ZEE (vergelijk ook bij ‘schip’)

 

1 (Woelige) zee = de zondige, onbetrouwbare wereld waarin wij leven

[Bartelink 1990/91: 8. In oudchristelijke teksten staat de zee voor de boze wereld. Dit heeft een bijbelse oorsprong: zie onder meer Psalm 45: 3, Psalm 73: 13, Openbaring 11: 7, 17: 8 en 17:15. In Job 40 en 41 zijn de zeemonsters Behemoth en Leviathan Satan-symbolen.]

[Speghel der Wijsheit ed. 1983: 40. ‘Weliswaar is de voorstelling van het menselijk leven op aarde als een gevarenvolle zeereis in de middeleeuwse religieuze beeldspraak vrij courant…’]

 

Physiologus ed. 1979 (circa 200)

  • 6 (hoofdstuk IV). Stichtelijk-allegorisch traktaat. Over de zwaardvis: The sea is the world, the ships are the prophets and apostles who cross through this world, [through the eye of the squall and storm of this world without any danger or shipwreck to their faith; they conquer the deadly waves, that is, the contrary] powers of the adversary.
  • 34 (hoofdstuk XXIV). Over de parel (= Christus): The sea is the world and the divers who bring up the pearl are the chorus of holy doctors.

Druce 1919 (XII)

  • 13. In het bestiarium van Philippe de Thaun (12de eeuw) staat de zee voor de Wereld. Stormen = angst, tranen, verwarring. Met verwijzing naar de Psalmen van David.

Pierre de Beauvais: Bestiaire ed. 1980 (XIIIa)

  • 26. Bestiarium. Naar aanleiding van de ‘serra’: La mer est le symbol de notre monde. Les navires représentent les justes qui ont traversé sans danger, en toute confiance, les tourmentes et les tempêtes du monde, et qui ont vaincu les ondes mortelles, c’est-à-dire les puissances diaboliques de ce monde.
  • 36. Naar aanleiding van de ‘ybex’: Toi, chrétien, apprends à nager dans cette mer, c’est-à-dire en ce monde.
  • 37. Idem. (…) les ondes de cette mer qui se dressent contre nous, à savoir les volontés de ce monde. (…) les périls de la mer, à savoir le monde.

Fabulae ed. 1985 (XIIIb)

  • 108 (nr. 48). Latijnse verzameling fabels en parabels. (…) which has cast them into the sea – i.e. into the bitterness of sin and, finally, into the bitter sorrow of hell.

Legenda aurea I ed. 1993 (circa 1260)

  • 92. Geestelijk traktaat: een verzameling heiligenlevens. Over Sint-Marcellus: Marcellus comes from ‘arcens malum’, keeping evil away, or from ‘maria percellens’, striking the seas, i.e., striking and beating back the adversities of life in the world. The world is likened to the sea, because as Chrysostom says in his ‘Commentary on Matthew’, in the sea there is confusion of sound, constant fear, the image of death, tireless clashing of the waves, and never-ending change.

Legenda aurea II ed. 1993 (circa 1260)

  • 333 (hoofdstuk 171). Verzameling heiligenlevens. Uit een brief van Sint-Chrysogonus aan Sint-Anastasia: The little ships of our bodies sail one and the same sea, and our souls do the work of the sailors under the one pilot of the body. The ships of some are held together by strong chains and survive the pounding waves of life undamaged, whereas other ships, constructed of fragile wood, are close to foundering even in calm weather yet finish their voyage. You then, O handmaid of Christ, cling with your whole heart to the trophy of the cross, and prepare yourself for the work of God.
  • 387-388 (hoofdstuk 182). Hoofdstuk over kerkwijdingen. Hence we sing lauds at that hour, in order not to be submerged with the Egyptians in the sea of this world, and to thank God for our creation and his resurrection.

Dat Boec van Gods Wraken ed. 1869 (1346-51)

  • 303 (Boek I, hoofdstuk 6, verzen 467-469). Geestelijk rijmtraktaat. In dese felle welde zee / Daer so meneghe grote vlaghe / In porret ende ruert alle daghe. Het schip van de Kerk moet erop varen met twee riemen: de paus en de keizer.

