VOGELVANGST

 

1 Vogel die gevangen wordt = zondige mens (vogelvanger = duivel, aas = de zonden)

[Bauer/Bauer 1984 = Linda en George Bauer, “The Winter Landscape with Skaters and Bird Trap by Pieter Bruegel the Elder”, in: Art Bulletin, vol. LXVI, nr. 1 (March 1984), pp. 145-150. In de zestiende eeuw waren vogelklem en vogelvangst bekende allegorische beelden. Zij fungeerden binnen de allegorie van het menselijk leven als een gevaarlijke reis van erfzonde tot eeuwig heil, waarbij de mens op elk moment belaagd werd door het Vlees, de Wereld en de Duivel. Deze laatste werd daarbij sinds oudsher uitgebeeld als een vogelvanger (145-146).

Reeds in het Oude en het Nieuwe Testament is de vogel een symbool voor de ziel, en wordt de duivel vergeleken met een vogelvanger en zijn klemmen, strikken en netten: Psalm 124: 7, 1 Timotheus 3: 7, 2 Timotheus 2: 26 (146). Ook in de Duitse volkskunst eind 15de, begin 16de eeuw komt het motief vaak voor (Brant: Narrenschip, H.S. Beham, Nikolas Stoer, Peter Flötner) (146-147). Vanaf het begin van de 16de eeuw was het motief van de duivel als vogelvanger in de beeldende kunsten dus welbekend (147). In emblemen was de vogelvanger ook vaak de duivel (147, noot 14).

In Bruegels Winterlandschap met vogelklem is de duivel symbolisch aanwezig doordat de vogelvanger onzichtbaar verborgen zit in de buurt van de vogelklem (148). In een embleem van Johann Mannlich uit 1625 is de duivel een eenvoudige vogelvanger (148-149). Conclusie: hoewel de vogelklem en het schaatsen op het ijs in Bruegels schilderij op het eerste gezicht realistisch zonder meer lijken, zullen zij voor de toenmalige beschouwer hoogstwaarschijnlijk gefunctioneerd hebben als allegorische waarschuwingen tegen de boze verlokkingen die de mens bedreigen. Op die manier zijn de twee helften van het schilderij (schaatsen / vogelklem) inhoudelijk complementair (150).]

 

[Grundler 1989 = Marianne Grundler, “Der Vogel im Käfig – ein Sinnbild”, in: Volkskunst, jg. 12, nr. 4 (november 1989), pp. 26-33. In de christelijke traditie is de vogelvanger de duivel, en de vogel de ziel (bij Origines en elders) (26).]

 

Sancti Eusebii Hieronymi Epistulae ed. 1991 (circa 400)

  • 58 (Brief XXII – Ad Eustochium, paragraaf 3). Latijnse brief. Als een maagd naar de hemel gaat, zal zij zingen: Anima nostra quasi passer erepta est de laqueo venantium: laqueus contritus est et nos liberati sumus (our soul is ecaped as a sparrow out of the snare of the fowlers: the snare is broken en we are escaped). Vergelijk Psalm 124: 7.

Dialogus miraculorum I ed. 2003 (1219-1223)

  • 100 (Afdeling 2, hoofdstuk 12). Stichtelijk Latijns traktaat. Terstond volgde hij de ellendeling, zoals Eva de stem van de slang, zoals een vogeltje het gefluit van de vogelaar. Weldra zou hij in de strik van de duivel terechtkomen. Een Middelnederlandse versie hiervan in De Vooys 1926: 191 (rechtevoert volghede hij den onsaleghen, ghelijc dat eva volghede den serpente, als die voghel der pipen des voghelaers, haestelic in dat strec des duvels te vallene).

Die Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 10 (verzen 749-751). Berijmde zondenspiegel. Bij ‘oncuuschede’: Hier up so seit Sinte Augustijn: / ‘Dat stercste lijm dat mach zijn, / dats twijf, om zielen te vane.
  • 26 (verzen 2027-2042). Bij ‘oncuuschede’: een vogel vlucht van het net, maar de mens vlucht niet van het net van de duivel: de aardse weelde leidt tot de eeuwige hel.

Speghel der Wijsheit ed. 1872 (circa 1400)

  • 12 (verzen 277-278). Allegorisch leerdicht. Wanhpe es sduvels boghelare, / daer hi de sielen mede vaet.
  • 47 (verzen 1146-1153). Over Folien (Dwaasheid): want soe es tlim van vele sonden / die menighe ziele zware wonden / wanneer dat soe mach bezwimen / den mensche ende zinen gheest belimen, / so es de ziele in aventuren / dat soe den viant mach ghebeuren, / ghelike den voghel dien een man / wel metten lime vanghen can.

