Ende die hoerkens daeghen dat sij se selfs voeghelen souden.

Verlaten Kennisse ed. 1992 (XVIB)

  • 113r (verzen 1056-1057). Rederijkersspel. Een sinneke, snerend over Verlaten Kennisse en diens toestand na de zondige onkuisheid met een zondige verleidster: Want dan tsal (lees: sal) tvogelen niet waert sijn een Luijs / en hij cunfuijs dan worden veracht.

Van Boheemen e.a. 1989 (XVIB)

  • 69. ‘Het wieden’, een gravure van Hieronymus Wierix naar Maarten van Cleve (XVIB): een man die met een kwakkelbeentje kwakkels vangt. De afbeelding heeft een erotische dubbele bodem, zoals het onderschrift aantoont (waarbij ‘voor’ = vagina).

De Jongh 1995a (XVII)

  • 22-23 (afb. 2). Gravure van Gillis van Breen naar C. Clock (begin 17de eeuw). Vogelkoopman met hand in broek en een dame met een dienster. Het onderschrift luidt: Hoe duur dees vogel vogelaer? Hy is vercocht” waer? / aen een waerdinne claer” die ick vogel tgeheele Jaer. De Jong signaleert: ‘Het werkwoord “vogelen” was in de zeventiende eeuw namelijk synoniem aan copuleren’. Wat De Jongh niet expliciet signaleert is dat de dame met de ‘vogel’ doelt op de penis van de vogelverkoper: zij vraagt (zie het eerste zinnetje van het onderschrift) of zij die vogel kan kopen.

 

8 Vogel = mannelijke persoon (meestal als invectief)

[Bax 1948: 60-61. Personen waar iets niet mee in de haak is, werden graag met vogels vergeleken: druit, eend, ekster, gans, geelsnavel, knuit, koekoek, kraai, kuiken, kwakkel, kwartel, markolf, plakker of plakkaard, robijn, schavuit, uil, winterkoning, wouter, wuiten. Ook pejoratieve uitdrukkingen zoals ‘mees-gaat-mee’ en ‘nachtegaalsgezel’. Bax geeft verder een hele reeks persoonsaanduidingen die op –vogel eindigen, met pejoratieve connotaties.]

 

Der minnen loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 252 (Boek II, verzen 3522-3524). Een ars amandi. Men moet niet alle vrouwen schuwen omdat er een aantal verkeerde dingen doen. Sommige mannen doen dat wel, zij zijn nijdige roddelaars: Mer menich voghel is so ghebecket, / al en saghe hi nymmermeer zwacke daet / hij songhe tallen tijden quaet.

Doctrinael des tijts ed. 1946 (1486)

  • 108 (hoofdstuk X). Moraliserende tekst. Context: dwazen verleiden tot gokspelletjes. Aldus weest versaemt ende eens, ghi twe of drie duertoghen vogels, simelerende mit woirden onnozel te sijn. In het originele Frans: deux ou trous gueux ruséz.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 51 (refrein 23, verzen 54-55). Zot rederijkersrefrein. Soort zoekt soort in de liefde: Vul claddekens cryghen ooc nae haer menen / dorre vogelkens of lichte scuijtkens.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 13 (Boek I, refrein 4, strofe b, verzen 7-8). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Elc vogel singt nu, nadat hij gebect es, / versmadende tgebot der heyliger kercken. Vogels = de lutheranen.
  • 51 (Boek I, refrein 14, strofe q, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Quaet is de saeyere en quaet saet saeyt hij. / Wildij den boom kennen, merct wel sijn vruchten, / so den vogel gebect is voorwaer so craeyt hij. Vogels = de lutheranen.

Colloquia familiaria ed. 1947 (1533)

  • 533. ‘Merdardus sive concio’. Levin: Aber was für ein Vogel war es denn, mit was für Federn war er geschmückt? Hilarius: Er sah ungefähr aus, wien ein Geier. Levin: Aus was für einem Käfig kam er? Hilarius: Er war ein Franziskaner.

Colloquia familiaria ed. 1967 (1533)

  • 408-409. ‘Ichtuophagia’. De slager over twee vrouwen die misbaar maakten toen ze een kanunnik zagen wandelen die niet volgens de regel gekleed was: Aber dieselben hatten oftmals dergleichen Vögel [aves eiusmodi] zechen, springen und singen gesehen, von anderen Dingen nicht zu reden, ohne dass sie davor Abscheu empfunden hätten.

Asotus Evangelicus ed. 1988 (1537)

  • 166 (verzen 578-579). Latijns bijbeldrama over de Verloren Zoon. Colax zegt: Of vind je me soms een dergelijke vogel (avis), / smeerlap, dat je met me dollen wilt?