Die Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 82 (Deel III, hoofdstuk XC, verzen 6427-6474). Berijmde zondenspiegel. Want ertrike is eene zee vul snevens (v. 6430). Dus is die werelt min noch mee / Vul ongheweders eene zee (vs. 6445-6446).

Speghel der Wijsheit ed. 1872 (circa 1400)

  • 18 (verzen 425-428). Leerdicht. De werelt bediet ooc de zee, / die vul es van tribulacien, / lettel wel ende vele wee, / groot van sonden ende clein van gracien.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 245 (nr. 116, verzen 123-128). Gedicht. Over de Wereld: Si slach der ebben ende der vloet. / Die gheen die daer in varen moet, / Die wacht den wint of goet ghetyde, / Crijcht hijt beyde, soe is hi blyde / Dander diese teghen draecht, / Dat is die gheen die hem beclaecht. Eb en vloed = de wisselvalligheden van het aards bestaan. Moraal: de Wereld is bedrieglijk en wisselvallig.
  • 245 (nr. 116, vers 137). Idem. Die werlt is recht een meer te zeylen. Context (verzen 136-145): God helpt de vromen in de haven maar de zondaars die op haer behaghen varen, krijgen dikwijls tegenwind en lopen vast op zand.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 84 (Winterstuc, hoofdstuk 17, regels 126-127). Theologisch compendium. Over de hoop: Si set den ancker inder werelt meer.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 125 (Somerstuc, hoofdstuk 7, regels 844-848). Theologisch compendium. Die lieve moeder Gods Maria was meer dan op een stonde van haers liefs kints weghen mit rouwen bevaen, want dat ghift haer naem Maria te verstaen, die beduut een bitter zee. Want die golven van veel lidens op ende neder in hare herten gronde dronghen mit menighen storme tijtlics verdriets.
  • 236 (Somerstuc, hoofdstuk 15, regels 425-429). Naar aanleiding van Jezus’ Hemelvaart: Voort die hoep is in sijnre opvaert ons meer ghesekert, want daer wi nu in die vervaerlike zee deser werelt mit menighen bulghen ghequasset werden, des David claechde: dat dat water golven geschid was al rede tot sijnre sielen toe ghecomen, hi sinkede ende en vant ghenen gront.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 444 (Somerstuc, hoofdstuk 35, regels 147-149). Theologisch compendium. Over penitentie en berouw: Si is een brugghe, die over dat meer deser werlt gaet ende leit an die haven der poorten des ewichs levens.

Tleven Ons Heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 33-34. Een Jezusleven. Die gulven der gheruchtigher ende onledigher zee deser werelt.

De Spieghel der Menscheliker Behoudenesse ed. 1946 (XVa)

  • 29 (hoofdstuk 3, verzen 352-358). Geestelijk rijmtraktaat. Over Maria: Bider zee sullen wi verstaen / De werelt, nader scrifturen zinne, / Daer wi alle roeyen inne, / Ende nemmermeer ter havene quamen / Der zalicheit, of wij en namen / Marien te hulpen, dese sterre claer, / Die ons mochte bringhen daer.
  • 29 (hoofdstuk 3, verzen 386-393). Over Maria: Die zondare Theophilus / Ane sach dese sterre aldus, / Als hi inder zonden zee / Was ghezeilt in zinen wee, / Ende zoe, die was goedertieren, / Wildene minnentlike bestieren / Uter zonden zee in vreeden / Ter havene van zalicheden.
  • 191 (hoofdstuk 32, verzen 251-254). Over Jonas en de walvis: Bi deser zee, daer ic of las, / Die aldus verstoremt was, / Daer es de werelt beteikent bi, / Mids dat zoe ooc vreeselijc zij.

Van der Navolghinge Ons Heren Jhesu Cristi ed. 1954 (XVA)

  • 133 (Boek III, hoofdstuk 23, regels 19/21). Geestelijk traktaat. Gebed tot Christus: Bedwinge die menichvoudige uutdwalinge ende quetse die temptacien die mi ghewelt doen. (…) Ghebiede den winde ende den onweder; segghet der zee: ‘Laet of ende ruste’, ende den noorden wint: ‘En wilt niet meer waeyen’, ende het sel grote stadicheit werden.