Speghel der Wijsheit ed. 1983 (irca 1400)

  • 69 (verzen 13-16). Over Hoverde: want dies ghelike dat een man / met lime voghelen vanghen can / zo vaet de viant vander helle / smenschen ziele met haren ghestelle.

Des coninx summe ed. 1907 (1408)

  • 475 (paragraaf 558). Stichtelijk trakaat. Dat hert is recht als een voghel, die na sinen wille vlieghen wil, ten si dat gehecht si mitten strick des gheloves ende der minnen. Het vliecht zeer anxtelic, soe dattet hem dicwijl verliest ende valt inden stric des voghelaers vander hellen, dats die duvel, die hem seer pijnt desen voghel te stricken.

Die Spiegel der Sonden ed. 1901 (1434-36)

  • 68 (deel II: Oncuuschede, kolom b, regels 4-17). Zondenspiegel. Als die vogel dat net siet geset bi den sade om hem te vaen, soe vlieget hi hongerich daer aff, want hi vreset den achtersten schade Ende die minsche weet wael dat hem die doet volget die hi van ure tot uren wachtende is ende en weet niet wanneer, ende steet in vrese der hellen, nochtant wil hi niet maet halden in die eerdsche weelden noch dincken op den achtersten schade, ende kent oec des duvels net wael, dat altoes om hem staet geset, ende clevet aen dat aes, dat sijn die sunden, dat hem een ewich sterven in brenget.
  • 162 (deel IV: Traechede, kolom b, regels 9-15). Zondenspiegel. Ecclesiasticus seet: ‘Die minsche en weet niet sijn eynde. Alsoe dat net den visch omset ende gevangen helt sonder ontgaen Off als die vogel wert gestrict, also onversienlic wort die minsche ter doet wart getrect ende gevaen. Context: de zondaar moet zich op tijd bekeren.

Plummer 1975 (circa 1440)

  • Nr. 48 (G – f. 107). Geïllumineerde pagina uit het Getijdenboek van Catharina van Kleef (New York, Pierpont Morgan Library) met miniatuur en bas-de-page door de Meester van Catharina van Kleef. De miniatuur beeldt de bevrijding van zielen uit de hellemond door een engel uit. Onderaan zit een vogelaar vogels te vangen. Is dit de duivel, dan werkt de bas-de-page contrasterend met de hoofdminiatuur. Of is de vogelaar bedoeld als Christus die zielen lokt?

Die pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 324 (regels 15-18). Allegorisch-stichtelijk traktaat. De Pelgrijm bidt God om bijstand: Want soe lange soe vlieget de vogel herwerts, dat hij wert ghevaen metten stricke dwelke in sijnen wech gheleit es, oft hij wert met eenen pijle gescoten oft metten terre gevaen.
  • 353-354 (regels 27-28 / 1-8). Sathanas tot Verradenesse: Dochter, ic segghe u voirwair: soe wie dat wilt vogele vangen ende te nette bringhen, hij moeter herde subtijlliker toegaen dat sij van hem niet vervaert en sijn. Weet dat die ghene diese vaen wilt hem sculdich es te wachtene ende dat hij sijn net wel decke, dair hijse mede meynt te vane. Hier omme, wel uutvercoren dochter, segghic u, eest dat sake dat ghij yemande wilt bedriegen bijden rade van dijnre moeder, ghij en selt u selven niet oppenbaren als oft ghij hem yet meyndes te doene, noch ghij en sult hem niet thoenen negheen leelic aensichte noch eneghe quaede meyninghe, noch ghij en sult hem niet gheven te verstane dat ghij hem yet anders meynt dan goet.
  • 445 (regels 22-31). Gracie Gods over Sathanas die de zielen van contemplatieven vangt: Maer om dat hijse alle niet hebben en mach bij sijnre temptacien, soe heeft hij geleert stricken te maken ende netten om mede te visschene, ende oec om opwerts te sperne om die vliegende vogelen te vane, dat sijn die ghene die du sies vlogelen hebben ende die contemplatijf sijn. Om de ghene soe heeft hij sijne nette gespreidt over de zee, dat hij hem niet ontgaen en mach bijder cracht van haren vlogelen. Ende oec om die ghene die hij peynst te vlien uter zee van deser werelt soe es hij worden jaghere ende heeft sijne stricken ghesperret ende sijnen banden om hem lieden te aresterene ende te vanghene dat sij hem niet en ontgaen.

Unterkircher 1985 (1510-20)

  • 94-95. Twee miniaturen van Gerard Horenbout uit het Rothschild-brevier (tweede decennium zestiende eeuw), fol. 134v-135r. Op de linkerpagina zien we Maria als hemelkoningin, op de tegenoverliggende pagina begint een gebed tot Maria. Daarrond een landschap met onderaan een vogelaar die vogels aan het vangen is. De duivel of Christus als lokker van zielen?