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 185 (Boek II, refrein 24, strofe k, vers 1). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther: Kent desen voghel aen sijn plumen oock.
  • 186 (Boek II, refrein 24, strofe n, vers 12). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther en zijn volgelingen: De vogel moet quaet sijn, die dees kieckenen broedt.
  • 190 (Boek II, refrein 24, strofe x, verzen 9-11). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther en de lutheranen: Soo den ouden voghel heeft ghesonghen, / singhen oock ghemeynlijck de jonghen; / sij dansen so hen wert ghepepen.

dWerck der apostolen cap. 3, 4 en 5 ed. 1903 (XVIA)

  • 311 (verzen 20-21). Rederijkersspel. Valsch Propheet tot Schoon Ypocrijt: Wy sullen ons practijcken noch thoonen int leste / gelijcke vogelen trecken geerne tsamen te neste.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 209 (verzen 27-28). Vroed rondeel over het protestantisme: Met quaden secten selc nu zeer bevlect es, / Elc voghel singt na dat hy ghebect es.
  • 210 (verzen 1-3). Vroed rondeel over Luther en de protestanten: Een nieu voghelken moet singhen nieuwen sanc, / Want tsou gheerne een nieu gheoolken cryghen, / Dus locket de vincxkens duer zyn zoet gheclanc.
  • 230 (verzen 15-16). Vroed rondeel over de verwarde tijden op godsdienstig gebied (gericht tegen Luther en de protestanten): Wildy den boom kennen, aensiet zyn vruchten; / Zoe de voghel ghebect es, voerwaer, zoe craeyt hy.

Herenthals: proloog in Antwerpen 1561 ed. 1962 (1561)

  • 92-93 (verzen 108-110). Rederijkersproloog. Landen vraagt aan Dorpen of hem recent niet veel eer is gebeurd door de kooplui op verscheyden Schietspelen. Dorpen antwoordt: Sij hietense Speelvogels. Kooplui die profiteren van schuttersfeesten om zaakjes te doen? In elk geval pejoratief vanuit het perspectief van Dorpen.

De hel vant brouwersgilde ed. 1992 (circa 1561)

  • 6r (verzen 486-487). Rederijkersspel. Lucifers somt de zondaars op: Houtsaegers sijn eendeel lichte vogels tallen plecken / sij verdrincken som so veel als sij winnen. Lichte vogels = zondige dronkaards. Zie ook De hel vant brouwersgilde ed. 1934: 14 (vers 439).

Heynken de Luyere ed. 1920 (1582)

  • 33. Een kluchtig volksboek. Een monnik meent dat Heynken en diens maat niet uit zijn klooster afkomstig zijn: Ten zijn gheen Voghels van onser pluymen.

De Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 120 (vers 700). Rederijkersspel. De sinnekes over zichzelf: Wat stick vueghels dat wy zyn in alle onsen doene.

Goosen Taeijaert ed. 1938 (1594?)

  • 38 (vers 203). Rederijkersklucht. De vrouw van Goosen tot haar man: Ja vogel, wie gaff u daer toe consent.

De dove bitster ed. 2009 (XVI)

  • 102 (vers 85). Rederijkersklucht. Lippen Suermont over één van de drie vrijers van zijn meid: Had ik doch den eersten vogel metten pluijmen.

De propheet Eliseus ed. 1992 (XVIB?)

  • 74v (vers 1163). Rederijkersspel. Het ene neefken zegt over het andere: Hoort hoort hoe dit vogelken quelen can.

Verlaten Kennisse ed. 1992 (XVIB)

  • 116v (verzen 1377-1378). Rederijkersspel. Straatrover (= strafmiddel van God) tot slachtoffer (= zondaar): Jae vogel vinden wij u hier / in dit quartier, so meucht ghij wel beven.

Veel Volks begeert Vrede ed. 1994 (XVIB)

  • 81r (verzen 1299-1300). Rederijkersspel. Oorloch zegt: Dees ander vogels sullen wij in heur eijgen smout / braden Laet hooren wat Liedeken sullen sij singen.

Een Man en een Wachter ed. 1975 (XVIIA?)

  • 150 (verzen 19-20). Rederijkersspel. Een man zegt tegen een wachter: Elck voghel singt soe hij gebect is. / Tis goet te hooren aen v gheclanck. De man bedoelt dat de wachter een dwaas is die onverstandige praat verkoopt.

 

9 Vogel = vrouwelijke (zondige) persoon (pejoratief, invectief)

 

Der minnen loep II ed. 1846 (1411-12)

  • 96 (Boek IV, verzen 1301-1302). Een ars amandi. De vrouw (duif) moet het tegen de man (valk) afleggen (haar vederen verliezen): Een eerloos wijff, in onsen tael, / ghelijct den veerlosen voghel wael.

Coninck Proetus Abantus ed. 1992 (1589)

  • 13v (vers 578). Rederijkersspel. Elck vogeltjen singt so alst gebeckt is. Vogels = de drie dochter van de koning die zich zondig gedragen.
  • 17v (verzen 1010-1016). Over Lathona die Jupiter ongehoorzaam was en daarom in een vogel veranderd werd en in zee verdronk. Een voorbeeld van hoe zondig gedrag tot een slecht einde komt.

 

10 Zwarte vogel(s) // pejoratief

 

Van Velthem: Guldensporenslag ed. 2002 (1316)

  • 120 (hoofdstuk XXII, verzen 9-14). Geschiedkundig rijmtraktaat. Voorafgaand aan de Guldensporenslag van 11 juli 1302: Tekenen sachmen daer mettien / boven die Fransoyse gescien. / Daer vlogen swerte vogle met alle / die daer maecten grote gescalle; / ende boven die Vlaminge vlogen daer / witte vogels, dit was waer.