Het Tübingse Sint-Geertruihandschrift ed. 1996 (circa 1445-50)

  • 84 (nr. 2, verzen 333-335). Omtrent Maria: Och ghy die sijt in tribulacie / End inder goluen der temptaci / Houtet oegh op desen ster.

Die pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 196 (regels 8-12). Stichtelijk-allegorisch traktaat. Ende en weet ghij niet, dat ghij sult moeten lijden ende over passen die grote zee, die al vol es van grooten tempeesten ende van onghewederen ende van vele wijns [wind] ende van vele jammerheden ende armoeden?
  • 202 (regels 11-14). Over de plichten van priesters: waarom de priesters een ‘roede’ hebben. Het es te wettenne dat es om dijn volc te regerene ende om hen doer te leidene doer die zee ter havenen van Jherusalem. Oec mede sijdi sculdich te tastene die diepheit van deser zee met uwer roeden.
  • 439 (regels 1-2). Titel van een hoofdstuk: Van der zee, hoe dat sij ghelijct wert bijder werelt om der grooter vreeselicheit ende perikel die daer inne es.
  • 443 (regels 24-27 e.v.). Lieve vrient, weet dat dese zee de welke du hier sies bediedt de werelt, de welke nemmermeer so wel te rusten en es, dair en sijn inne grote tempeesten ende onghewederten ende vele tormenten, om dies wille datter de wint van Ydelre Glorien inne wayet (…).

Brugman ed. 1948a (XV)

  • 228 (preek 29, regel 63-70). Prekenbundel. Doen Adam uut den paradijs geworpen was overmits die sunde der ongehoersamheit, doen al dat menschelike geslechte, dat van hem quam, inder werelt dolende was, recht oft inder wilder zee hadde ghelegen, ende en mochten bi hem)selven niet te lande comen, doen hadde die heilige drievoldicheit mede-doeghen metten menschelike geslechte. Daer-om sprac die soen totten vader: ‘Vader, seyndet mi ende werpt mi in die zee, ende laet mi sien of ic dit volc yet te landen ghebringhen can’.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 251 (23ste collacie van de H. Geest, regels 18-24). Prekenbundel. De H. Geest spreekt tot de zusters over een boom die over de hele aarde reikt, de takken hangen over de zee en draagt zoveel rozen dat boven elke mens een roos hangt: desen boem beteekent die passie uus bruydegoems dat sijn telgheren over reycten al eerterijc ende die zee dat beteekent dat u bruydegoem met sijnder weeliker doot ghenoech ghedaen heeft voer alle menschen ende dat over elcs menschenhoeft cleyn ende groot gheloeveghe ende ongheloeveghe een suete roese ghenicht hinc dat beteekent dat god die vader bereet es gracie te gheevene overmits die passie sijns soens.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 302 (verzen 25-26). Vroede rederijkersballade. Onslieder schip leeght cranck gheboeydt / Inde zee van tranen, doch moeten wy duere.

Le Grant Kalendrier et Compost des Bergiers ed. 1976 (ca. 1500)

  • I72. Een schaapherderskalender. Aantekening bij het Credo: Homme mortel vivant au monde est comparé a navire sur mer our riviere perilleuse portant rich marchandise, lequel s’il peut venir au port que le marchant desire, il sera heureux et riche. La navire quant entre en mer jusques a fin de son voyage est en grant peril d’estre noyee ou prinse des ennemys. Car en mer sont tousjours perilz. Tel est le corps de l’homme vivant au monde; la marchandise qu’il porte est son ame, les vertus et les bonnes oeuvres. Le port es paradis auquel qui y parvient est souveraynement riche. La mer est le monde plain de vices et pechez.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 22 (refrein 146, vers 23). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Den storm der zee myn seer veruaert. Context: De maan (Maria) heeft macht over de zee (de wereld). Storm op zee = bekoringen en beproevingen van wereld en duivel.
  • 32 (refrein 151, vers 15). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Maria is de duif en Christus de olijftak die ons verloste wter zee van tribulacien.