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 133 (refrein 69, verzen 55-59). Vroed rederijkersrefrein. Over de zondige mens: Want als hy hem selue wel besiet / ouerdenckende wie dat hem riet (de duivel dus) / hy vint hem inden slach / en ten eynde betaelt hy tghelach / mit ziele en lijue. De zondaar wordt dus door de duivel gevangen als een vogel (inden slach).

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 337 (refrein 92, strofe d, vers 6). Vroed rederijkersrefrein, lof op Maria. Over het vangen van zielen door de duivel: Slanghen, die verlanghen, ons vanghen metten terre.

Der Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • Z3v-Z4r (hoofdstuk 87). Moraliserend traktaat. In de begeleidende houtsnede zit een vrouw als lokvogel op de lijmstok van de duivel, om zo mannen te verleiden en met zich mee naar de hel (zie het vuurtje) te trekken. De titel van het hoofdstuk luidt: Houeerdighe vrouwen behaechlic ghecleyt / hebben veel sotten ter hellen verleyt. Verderop lezen we: Vrouwen wildi onsen heere behaghen / so en suldy gheen ander cleeder draghen / dan uwen state toe behooren / Deckt v voorhooft, ende stopt v ooren / ende en draecht v lichaem niet te coope / want sulcke die viant met grooten hoope / ter hellen treckt, ende maecktse strecken / om ander sielen daer me te trecken. Vergelijk ook Gerlach 1978b: 71.

Vreese des Heeren en Wijsheijt ed. 1968 (circa 1550)

  • 385 (verzen 563-566). Rederijkersspel. De duivelse sinnekes Dongerechticheyt (DON), Doude Serpent (DOU) en Sondich Ingheven (SON) gaan Goetwillich Herte (de deugdzame mens) bedriegen en verleiden. DON: Nv laet ons den vogel wt der muijten ris / doen springen, want ic bender toe bereet. / DOU: Die Grouwelickheijt es met Schynsel van duechden gecleet. / SON: Dnet es gespreijt, tquaet aes nv nopen moet.

Een Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983 (1554)

  • 160-161 (regels 1-23, nr. 157). Een kluchtboek. Een vogelaar vangt een hovaardige arend. De vogelaar = de duivel die de ziel vangt van zondaars.

De Ontrouwe Rentmeester ed. 1899 (circa 1587)

  • 83 (vers 78). Rederijkersspel. Een sinneke over Tgroot Getal: De voegel, die wy in tnet cryghen, qualyck ontvlieghen can.
  • 120 (vers 1172). Tgroot Getal tegen Coninck: Ick ben hier gevanghen gelyck een voegel int nette. De mens is verstrikt in zonden door Venus minlycke cueren (zie volgend vers).

Sommich Mensch ed. 1993 (XVIB)

  • 2r (verzen 114-115). Rederijkersspel. Weijnich Volckx zegt: want die heer can u soe haestich vinnen / dat ghij haest valt als een voeghel int net. God die de zondaar straft.

Bauer/Bauer 1984 (1625)

  • 148-149 (afb. 3). ‘De duivel als vogelvanger’, een embleem van Johann Mannlich in Sacra Emblemata LXXVI (Nurenberg, 1625, 59). De vogelvanger is de duivel, verschillende vogels zijn verschillende soorten zondaars. Het begeleidend vers verklaart alles. De kraai (cras) = zij die alleen ‘cras’ (morgen) roepen en geen acht slaan op vandaag (hodie), de goddelozen. Roodborst (Rotkeel) = de dronkaards. Kwikstaart (Bachsteltz) = zij die zich ijdele zorgen maken om materiële bezittingen.

 

2 Vogel die gevangen wordt = man verleid of bedrogen door vrouw

[Van Gijsen 1989: 56. Over jacht en vogelvangst in verband met liefde en erotiek.]

[Grundler 1989: 27. Bij Daniel heinsius is Amor de vogelvanger. Vogelvangst als erotische toespeling: in de Hollandse burgerlijke schilderkunst uit de 17de eeuw en bij adellijke herders- en jachtscènes uit de 18de eeuw.]

 

Clef d’Amors ed. 2001 (1280?)

  • 55. Frans trakaat over liefde en erotiek. Adviezen aan de vrouw: De vogel die het net ziet, begrijpt meteen dat die valstrik een gevaarlijk nest is en zal besluiten weg te vliegen. Zo zal ook de minnaar op de vlucht slaan voor jouw hebzucht en bedenken dat iemand die in jouw netten verstrikt raakt, onverwijld geplukt zal worden. Daarom verbied ik je te vragen.