 

11 Zwarte vogel(s) = zondaar(s), zondige ziel(en)

[De Vooys 1926: 260. ‘De voorstelling dat de zondige ziel als een zwarte vogel uitvliegt, heb ik in de exempelen nog niet aangetroffen, maar ze heeft in de Middeleeuwen bestaan. Creizenach deelt in zijn studie over de “Legende van Judas Iscariot” mede, dat in een mysteriespel de dood van Judas voorgesteld werd door een zwarte vogel die onder het kleed van de speler verborgen was, te laten vliegen’.]

 

Walewein I ed. 1957 (circa 1250)

  • 169 (verzen 5840-8555). Berijmde Arthurroman. Zwarte vogels vallen in een vurige rivier tot over het hoofd en komen er wit weer uit. De vos Roges legt uit: het zijn zielen gebonden / ende besmet met vulen sonden. Zij baden zich, worden ‘schoon’ en kunnen dan de brug overgaan, naar de hemel. De vurige rivier is het vagevuur. Porteman e.a. 1996: 56-57 = de zwarte vogels in de Walewein zijn zondige zielen (met verdere bibliografie).

 

12 Vogel = zondige mens

 

De Ontrouwe Rentmeester ed. 1899 (circa 1587)

  • 130 (verzen 1462-1463). Rederijkersspel. Een sinneke over Tgroot Getal: Den voegel sal te seer verstouten. / Venus minlyck cauten brengt hem ten helschen val.

 

13 Vogel = menselijke ziel

[Timmers 1985: 43 (nr. 67). ‘Bij de opstanding van de doden, die steeds een onderdeel is van het Laatste Oordeel, zien wij soms hoe de zielen als vogels de doden in de mond vliegen (ivoor van circa 800 in het Victoria and Albert Museum)’.]

 

Der Byen Boeck ed. 1990 (1258)

  • 56-57 (Boek II, hoofdstuk 1, regels 50-53 / 1). Stichtelijk traktaat. Over de ziel van een Vlaamse dode in de slag bij Westkapelle in 1253: Ende de vrowe sechde vort ic ghetuge iv bi myner selicheit dat rechteuort do he den munt vp dede vmme den gheest te gheuen, vloech wt sinen munde mit wunderliken soten roke to hemele wert een vogelken van so groter schoenheit, dat ghin dinc in den creaturen em gheliken en mach.

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 92. Artestekst. Also isset ok wanner dat de sele scheydet uth dem lichame so vlucht see hyn also eyn vogel dat see vordenet heft.

 

14a Zwarte vogel(s) = duivel(s)

[De Vooys 1926. ‘Als zwarte vogels komen de duivelen aanvliegen om de zielen te halen, vooral als raven’ (p. 170). In een exempel zijn swerten voghelen duivels (p. 248). ‘Als de mens daarentegen verdoemd was, kwamen er duivelen in vreselike gestalten, soms ook als zwarte katten of zwarte vogels’ (p. 258). In een exempel zijn swarte rueke duivels (p. 293).]

[Bax 1948: 36. Zwarte vogels = duivels, n.a.v. een detail op het linkerluik van Bosch’ Lissabonse Sint-Antonius-drieluik.]

[Over duivels als zwarte vogels in Bosch’ Weense Laatste Oordeel-drieluik, zie Bax 1983: 206 (middenpaneel), 209-210 (middenpaneel), 237 (rechterluik), 268 (rechterluik).]

 

Wackers 1982 (XII)

  • 38 / 91 (afb. 1). Fol. 32 van de Hortus deliciarum (19de-eeuwse kopie van een 12de-eeuws vernietigd handschrift) stelt ‘Philosophia en de zeven vrije kunsten’ voor. Onderaan: dichters en tovenaars die niet de wijsheid noteren, maar wel leugens die duivels in de gedaante van zwarte vogels hen in het oor fluisteren.

Rijmbijbel II ed. 1859 (1271)

  • 500 (Nieuw Testament, hoofdstuk 43, verzen 23.357-23.358 / 23.369-23.370). Berijmde bijbelbewerking. De vogels (echter geen zwarte!) in de parabel van de zaaier worden geïnterpreteerd als duivels: Entie vogle dat ooc aten / datter lach bider straten / (…) dan coemt die duvel, diet ontjaecht / ende twoort uter herten draecht.

Colloquia familiaria ed. 2001 (1522)

  • 92. ‘De hemelvaart van Capnio’. Brassicanus beschrijft hoe de ziel van Reuchlin wordt gevolgd door duivels: Ver achter hem volgde een aantal vogels met pikzwarte pluimen die, als ze hun vleugels openspreidden, eerder vale dan witte veren toonden. Wat kleur en klank betreft leken ze wel eksters, behalve dat elk op zich zo groot was als zestien eksters. Ze waren zeker zo groot als gieren, met een kam op hun kop, gekromde snavel en klauwen, en een vooruitgestoken buik. Waren ze met zijn drieën geweest, dan had je kunnen denken aan harpijen. Vergelijk ook ed. 1947: 385, en ed. 1967: 130.