De institutione feminae christianae ed. 1998 (1524/1538)

  • 208 (Boek III, hoofdstuk 1, paragraaf 7, regel 10). Moraliserend humanistentraktaat. (…) mortem ingressum ex navigatione in portum (de dood is het binnenvaren van de haven na een zeereis).

Doesborch II ed. 1940 (1528/30)

  • 159 (refrein 84, verzen 60-63). Vroed rederijkersrefrein. Tsviants bedriech, swerelt listichede, / Tvleesch aentreck die hebben ons mede / Bestreden met groter meugenthede / In dese gheleuerde bedroefde zee.

Leffinge: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 73 (verzen 351-355). Rederijkersspel. Comt u perijckel an / Inde zee des waerelts, wilt niet af breken / Tancker van hope, of ghy moght zeer straf steken / Te gronde, meszeylt, eer ghy inde havene / Qwaemt van glorye.

Crul ed. 1954 (XVIA)

  • 73 (verzen 8-11). Vertaling van Psalm 13: Die wateren des drucx zijn op mij ghegoten, / Ic sie de zee brieschende voer mij staen; / Heur baren hebben mij rontsomme besloten, / Ic en weet waer loopen, rijden, noch gaen.

De borchgravinne van Vergi ed. 1988 (1558-60)

  • 292 (verzen 1412-1415). Vroed refrein in een gedrukte prozaroman. Tsviants bedroch, swerelts listichede, / Tsvleesch aentreck die hebben ons mede / Bestreden met groter mogenthede / In dese gheleverde droeve zee.

Mertens/Torfs VI 1976 (1561)

  • 509. In de Antwerpse Ommegang van 1561: de Wereld is een zee vol turbacie.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 243 (boek III, refrein 6, strofe c, verzen 1-6). Vroed rederijkersrefrein. Sint Jan seyt, soo sijn schriften betoogen waer: / Al t’gene, dat men inde werelt siet, / Is wellust des vleesch, begeerte der oogen claer / En hooveerdije des levens, en anders niet. / De werelt is een see, die altijt vliet / Ongestadich, periculoos om versincken. Vergelijk I Johannes 2: 16.
  • 277 (boek III, refrein 16, strofe d, verzen 17-18). Vroed rederijkersrefrein, lofdicht op Maria: Lof havene, daer die schipbreukige toe vlien, / Die inde Zee van mistroosten wanen verdrincken!

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 40-41 (refrein 97, strofe 3, verzen 4-6). Vroed rederijkersrefrein. De weirelt is de see daer wy in varen: / ons scheepken wert belast met menigerley baren: / nu hooge dan leege, nae ebbe volcht vloet.

De seven wercken der barmherticheijden ed. 1993 (XVIB)

  • 34v (verzen 973-974). Rederijkersspel. Twaerachtich Woort Goots zegt over de ketters: het sijn voor waer, wilde baeren der see / haer eijgen schant opschuijmende alhier ter stee.

Schipper, Pelgrim en Post ed. 1998 (XVIB)

  • 35v (verzen 623-624). Rederijkersspel. Schipper zegt: als een schipper die inde wilde see moet seijlen / dats in deese werlt.

 

2 Zee = de hel

[Mostert 1999: 199. Naar aanleiding van ‘het bijbelse beeld van de zee’. Het water van de zee, gebruikt als middel tot kastijding van het kwaad, kon worden geïdentificeerd met het kwaad zelve (vgl. Job 7: 12). De monsters die de zee bewoonden, met de Leviathan vooraan, symboliseerden het kwaad (bijvoorbeeld Jesaja 27: 1). De diepe wateren van de zee stonden voor het dodenrijk (Jona 2: 3-7).]

 

Dietsche Lucidarius ed. 1998 (1400-20)

  • Z.p. (verzen 833-835). Stichtelijk rijmtraktaat. Men seit dat een helle is / In latine geheten lacus mortis, / Dat bediet ene zee der doot. ‘Ene zee’ betekent hier eerder: een meer.