De Tweede Rose ed. 1958 (circa 1290)

  • 102 (verzen 167-172). Allegorisch leerdicht. Bij de beschrijving van de Fontein van Minne: Dar buten heft hi (= de liefdesgod) doen setten / sine strecke ende sine netten / mede te vane scone ioncheren / riddren papen clercke heren / vrouwen ioncfrouwen magedine / hine ghert andre vogeline. Hier dus: zowel mannen als vrouwen verleid door de liefdesgod.

Die Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 202 (verzen 11.844-11.846). Allegorisch leerdicht. De oude koppelaarster over haar vroegere escapades: Menegen vroeden man van rade / hebbic bedroegen, sonder waen, / also ickene in strecken hadden gevaen. Vergelijk voor het Franse origineel Roman de la Rose ed. 1984: 220.

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 14-15 (verzen 403-404). Rederijkersspel. De sinnekes sporen Katharina aan om Dierick naar zich toe te lokken: Spreyt seg ick tnetken van joyeusheden. / Ende locket voghelken / Met amoureusheden.
  • 17 (vers 467). Moeder van Dierick over haar zoon: Hoe dat hi in Venus strick versnelt is / Als twilt int wout. Parallel strik-wild / net-vogel.
  • 37 (verzen 1046-1047). De sinnekes die de minnaar verleiden (via het meisje): Dus gaen wy twerc spinnen datter geroct is / Totdat de voghel int nette gheloct is.
  • 38 (vers 1066). Moeder van Dierick over Katharina: Sy denct datse tvogelken binnen mijns heeft.
  • 187 (vers 5317). Sinneke over Dierick: Den voghel is ghevanghen.

De Stove ed. 1944 (XVIa)

  • 156 (vers 235). Strofisch rederijkersgedicht. De voghels souden ons al ontvlieghen. De vogels zijn mannen. De goedgehuwde vrouw legt aan de slechtgehuwde uit dat men wilde dieren en mannen kan temmen met zoete manieren, niet met geweld. Deze vogels passen bij de net-metaforiek, elders in de tekst: het gaat telkens over vrouwen die mannen (vogels) in het net van het huwelijk gevangen houden.
  • 171 (verzen 613-614). Idem qua context: Met soeten gheluyt worden de voghel gheuaen / en in huys ghehouden vlieghende tam.
  • 170 (verzen 574-587). In een passage over vrouwenlisten: Wat segdij nv vander vrouwen daet / Het blijct wel datse den man te bouen gaet / Sij hebbense verwonnen dit moettij accoorden / Maer wat meyndij des wel gade slaet. / Met wreetheyt, foortsen, kijuende quaet / Oft dat sijse swinghende daer toe verstoorden / Neen neen, daer sijse in haer net met spoorden / En verwonnen, ons teenen grooten exempele / Dat waren al dat sij gheren hoorden / Smekende, soete minlijcke woorden / Sulck als men vereert in venus tempele / Dus maectense leeuwen als lammekens simpele / Dwelck hem ghefaelt sou hebben wesende rebel / Die hem aen andren spieghelt spieghelt hem wel.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 109 (refrein 186, verzen 1-2). Zot-erotisch rederijkersrefrein waarin de vogelvangst met lijm en een lokvogel = de jacht op mannen: Tsadt laesten een meysken wt allen drucke / om voghelen te vanghen mitten teere. In het gedicht wordt de coïtus beschreven in termen van het opzetten van een kapje bij een uil (huben) als lokvogel.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 76 (refrein 32, verzen 36-38). Amoureus rederijkersrefrein. In verband met vrouwenlisten (Aristoteles, Vergilius): destruccien van landen, plaghen van steden / in tijden voorleden met wanckelen seden / sijn bi ialoursse vrouwen int net gheiaecht.
  • 76 (refrein 32, verzen 46-47). Amoureus rederijkersrefrein. In minnen doorlayt ben ic ontpayt, / int net gheuaen, onrustich int leuen.
  • 145 (refrein 79, verzen 9-11). Amoureus rederijkersrefrein. Dat mijn herte wordt onder tnet ghetogen / van liefden, dat niet en is mijn vermogen / tontgane den strick der reynder kersouwe. Hier in positief-amoureuze context.

Der Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • 01v-02r (hoofdstuk 47). Moraliserende tekst. In verband met wellustelingen wordt Spreuken 7 geciteerd: Ic hebbe ghesien van mijnder veinsteren een ionc man qualic bedacht ende ter oncuysheit geneghen op der straten wandelende in die auont stont tusschen dach ende nacht ende sie dat hem te ghemoeten ende teghen comen is een wijf gecleet als een gemeyn wijf/ bereyt om die sielen inden stric te brengen. (…) Ende hi volcht haer terstont gelijc een osse diemen ter doot waert leyt/ ende gelijc een vet lammeken huppelende ende springende ende niet wetende die arme sot dat si hem in banden leyt/ tot dat sijn herte metten strale der vleysscheliker minnen doorstraelt si/ ende gelijc een vogel int stric vliecht ende en weet niet datmen wt is om sijn leuen te rouen.