Haslinghuis 1912 (1583)

  • 53 (noot 1). In een paasspel uit Luzern, 1583: een duivel wordt verdreven uit een bezeten jongeling, de jongen laat een zwarte vogel uit zijn boezem vliegen.

 

14b Vogels = duivels

 

Speghel der Wijsheit ed. 1872 (circa 1400)

  • 22 (verzen 521-532). Allegorisch leerdicht. Maer als den cave ontwayt sijn coren / bi winters storme onghemate, / dan comen de voghelen ende lesent voren: / de mensche heeft daer of gheen bate. / Al dier ghelike so mach men micken, / als hoverde ende hare partie / den meensche anwayen sulke sticken, / dat hi vergheet de ziele vrie; / dan comt de duvel, dieze louwet / ghelike de voghelen daden tcoren; / als de doot den mensche blouwet, / bi quader wachte wort soe verloren.

 

15 Vogels // Laatste Oordeel

 

Antekerst ed. 1984 (1539)

  • E4v. Volksboek. Het 5de voorteken van het Laatste Oordeel: vogels zullen vergaderen, roepen en wenen en niet willen eten of drinken.
  • F1r. Die vogels zijn een vermaning aan de gulzigaards en de dronkaards.

 

16 Vogels als lijkenpikkers

 

Der ix Quaesten ed. 1980 (1528)

  • B3v. En sterfdi int velt so sullen v die vogelen eeten om dat ghi dootslach ghedaen hebt om eens anders goet en hebt dat beseten. Vogels die een lijk eten = iets verwerpelijks (de dode zelf wordt daardoor ook verwerpelijk).

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 62 (strofe 11). Lied. Vogels en raven eten terechtgestelden op het rad (vergelijk strofe 12).

 

17 Vogels // Zondeval

 

De Spieghel der Menscheliker Behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 20 (hoofdstuk II, verzen 249-252). Stichtelijk rijmtraktaat. Naar aanleiding van de Zondeval zijn de aarde, de natuur en de elementen de mens vijandig gezind: Ende die voghelen vander lucht / neemen anden mensche haer leiftucht. / Want vindzij doden tenigher hueren, / met becke, met nagle zijse scueren.

 

18 Vogels als onderdeel van wereldse ijdelheden

 

Dboec van Gods wraken ed. 1869 (1346-51)

  • 322-323 (Boek I, hoofdstuk 13, verzen 1038-1042). Leerdicht. Ic sach ghescreven teere stonden / dat perde, vogle ende honden / ende wive verteren tgoet / daer Cristus om storte sijn bloet / ende speelliede daertoe mede.

Pas der doot ed. 1936 (1528)

  • 119 (vers 678). Stichtelijk rederijkersgedicht. Over de weelde waarin de hoge clericus leeft: hij zal zijn bijzit moeten laten, sijn beschilderde cameren, voghelen, solaesen. Is ‘voghelen’ hier dubbelzinnig voor coire? Het origineel Frans heeft echter ‘ses oysiaux’!

 

19 Vogels // meivreugde, onderdeel van locus amoenus

 

Het Geraardsbergse handschrift ed. 1994 (1460-70)

  • 132-133 (nr. 87, verzen 45-49). Gedicht over de maanden. Over februari: op Sint-Valentijnsdag kiezen de vogels in het woud hun partner na de lange winter: Vp dien dach kiesen de voghelkine / hare ghenoeten jnden woude / die hebben van des winters coude / langhen tijt ghehadt zware plaghen.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 154 (verzen 7-13). Rederijkersspel. De proloogspreker Rhetorijckelijck Gheest zegt: Ghelijck de voghelen der lucht abundant / inden meij plaisant / hör verjubileeren naer des tijts ghewente, / tsghelijcx ick, Rhetorijckelijck gheest triumphant, / raepe solaes en verstandt / dör u, suijvere, eerbaer excellente, / o rhetorica, wijse, eloquente!

 

20 Vogels // religieuze, stichtelijke context

 

Dat Rijcke der Ghelieven ed. 1978 (circa 1330)

  • 118-120. Mystiek traktaat. Over allegorische vogels. Vogels = werken met onderscheid verricht. Vogels op aarde = zij die met hun aardse goederen de armen helpen. Vogels in het water = medelijden en barmhartigheid t.o.v. mensen in nood. Vogels in de lucht: zichzelf in acht nemen en leven zoals het hoort.

Het Geraardsbergse handschrift ed. 1994 (1460-70)

  • 81-84 (nr. 66). Allegorisch gedicht over de boomgaard van deugden, met zeven allegorische bomen, bloemen en vogels. Nachtegaal = snel doen wat God wil, arend = de ogen van de ziel zijn steeds op God gericht, fenix = God niet eren omwille van beloning maar omdat men Hem bemint, tortelduif = in eenvoud alle deugden beoefenen, pauw = God eren door deugden, pelikaan = houden van Christus, leeuwerik = wie God bemint, gaat later naar de hemel.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 19 (refrein 144, verzen 92-93). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Over de dingen die Maria verheugen (lucht, rivier, bomen … ), allegorisch geduid: Den sanck der voghelkens soet gepaert / es der inghelen jolyt in vruechden.