De Spieghel der Menscheliker Behoudenesse ed. 1949 (XVa)

  • 29 (hoofdstuk III, verzen 359-361 / 369-372). Geestelijk rijmtraktaat. Over Maria, de ‘leidsterre vander zee’: Zonder hare moghen wij liden niet / Die broeyende zee der hellen verdriet, / Noch ter hemelscher havene raken. (…) Bider welker wij, aerme weesen, / Zijn ontvloon der groter vreesen / Vander diepheit van deser zee / Ende vri bliven emmermee.

 

3 Zee = de dood

 

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 193 (refrein 106, vers 24). Vroed rederijkersrefrein over sterven: Wi moeten al steruen, o zee vol pijnen = De Bruyne III 1881: 34 (refrein 96): Wy moeten al sterven, o see vol pynen.

 

4 Zee // Laatste Oordeel

 

Antekerst ed. 1984 (1539)

  • E3r. Gedrukt volksboek. Het eerste voorteken van het Laatste Oordeel = de zee zal zich verheffen boven de aarde. Dit is een waarschuwing aan de hovaardigen die altijd twisten en kijven. Hun hart is onrustig als de barnende zee. Zij willen altijd de hoogste staat bereiken.

 

5 Zee = God

 

Vanden blinckenden steen ed. 1934 (XIV)

  • 27. Mystiek traktaat van Ruusbroec. Rivieren die naar zee vloeien // de mysticus die naar God vloeit: Dit ontsincken es ghelijc den rivieren die sonder ophouden ende sonder wederkeren altoes vlieten inde zee, want dat es haer eyghen stad. Alsoe ghelijckerwijs, eest dat wij gode alleene besitten, soe es onse weselijcke ontsinken met hebbelijcker minnen altoes vlietende sonder wederkeer in een afgrondich ghevoelen dat wij besitten ende dat onse eyghen es.
  • 31. Een druppel vergeleken met de zee = wat de mysticus ervaart van God tegenover wat God echt is: ende wij leeren, in die waerheit sijns aenschijns, dat al dat wij ghesmaken, jeghen dat ons ontblijft, dat en es niet een druppe jeghen al de zee: ende dit verstormt onsen gheest in hitten ende in ongheduere van minnen.

Van der Navolghinge Ons Heren Jhesu Cristi ed. 1954 (XVA)

  • 123 (Boek III, hoofdstuk 14, regel 15). Geestelijk traktaat. Over Gods oordeel: O ongemeten zwaerheit, o zee diemen niet over zwemmen en mach, daer ic niet van mi selven en vinde dan altemael niet!

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 165 (verzen 22-23). Rederijkersrefrein, Marialof. God is mens geworden via Maria. Ghelijck als vander hoochster zee / alle aerdtrijcke versch ende bespoeyt es, zo heeft de Godmens ons mensen genezen.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 405 (Boek III, refrein 54, strofe c, verzen 10-12). Vroed rederijkersrefrein. Hoe wel mijn boosheyt groot als deser blijct, / Bij u bermherticheyt sij niet meer en gelijct / Dan een droppel waters bij die heel zee. Druppel water = de zondigheid van de mens, de zee = Gods barmhartigheid.

 

6 Zee = Maria

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 228 (refrein 113, vers 48). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Gratia plena oueruloyende zee.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 28 (refrein 148, verzen 25-26). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Lof ootmoedichste maecht ghebenedijt / afgrondeghe zee ouer vloyt van gracien.
  • 30 (refrein 150, verzen 4-6). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Aue onbeulecte znee / aue ghebenedyde zee / daer verdoolde schip in went.
  • 39 (refrein 154, vers 43). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Een zee vol gracien maria sydij.

Maria gheleken byden throon van Salomon ed. 1920 (1529)

  • 312 (verzen 495-502). Rederijkersspel. Voort seght hy [Christus namelijk] Mathei zeventhiene hueghelic / een vulmaect ghelooue doet berghen verghaen groot / ende worpen jn zeede. Dit heift ghedaen bloot / Maria als zou met een vast ghelooue goet / gheseyt hadde naer dyn woort my ghescien moet. / Cristus den hoochsten berch des shemels troone / es ghedaelt jnde zeede van hueren persoone / ende dit duer huer ghelooue groot van crachten. Christus zei (Matheus 17) dat een groot geloof bergen doet vergaan en in zee vallen. Door het geloof van Maria is de hoogste berg (Christus) in haar zee gedaald.