Houwaert/De Vier Wterste II ed. 1965 (1583)

  • 169 (strofe 337, verzen 4375-4381). Stichtelijk leerdicht. En die op lichte vrouwen seer is versnot / die blijft ghesloten en daer aen verhanghen / ghelijckmen een swijn is sluytende in t’cot / oft soo den voghel inden strick wert ghevanghen. / Iae hy wort verleyt door t’vierich verlanghen / ghelijckmen den os naer het slach-huys siet leyen. / De vrouwen bedrieghen veel mans met vleyen.

 

3 Vogel die gevangen wordt = meisje/vrouw verleid of bedrogen door man

 

Roman van de Roos ed. 1991 (circa 1280)

  • 558-559 (verzen 21.459-21.483). Allegorisch leerdicht. De vleiende minnaar die onervaren vrouwen strikt en bedriegt, wordt vergeleken met een vogelaar die vogels vangt.

De Spiegel der Minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 173 (verzen 4905-4907). Rederijkersspel. Katharina over Dierick: Maer oft hy in eenigher manieren bedrogen is / Van liefden ende hem den voghel ontvlogen is / Dat weet ick niet.
  • 182 (vers 5161). Sinneke over Katharina: Den voghel is buyten tnet ghespronghen.
  • 185 (vers 5251). Sinneke over Katharina: Den voghel is wech.
  • 189 (vers 5367). Dierick is aan het ijlen: Vangt dat voghelken tis in huys ghevloghen.

De institutione feminae christianae ed. 1996 (1524/1538)

  • 162 (regels 16-20) (Boek I, hoofdstuk 13, paragraaf 123). Moraliserend Latijns traktaat. Over mannen op vrijersvoeten die zich beter voordien dan zij zijn: Non magis audiendus amans quam incantator aut veneficus. Aggreditur hic suavis ac blandus et primum omnium puellam laudat, captum se dicit eius forma, postremo perire prae amore immodico. Videlicet non ignorat multarum vanos animos quae unice laudibus suis delectantur. Sic volucrem auceps fallit visco et fistula (a lover should be given no more attention than one who casts spells or a poisoner. He approaches smoothly and persuasively and first of all praises the girl, says that he has been captured by her beauty and ends by saying that he is perishing of his uncontrollable love. He is well aware of the vain minds of many women, who take singular pleasure in being praised. In this way the fowler deceives the bird with bird-lime and the decoy’s cry).
  • 170 (regels 1-3) (Boek I, hoofdstuk 13, paragraaf 129). Over mannen op vrijersvoeten die zich beter voordoen dan zij zijn: Hunc in modum improvidis puellis imponunt cum tenuissima boni specie detestandes malorum voragines contegunt, ut aucupes viscum cibo et hamum piscatores esca (in this way they deceive unwary girls, covering over the yawning chasms of evil with their veneer of goodness, as the fowler hides the bird-lime under food and the fisherman places bait on the hook).

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 210 (refrein 56, strofe d, verzen 1-4). Amoureus rederijkersrefrein, amoureuze klacht van een vrouw. Een hertelijck lief es weerdt, wantmer weynich vindt, / want tvolck meestdeel nu geveynsdelijck mindt, / U zelven wel versindt, / oft ghij werdt gevaen als de vogel metten terre.

Moens 1986 (XVI/XVII)

  • 50. Over familieportretten in de Nederlanden, zestiende/zeventiende eeuw. Een attribuut van vrouwen is soms een gevangen vogel (aan een draadje of in een kooi) = ‘het verhangen zijn aan en het als een “gevangene” zijn van het erotische’. [Is dit niet wat te eenzijdig? Kan zo’n vogel bijvoorbeeld ook niet de man voorstellen, die door de vrouw in kwestie ‘gevangen’ is?] Ontsnappende vogeltjes (meestal een vink) = allusie op het verlies van de maagdelijkheid en/of waarschuwing tegen een al te uitbundige levenswijze (parallelle attributen zijn vlug bedervende geschilde vruchten, verwelkende bloemen…).

 

4 Vogel die gevangen wordt = persoon die slachtoffer is van bedrog

[Ezekiël 13: 20. Over valse profetessen: Daarom spreekt Jahweh, de Heer! Ik kom op uw toverstrikken af, waarmee gij de zielen als vogels vangt: Ik ruk ze af van uw armen, en laat de zielen, die gij jaagt, als vogels vrij.]