 

21 Wilde vogels die gemoedelijk omgaan met heiligen of vrome personen

 

Vita Beatricis ed. 1993 (XIIId)

  • 150 (paragraaf 242). Latijns heiligenleven over Beatrijs van Nazareth. Soms kwamen grotere en kleinere wilde vogels uit hun schuilplaatsen in de bossen naar haar gevlogen en gingen heel tam op haar schoot zitten. Ze floten zachtjes voor haar, en met nieuwe en ongewone vogelenzang en uitingen van gelukwensen lieten ze blijken dat deze uitverkoren dienares van God niets had uit te staan met de wreedheid waardoor diertjes en vogeltjes van deze soort heel natuurlijk bang zijn voor andere mensen.

De Reis van Jan van Mandeville ed. 1908 (XIVB)

  • Kolom 50 (regels 8-22). Reisverslag. In een klooster aan de voet van de Sinai brengen vogels (raven, kraaien, spreeuwen, … ) op miraculeuze wijze één maal per jaar olijftakken naar de monniken die er olie van maken.

 

22 Vogels = engelen

 

Legenda aurea II ed. 1993 (circa 1260)

  • 313. Vogel = engelbewaarder, vogels = engelen.

 

23 Vogel // snelheid

 

Ferguut ed. 1982 (circa 1250)

  • 82 (vers 1099). Berijmde Arthurroman. Men brengt Ferguut een paard dat snel was alse een vogelijn.

Walewein I ed. 1957 (circa 1250)

  • 108-109 (verzen 3660-3661). Berijmde Arthurroman. Over het paard van Walewein: Sijn paert was dapper ende snel / ende vlooch ghelijc enen voghele.
  • 281 (verzen 9404-9405). Walewein springt op zijn paard: Up Gringolette ghelijc enen vogle / spranc der Walewein na dat.

De sacramente vander Nyeuwervaert ed. 1955 (circa 1500)

  • 162 (verzen 642-643). Mirakelspel. Saracenen smalend tot christenen: Al waerdi licht als een vuegele / ghij en cont niet wech.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 142 (refrein 74, vers 22). Vroed rederijkersrefrein. Over lepe hazen/lepe geesten = bedriegers die altijd uit zijn op voordeel en snel als hasen of voghels vlieghende.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 205 (vers 1463). Rederijkersspel. De god Mercurius noemt zichzelf snel als een voghel.

Heynken de Luyere ed. 1920 (1582)

  • 18. Een kluchtig volksboek. Een vent achtervolgt Heynken en zegt: Hy en sal my nu ontvlieghen connen / al waer hy eenen voghel oock met veel veeren.

 

24 Vogels moeten vliegen // mensen moeten arbeiden

 

Die Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 114 (deel IV, hoofdstuk 28, verzen 8943-8945). Zondenspiegel. Bij ‘Traechede’: Die mensche is geboren daer toe / dat hi in erdrike pine doe, / als vogelen sijn gemaect om vlieghen.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 384 (Winterstuc, hoofdstuk 49, regels 185-186/188-191). Theologisch compendium. Christus zei tot de apostelen: Die vogelen inder lucht, die en sayen noch en mayen, iu Vader die voetse. (…) Die Glosa op dit pas seit, dat God verbiet ons die tijtlike sorchvoudicheit, mer hi en nymt ons niet of die lichaemlike arbeit, want een mensche is daer-toe geboren, als een voghel te vlieghen.

Brugman 1948a (XVc)

  • 184 (Preek 16, regels 35-38). Dat derde, dat ons trect totten arbeyt, is die scriftuer. Als job seit: ‘Die mensche is geboren tot arbeyt, als die vogel is te vliegen’. Ende sinte pauwels seit: ‘Die niet en arbeyt, die en sal niet eten’.

Siecke Stadt ed. 1917 (1539-64)

  • 43 (verzen 1211-1212). Rederijkersspel. Wijse Beraedige zegt: Gelijck een voegel tot vliegen is gemaect, moetij ter noot weeten, / is den mens geboeren tot arbeijen, al moet mensen groot heeten. In de marge staat: Job 5.

tCloen van armoe ed. 1967 (XVIA?)

  • 72 (verzen 494-496). Rederijkersspel. Wel Bedegen geeft de moraal van het spel: Als een vogel hem verfraeijt en vliecht henen en hem niet en quelt, / soe heeft godt den mensch tot arbeijden gestelt. / Hoe welt u sinnen quelt, weest patientich.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 113 (fol. 380v, verzen 24-25). Rederijkersgedicht. Zoo hem vpheefen om vlieghen de vueghelkens ziet / es de menssche gheboren tot aerbeydt int leuen. In marge: Iob 5 / Ad thes 3.

Veldman 1992 (1572/1579)

  • 230. Een prent van Hieronymus Wierix uit 1579 (Man born to toil) beeldt uit: vogels zijn geboren om te vliegen, de mens om te werken. In een onderschrift een verwijzing naar Job 5: 7.
  • 230-231. Idem in de eerste gravure uit een reeks van zes (The reward of Labor and Diligence) uit 1572. Gepubliceerd door Philips Galle naar Maarten van Heemskerck.

Jonstige Minne en Boerdelick Weesen ed. 1998 (XVIB?)