 

7 Zee = de vrouw

 

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 370 (nr. 65, verzen 6-8). Amoureus lied. Dese .M. es boven allen crachte / Machtich mijns, ghelijc der zee / Canzoe mi gheven zuer ende zachte.
  • 503 (nr. 124, verzen 11-12). Amoureus lied. Ghelijc der hebben enter vloet / Gheift si mi zacht ende zere.
  • 509 (nr. 128, verzen 1-3). Amoureus lied. O soete natuere, wijflich moet, / Ghelijch der ebben enter vloet / Doestu mir liden zeer ende zacht.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 121 (refrein 63, verzen 12-14). Vroed rederijkersrefrein over de vrouwen: Die de ardighe vrouwen aensiet / soe synse een zee een stroemende vliet / vol melodieusheden.

De institutione feminae christianae ed. 1996 (1524/1538)

  • 112 (Boek I, hoofdstuk 10, paragraaf 82, regel 10). Moraliserend humanistentraktaat. (…) rursus impudicam mare et thesaurum malorum omnium (de onkuise vrouw daarentegen is een zee en een voorraadkamer van alle kwaden).

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 186 (fol. 259r, verzen 7-12). Rederijkersgedicht. Een lieve maagd wordt een woeste zee eens ze getrouwd is: Een maeght vp hueren huwedach meest simpel ghebleken / gracelick in tspreken / paeyselick zochtzinnich, oetmoedich ghedwee / maer alsser den dam word in ghesteken / wordt ze als een VpRysende beroerde zee / met weewytegher wee word de man dan bedaut.

 

8 Zee: restmateriaal

 

Jakobus I: 6

In verband met het vragen van wijsheid aan God: Maar hij moet vragen met geloof en zonder te weifelen; want wie weifelt, gelijkt op een golf van de zee, die door de wind wordt bewogen, en heen en weer wordt geslingerd. Golven van de zee, bewogen door de wind // twijfel, wankelend geloof.

Consolatio philosophiae ed. 1990 (524)

  • 122 (Boek III, carmen 8). Geestelijk traktaat. Een leuk citaat/motto: Ipsos quin etiam fluctibus abditos / norunt recessus aequoris (wat de zee ook verbergt, diep onder ’t oppervlak, / ze delven haar geheimen op).

Rijmbijbel II ed. 1859 (1271)

  • 314 (hoofdstuk 371, vers 19.586). Berijmde historiebijbel. Bede bi zewe ende ooc bi lande. De Middelnederlandse term ‘zewe’ voor zee (vergelijk nog steeds: Zeeuws-Vlaanderen).

Vita Beatricis ed. 1993 (XIIId)

  • 104 (paragraaf 145). Latijns heiligenleven. Als de strijder van Christus zag dat ze – alsof ze zich in volle zee bevond en van alle kanten overspoeld werd door een orkaan van golfslagen – bestookt werd met het massale geweld van een zware strijd, verstarde ze plots uit onzegbare angst. Weer die ‘storm op zee’-topos.

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 305 (nr. 35, verzen 12-14). Lied over ontrouwe vriendschap: Steidich ende onsteidich bloet / Staet vaste als riet in winde, / Als nu eist ebbe, als nu eist vloet.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 28 (refrein 11, vers 3). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Verwijten aan de ‘Valsche Fortune: o vloyende zee, hoe vloydi wt mijn herte. Golvende zee = onbetrouwbaarheid van het lot.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 89 (refrein 24, strofe b, verzen 3-5). Vroed rederijkersrefrein. Nu vloeyt wachermen de zee der tribulatien / Vol schandalizatien / Van oorloghe, sterfte; God moet ons beschermen. Woelige zee = woelige oorlogstijden.

Mont toe ed. 1950 (1583)

  • 49 (vers 102). Rederijkersgedicht. Een kwade tong is zeer erg: Een vreeslick tempeest, een draeyende Zee. De ‘storm op zee’-topos, toegepast op roddel en achterklap.

 

[explicit 10 mei 2016]