 

Ysengrimus ed. 1987 (circa 1150)

  • 390 (Boek IV, vers 508). Dierenepos. De wolf wordt gevangen als een hond in de val, of als een vogel in het klevend net.

Die Spiegel der Sonden II ed. 1901 (1434-36)

  • 145 (regels 22-27). Zondenspiegel. Naar aanleiding van ‘gierichede’: zij die de heren dingen geven om zelf meer te ontvangen: Dat dorde daer die haeticheit bi is te kennen dat is om dat sine miltheit commer ende pine in brenget, gelijc dat die vogeler niet milde en mach heiten die veel sades bijnnen sinen nette worpet: dat doet hij om meer te vangen.

Het Handschrift-Jan Phillipsz. ed. 1995 (circa 1478)

  • 157 (nr. 123, verzen 137-140). Verzamelhandschrift. Allerlei wijze adviezen: Wachti jeghen die ghebare / minlic als die voghelare / die scone pipen ende blasen / als si die voghelkijn verdwasen.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 125 (refrein 193, verzen 45-50). Vroed rederijkersrefrein, waarschuwing tegen goedgelovigheid en te veel vertrouwen. Betroudi v seluen wel soe abusierdj / betroudj uwen naesten soe faelgierdj / want al suectmen trou men vintse niet / betroudj seer op god soe presumierdj / die voghel die bekende netten vliet / wort by subtylheden mitter roiden gheuaen.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 215 (refrein 118, verzen 51-53). Vroed rederijkersrefrein. Waarschuwing voor goedgelovigheid. Betrout niemant dan daer ghi trouwe in siet. / Hoe wel die vogel bekent dnette liet, / Bi tsecrete der toeyen wert hi dicst geuaen.

Aluta ed. 1995 (1535)

  • 54 (verzen 118/123-124). Latijnse humanistenklucht. De boef Spermologus en zijn makker gaan het boerinnetje Aluta bedriegen: Zo gauw ik dat vogeltje gelijmd heb (ut avem delusero), pak ik haar hele handel af. En even later: er is haast bij, want andere rakkers loeren net als wij op zo’n vogelvangst (aucupio).

Der Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • M1r (hoofdstuk 38). Moraliserende tekst. Bij hoofdstuk 38 zien we een houtsnede waarop een nar vogelnetten spreidt, terwijl alle vogels ervan wegvliegen. De hoofdstuktitel luidt: Die sonder schalcheyt tvolck bedrieghen / doet van sijn nette tgheuoghelte vlieghen. Dit wordt even later uitvoeriger verklaard: Met te verghefs ende om niet spreytmen die netten voor der voghelen oghen. oft hi [= Salomon] seggen wilde ic tooge v nv die netten vanden quaden om dat ghijse schouwen ende ontulien soudt. want die laghen leggen teghen ander/ legghense ooc teghen haers selfs bloet ende bedrieghen haer sielen ende leuen, want si dicwijl hem seluen doen vangen ende daerna aen die galge hangen. wi en sullen dan noch scalckelijc noch ontschalckelic niemant bedrieghen/ noch ons nette voor der voghelen oghen spreyen/ dat is wi en sullen onsen raet niet decken eer wi hem volbrocht hebben dat wi voren hebben/ dwelcke den hooftmannen in crijghe nut ware. Dit hoofdstuk waarschuwt voor het verklappen van zijn ware bedoelingen, maar de vogelvangst wordt duidelijk in verband gebracht met bedrog. In het origineel komt dit overeen met hoofdstuk 39: zie Das Narrenschyff ed. 2007: 129-130.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 210. Rederijkersrondeel. Over de lutheranen: Een nieuw voghelken moet singhen nieuwen sanc, / want tsou gheerne een nieu gheoolken cryghen, / dus locket de vincxkens duer zyn zoet gheclanc; / een nieu voghelken moet singhen nieuwen sanc, / de gheene die zyn int gheloove zeer cranc / die sietmen voer tvoghelken buyghen en nyghen. Luther als lokvogel die de zwakke gelovigen (vinken) bedriegt.
  • 210. Rederijkersrondeel. Over de lutheranen: Sulc sonder vreese nieuwen sanc singhen, / waer duer zy int nette die vincxkens cranc bringhen, / die hen onnooselyc laten verleyen. De lutheranen als lokvogels.

 

5 Vogel die gevangen wordt = persoon die als negatief ervaren wordt

 

Heynken de Luyere ed. 1920 (1582)

  • 37. Een kluchtig volksboek. Want met Voghelen, men altijts voghelen vanckt. Spreekwoord.

 

6 Vogel die gevangen wordt = mens die door de dood achterhaald wordt

[Bauer/Bauer 1984: 148. In Bruegels Triomf van de dood is de Dood een vogelvanger (zie het middenplan van het schilderij).]