  • 171v (verzen 263-264). Rederijkersspel. Jonstige Minne zegt: Job seijt Den mensch is tot arbeijen gebooren / als een vogel wilt hooren, tot vliegen altijt / tis die Maledixie van adam, des seeker sijt.

Veel Volks begeert Vrede ed. 1994 (XVIB)

  • 67v (verzen 3-6). Rederijkersspel. In de proloog: Dalmogende goodts handt om te Loven sijn naem / bequaem tmenschelijcke geslacht heeft gemaect uuijt niet / tgebiet is voorts, als Den vogelen tot vliegen / ten arbeijt soo Lang men Leven.

 

25 Vogels // vrolijke armoede

 

Sancti Eusebii Hieronymi Epistulae ed. 1991 (circa 400)

  • 130 (Brief XXII – Ad Eustochium, paragraaf 31). Latijnse brief. Zorg niet om eten en kleding. Kijk naar de vogels: zij maaien en zaaien niet en God voedt hen (vergelijk Mattheus 6: 25).

Seneka leren ed. 1895 (XIV?)

  • 19 (verzen 366-377). Leerdicht. De vader legt uit: armoede bevrijdt de mens. Hij moet geen schrik hebben van rovers. Rijken hebben vaak verdriet omwille van hun bezit. Bekijk de vogels in het woud: zij verzamelen geen goederen en zijn toch speels en blij.

 

26 Vogels die hun veren opzetten / agressiviteit

 

Walewein I ed. 1957 (circa 1250)

  • 76 (verzen 2483-2485). Berijmde Arthurroman. Waleweins strijdmakkers krijgen weer moed door het dappere optreden van Walewein: Ende dandre verdroughen hare zwaerde wedere / ghelike dat vogle doen hare vedere / ghenendelike metten armen.

 

27 Vossen hebben holen, vogels hebben nesten (Mattheus 8: 20 / Lucas 9: 58) (bijbeltopos rond het streven naar vrijwillige armoede)

 

Sancti Eusebii Hieronymi Epistulae ed. 1991 (384)

  • 100 (Brief XXII – Ad Eustochium, paragraaf 21). Latijnse brief. Pleidooi voor de maagdelijkheid, tegen het huwelijk en het gehecht zijn aan wereldse zaken. For no soldier takes a wife with him when he is marching into battle. Even when a disciple was fain to go and bury his father, the Lord forbade him and said: ‘Foxes have holes and the birds of the air have nests: but the Son of Man hath not where to lay his head’ [vulpes fovea habent et volucres caeli nidos; filius autem hominum non habet, ubi caput reclinet]. So you must not complain if you are scantily lodged. ‘He that is unmarried careth for the things that belong to the Lord, how he may please the Lord: but he that is married careth for the things of the world, how he may please his wife. There is a difference also between a wife and a virgin. The unmarried woman cares for the things of the Lord, that she may be holy both in body and spirit; but she that is married cares for the things of the world, how she may please her husband.’ Voor het eerste citaat, vergelijk Mattheus 8: 20, voor het tweede vergelijk I Corinthiërs7: 32-34. Vossenholen en vogelnesten worden hier geassocieerd met de aardse ijdelheden.

Sinte Franciscus leven ed. 1954 (circa 1275)

  • 132-133 (verzen3472-3480). Heiligenleven. Over Sint-Franciscus: Dicken, als hi soude doen / van armoeden .i. sermoen, / brochti zinen broeders vort / van der ewangelien dit wort: / ‘Die vosse ebben hole ter vlucht, / entie vogelen vander lucht / ebben neste, also men siet; / des menscen zone ne hevet niet, / daer sijn hooft up leinen mach’.

Van den levene Ons Heren I ed. 1968 (XIII)

  • 19 (verzen 370-373). Een Jezusleven. Over de kerstnacht. Het Christuskind lag in een kribbe: Elc voghel heeft sinen neste / beyde wilt ende tam daer hi in rest / maer de godsone de heylighe kerst / ne weet niet waer hi des eerst nachts rest. Volgens een aantekening [p. 200] is dit een toepassing van Mattheus 8: 20: ‘Vulpes foveas habent, et volicres coeli nidos: filius autem hominis non habet ubi caput reclinet’. Zie ook Van den levene Ons Heren ed. 2001: 48 (verzen 370-373).

Vanden XII beghinen ed. 1980 (XIV)

  • 252. Mystiek traktaat. Ruusbroec bespreekt de drie kloostergeloften (armoede, zuiverheid, gehoorzaamheid). In verband met de gelofte van zuiverheid wordt verwezen naar Christus’ levenswandel: Hy wandelde in sinen gheeste, ende versmaedde sijn sinlijcke leven ende neyghinghe der natueren, die nochtan sonder zunde es. Ende hieromme sprac Hi: ‘Die den wille mijns Vaders doet, hi is mijn moeder, mijn suster ende mijn broeder’. Ende op eene andere stat: ‘Die vossen hebben haer hole, die voghele hebben haer neste; des menschen Sone en hevet niet daer hi sijn hoot ane lenen mochte’. Hi verdroech hongher ende dorst, hitte ende coude; ende Hi ghedoechde alle dinc, saechte ende oetmoedich als een lam, om onse sunden ende om de eere sijns Vaders.