 

Dietsche doctrinale ed. 1998 (1345)

  • Boek III (verzen 6224-6235). Stichtelijk traktaat. Ihesus sydracs sone hi seit / dat nieman sijn ende en weit / oft waer oft hoe hi steruen sal / Dits ghemeine ouer al / Ghelijc alsmen den vesch vaet / metten hinghellen dat verstaet / ende die voghele metten stricke / alsoe worden menschen dicke / gheuaen ende sine weten hoe / ende te male bederft daer toe / In merren leit vrese groet / ende bringht den mensche ter doet.

Die Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 116 (verzen 9133-9139). Berijmde zondenspiegel. Bij ‘traechede’: Ecclesiastes zegt dat zoals de vogel wordt gestrikt, de mens wordt gevangen door de dood.

Deinze: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 629 (verzen 10-14). Rederijkersspel. Maer ghelijc de voghels vanden voghelaren / bestrict werden, ende zonder sparen, / of ghelijc vischen met eenen boozen hake / ghevaen werden en wech ghesleipt byder cake, / werdt tonghemake de mensche als hy vertruct (= vertrekt, sterft).

Houwaert/De Vier Wterste II ed. 1965 (1583)

  • 111 (strofe 222, verzen 2874-2879). Stichtelijk leerdicht. De Dood spreekt tot de stervende dichter: Soo de visschen metten anghel worden ghevangen / en soo de voghelen worden brocht in pranghen / metten strick oft slach, als sijer haer minst voor w         achten / soo brengh’ick de menschen in t’verstranghen / als sy aen t’vleesch en werelt noch sijn verhanghen / oft den tijt verdrijuen, en vreught verpachten.

 

7 Vogel die gevangen wordt: andere betekenissen

[Ecclesiasticus 11: 30. Als een lokvogel in een kooi is het hart van de trotse, als een spion die het zwakke punt verkent.]

 

Dietsche doctrinale ed. 1998 (1345)

  • Boek II (verzen 1567-1572). Stichtelijk traktaat. Als die leu na sine maniere / verbit ende et cleine diere / ende clam voghele ghemene / eten die voghelkine clene / alsoe verteren die rike / darme in deser gelike.

Die Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 99 (verzen 7763-7774). Berijmde zondenspiegel. Bij ‘gierichede’: de vogelaar strooit zaad voor de vogels om hen in zijn net te vangen / de guffer (verkwister) geeft heren geld om er voordeel mee te behalen.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 125 (refrein 193, verzen 49-53). Vroed refrein, waarschuwing tegen te veel vertrouwen. De vogel die de bekende netten ontvlucht, wordt met de roiden (stok) toch gevangen / de mens die zijn vijand ontvlucht (openbaer verdriet) wordt toch bedrogen door valse vrienden.

 

8 Vogel die gevangen wordt = de goede christen die zich keert naar het goede

[Grundler 1989: 26-27. Positieve vogelvangstbeeldspraak: de vogel/ziel kan gevangen worden voor zijn eigen heil. Soms wordt zelfs Christus als vogelvanger voorgesteld. In de getijdenboeken van Catharina van Kleef en Katharina van Lochorst spelen de kleine Jezus en Johannes de Doper ‘vogelvangen’ (onderaan afbeeldingen van de Visitatie en de Kruisafneming). Grundlers interpretatie: Christus zou zich vrijwillig door de zondige wereld laten vangen om de mensen (de andere vogels) te bevrijden. Deze interpretatie is duidelijk van toepassing op twee vogelkooien in de roomse Basilika Santa Maria in Trastevere: profeten wijzen erop en spreukbanden verklaren dat de vogel in de kooi = Jezus in Maria (incarnatie) en dat de Heer een gevangene is door de zonden der mensen (Isaias en Jeremias).]

 

Die pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 187-188 (regels 27-28 / 1-7). Allegorisch-stichtelijk traktaat. De Pelgrijm ziet Sint-Augustinus als een vogelaar die goede zielen vangt: Want op die canteelen van den mueren sagic sinte Augustine ende mij dochte herde wel dat hij was een vogelare ende gaf die vogelkine tetene ende maecte met groten neernste voetsel, daer hijse mede versaedde. Ende met hem saten menegerande meesters ende leereers, die hem holpen nernsteleec die vogelkijne te eesene ende te spijsene, want bijden ase dat sij maecten ende bijden sade dat sij stroyden ende bijden sueten moerselen die sij lieten smaken, menegertieren menschen diese ontfingen, worden ghesalicht ende bequame voghele. Ende aldus soe vloegen sij daer boven in die suete stede aldernaest Cherubinne. ‘Vogelaar’ betekent hier blijkbaar eerder vogelverzorger dan vogelvanger.