Piers the Ploughman ed. 1980 (XIVd)

  • 246 (Book XX). Stichtelijk-allegorisch traktaat. De pelgrim Piers ontmoet het allegorische personage Need (Behoefte). Deze houdt een pleidooi voor vrijwillige armoede en verwijst daarbij naar de woestijnkluizenaars uit de vroege christenheid: But Need resembles God in this, that it humbles a man in a moment; for when he lacks the things he needs he becomes as meek as a lamb. That is why the wise men of old gave up prosperity and refuesed riches, preferring to be needy and dwell in the wilderness. And so God himself, forsaking all the spiritual riches of Heaven, came and took man’s nature, and became needy. He was so poor (as the Scripture tells us in many places) that He spoke these words in His agony on the Cross: ‘The foxes and birds can creep and fly to their coverts, / and the fish have fins swiftly to dart to their rest; / but Need has held me here; here must I needs abide, / and suffer sorrows most sore, that shall turn to joy’. So do not be ashamed to beg and be needy, for He who created the world chose to be so; no one was ever so needy as He, or died in such poverty.

Tleven Ons Heren Jhesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 93-94. Een Jezusleven. Jezus tot de schriftgeleerden: Ende dien scriben, die hem volghen woude, op dat hi leren mochte teyken doen tot sijnre winninghe ende tot ydelre glorien, dien versmade hi ende seide hem: ‘Die vossen hebben hoelen ende die voghelen des hemels nesten, mar des menschen soen en hevet niet, daer hi sijn hoeft op neyghen mach’. Ende enen anderen gheboet hi sonder merren hem na te volghen ende en liet hem niet sinen vader begraven.

tReyne Maecxsele ed. 1906 (1571-83)

  • 45-46 (verzen 964-971). Rederijkersspel. Troostende Surcoes (Troostende Hulp, een helpster) tot tReyne Maecxsele (de ziel) over Christus: Voortgaende in alle doorpen ende oock steden / heeft hy prekende gheleerdt tEuangelium der vreden / ghenesende jnt volck alle cranckheyt en onghezonden / als warachtich werkcman in zyns Vaders oest bevonden / altyts diligenterende zondere of legghen / zoo dat hy met goeder rechten mochte zegghen: / voghels hebben nesten dieren hollen naer huer bedusten / en sMenschen Zoone heeft niet een steen om zyn hooft rusten. Context = het leven in vrijwillige armoede. Vergelijk de iets vroegere passage [p. 45, verzen 956-9858], over Christus: Ende daer naer moeten reysen als aerme creatuere / van lande te lande met zeer grooten labuere / baervoets bloots hooft odmoedich vul ghenaden.

Wie haer op troost verlaeten ed. 1992 (XVIB)

  • 131v (verzen 936-942). Rederijkersspel. De duivelse hoer Werrelt tracht Beswaerde Consiencie te verleiden met rijkdom en macht. Volgens haar kunnen Post der Genaden (= Johannes de Doper) en Troost der Schriftueren (goede raadgevers van Beswaerde Consiencie) alleen maar van armoe spreken. Beswaerde Consiencie antwoordt echter: Sulck exempel heeft mij christus niet gelaten / de rijcksten de machtichsten wilt dit weten / heeft hier selffs ootmoedich geseten / de vogelen des Luchts hebben haer nesten al / de dierkens haer hoolen int secreten / maer smenschen soon had niet op te rusten in dit dal.

De Hoecksteen ed. 1993 (XVIB)

  • 112v (verzen 772-775). Rederijkersspel. Dinspiratie zegt: De vossen hebben holen tis claer bevonden / die vogelen des Luchts die hebben nesten / maer des menschen soon de rijckste den besten / en had niet daer sijn hooft op mocht net rusten.

 

28 Vogelnest

 

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 1 (nr. I, verzen 47-53). Gedicht (‘Van den testament’). Ende elkerlijc doet zijn best, recht als die vogel draecht ten nest, om voele te plucken, om voel te rapen, / die mogen wel onsachte slapen, / wisten si tloen dat hem sal boeren, / als die doot tot allen doren / comen is om dlijf te panden. Vogel die nest bouwt en allerlei materiaal daarvoor verzamelt // hebzuchtige mens.

 

29 Vogels in spreekwoorden

 

Proverbia communia ed. 1947 (circa 1480)

  • 50 (nr. 135). Spreekwoordenverzameling. Beter eenen voghel ondert net dan .x. in de lucht.
  • 52 (nr. 148). Cleen voghelkens hebben cleene nestkens.
  • 66 (nr. 307). Die scarrende voghel braet snel ende die swemmende lancsem.
  • 76 (nr. 435). Jonghe voghelen hebben weeke becken.
  • 90 (nr. 589). Openbaer netten scuwen alle voghelen.
  • 94 (nr. 632). Ten vloech nye voghel so hoge hi en socht sijn aes an die aerde.
  • 98 (nr. 677). Tes een vuyl voghel die sinen nest onreynt.

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 98 (verzen 2766-2767). Rederijkersspel. Neve zegt: Daer moet eenich voghelken zijn int dack / Sonder reden en spreectmen sulcken woorden niet.
  • 135 (vers 3805). Dierick wil terug naar Middelburg: Het vogelken is gheerne daert gebroet was.

Edingen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 580 (vers 121). Rederijkersspel. Mensche vraagt aan Schriftuere wat hij verkeerd doet: Maer men kent den voghel best an zijn vlaercken.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 17 (verzen 389-392). Rederijkersspel. Het sinneke Hertnackich Herte ontvouwt een plan om weer succes te behalen. Het ander sinneke vraagt: welke raad is dat? Goede raad zou het hart weer voeden want die voghelkens zijn garen daerse ghebroet zijn. Men kan zijn oude gewoonten (hier: zonden) niet laten.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 4 (regel 12). Spreekwoordenverzameling. Het is een recht spotvoeghel.
  • 68 (regel 29). Cleyne voegelkens hebben cleyne nesten.
  • 69 (regel 3). Men siet wel an die veederen / wat Voeghel dattet is.

 

30 Restmateriaal

[Wijsheid 5: 11. Het leven van de mens is vergankelijk / de vlucht van een vogel laat ook geen teken na.]

 

Fabulae ed. 1985 (XIIIb)

  • 78 (nr. 14). De vogel van Sint-Maarten = a small wren, leeft in Spanje.

De Reis van Jan van Mandeville ed. 1908 (XIVB)

  • Kolom 144 (regels 26-28). Reisverslag. In India voorspelt men de toekomst aan de hand van de vlucht van vogels.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 66 (Winterstuc, hoofdstuk 14, regels 116-117). Theologisch compendium. Over fysionomie: Die mensche, die daer sprect als voghelen roepen, is gaern wandonckich of begripel.
  • 212 (Winterstuc, hoofdstuk 32, regels 181-183). Over het 2de gebod, vloeken: Salomon seit: als een voghel hoge gevloghen ende neder ghedaelt, also is een vloeck op den genen hoofde die en spreect.

De Coo 1975 (circa 1500)

  • 89-90. Vogels op Zuid-Nederlandse beschilderde houten borden.

De Stove ed. 1944 (XVIa)

  • 173 (vers 657). Strofisch rederijkersgedicht. De ikverteller vraagt zich af wie de twee vrouwen die hij in de badstoof afluisterde, waren. Maar hij en die vrouwen waren gehuwd, dus durfde hij geen navraag doen, want vremde voghelen hebben vremde becken. Men moet oppassen voor geroddel van derden.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 157 (refrein 83, vers 71). Vroed rederijkersrefrein. Den vogel is af, troeyken is te voren nv. Bij Stijevoort ‘papegaai’ in plaats van ‘vogel’. Het gaat slecht, de mens verkeert in staat van zonde.

Groot Labuer ende Sober Wasdom ed. 1920 (1530)

  • 276 (verzen 402-426). Rederijkersspel. Het hondje Weergheluc van Groot Labuer en Sober Wasdom heeft – tot hun spijt – een vogel gevangen met de allegorische naam Sober Cost. De vogel ‘steekt’ hen voortdurend op een pijnlijke manier. Verwijzing naar de armoedige situatie van arbeiders en kleine kooplui.

Gibson 1992 (XVI)

  • 38. Tekening van Verbeeck: mensen met vogelmaskers (hanen, zwanen, lepelaars…). Satire op roddelaars die door hun ‘gekraai en gekakel’ onschuldigen bekladden.

Een Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983 (1554)

  • 77 (nr. 37, regels 10-13). Kluchtboek. Jongeren moeten eerst grammatica leren voor ze naar de universiteit gaan want si willen somtijts vliegen eer si vlogelen hebben.

De Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 23 (strofe 67). Retorisch leerboek. Dichters moeten vurig hun kunst beoefenen en rusten als ze moe zijn, zoals vogels nesten maken en zich voortplanten en rusten als ze moe zijn.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 41 (fol. 7r, verzen 1-2). Rederijkersgedicht. De auteur (Eduard De Dene) spreekt: Myn maghe pufte en myn buuckvueghel peep / zy hadde gheerne gheweist gheAest. De Dene heeft honger, zijn buik(vogel) ‘piept’.

Joseph ed. 1975 (1565-66?)

  • 97 (vers 355). Rederijkersspel. Quaet Ingeven tot Nijdich Herte (sinnekes), aansporend tot spoed (zij gaan vertrekken naar Egypte om te zien hoe het daar met Jozef is gesteld): Want selden comet aes den vogelen op den nest. Als men iets wil bereiken, moet men er moeite voor doen, het komt niet vanzelf.

Lijss en Jan Sul ed. 1938 (XVI)

  • 97 (vers 258). Rederijkersklucht. Coppen is blij dat hij aan de slagen van Lijs ontsnapt is: Tis beter inde vogelensanck dan in dijsere clanck. Vogelenzang // vrijheid.

Veldman 1992 (circa 1600)

  • 247-248. In prent met onderschrift, circa 1600, uitgegeven door Crispijn de Passe de Oude naar Maarten de Vos: een vogel die in het nest zorgt voor zijn jongen = symbool van Sedulitas (Ijver).

 

[explicit 10 mei 2016]