Refreinen ed. 1950 (circa 1550)

  • 57 (refrein V, vers 11). Vroed rederijkersrefrein. Over Christus: Hy roept u, hy lockt u, in veel manieren. Christus als vogelaar of als lokvogel?

 

9 Vogel die zorgt dat hij niet gevangen wordt = de mens (steeds in positieve context)

 

Des coninx summe ed. 1907 (1408)

  • 417 (paragraaf 409). Eén van de redenen om te biechten: Voert om den duvel verre van hem te veriaghen. Dat voghelkijn vliecht gaern van daen, daermen dicwijl sijn nest breect ende daermen hem sijn eyer neemt.

Brugman ed. 1948a (XVc)

  • 160-161 (Preek 12, regels 92-105). Als een vogel coemt vliegen uutter locht opter eerden, soe slaet hi sijn vloegelen te samen bi hem neder ende gaet sitten op sijn voeten ende siet al om ende om, waer hi is. Ende dan versiet hi ergent een gat, of yemant quaem, die hem schieten of vangen woude, daer hi dan vliegen mocht ongescadet. Alsoe sal een mensche doen, die uutter werelt coemt in een cloester: hi sal sijn vlogelen bi hem neder-slaen ende sal gaen sitten ende dencken wan hi gecomen is, dat is uut der werelt; ende wat hi gedaen heft ende waer-mede ende hoe dick dat hi god vertoernt heeft; waer hi is ende waer hi henen sal. Hi sal merken, dat hi sijn leven nu beteren wilt ende dat hi onsen lieven heer leert lief-hebben, op-dat wanneer hi gescoten wort vander doot, dat hi dan lichtelic sonder yet veel myddels doer mach comen.
  • 171-172 (Preek 14, regels 123-129 / 136-148). Dat ander is, dat wi inden vogelen merken, dat is dat si niet lange en bliven sitten rusten opter eerden. Ende dat is dat wi geen eertsche dingen hebben en sullen in onser herten boven god, daer wi op rusten sullen, noch op geen creatueren, als Augustinus seit: ‘O onsalige ydelheit der creatueren, wat gemeynscap heb ic met u ende gi met mi?’ Recht of hi seggen woude: daer en is geen seker rusten inden creatueren. (…) Die vogelen en setten hen niet vast opter eerden, want het waer hen om hen lijf te doen. Want wanneer dat hi yemant siet bocken totter eerden om een cluyt eerden of om enen steen, soe en verwacht hi des worpens niet, want het waer hem om sijn lijf gedaen: mer ter-wijlen dat een ander boect, soe vliegen si ewech. Des-gelijcs sullen wi oec doen. Wanneer dat wi merken dat ons die viant met becoringe aen-coemt, soe en sullen wi niet bliven sitten ende en sullen sijnre niet verwachten. Mer wi sullen haestelijc op-staen ende vliegen tot onsen lieven heer ende en gheven den duvel ende sijn becoringen geen stat. Soe sal van ons geseit worden datter gescreven staet inden souter, dat David al verwonderende seit: ‘Wie sijn dese, die daer op-vliegen als wolken?’

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 120 (fol. 384v, verzen 18-22). Rederijkersgedicht. Context: luiheid. Ledicheyt es ziele ende lyf bedrieghende / een vueghel inde Lucht wechvlieghende / die es zekere emmers vanden Nette / tsghelycx es de menssche vry van belette / der zonden, die hem om wercken gheeft. Vogel die wegvliegt, is veilig voor het net / mens die werkt, is veilig voor de zonde (der luiheid).

 

10 Technieken van de vogelvangst

[Wuyts 1986: 33. ‘Voor zover kon nagegaan worden werden in Beuckelaers tijd de kleine zangvogels, zoals de mezen, gevangen met vogellijm, de patrijzen met slag- en werpnetten, de snippen met vertikaal gespannen warnetten, de wilde eenden met fuiken in de ingenieus aangelegde eendekooien. Schietwapens als hand- of kruisboog en vuurroer kwamen daar nauwelijks of niet aan te pas.’]

 

De Bouc vanden Ambachten ed. 1998 (XIVB)

  • 21. Leerboek Frans-Nederlands. Jacop, de stroedeckere, es sculdich te deckene wel ende scone mine husekine met stroe ende met gleye; niet met lime daer men mede vangt de voghelkine (in het Frans: ne mie de gluy dont on prent les oyselets).

Boerdelic Pleghen ende Ghenoughelic Voortstel ed. 1920 (1526)

  • 241 (verzen 238-239). Rederijkersklucht. Boerdelic Pleghen zegt: Als spreeuwe of mussche jn eenich pot ghaet / vliechser niet jn met den hoofde vooren? Verwijzing naar spreeuwpotten (en muspotten?).

 

[explicit 27 juli 2013]