ZON SCHIJNT DOOR GLAS

 

1 Zonlicht dat door glas schijnt // de H. Geest die de maagd Maria bevrucht + Christus die geboren wordt uit een maagd

 

Martien J.G. de Jong, Kerstfeest in de Middeleeuwen, geschilderd en geschreven, Leuven, 2001 (= De Jong 2001), p. 88: ‘Een even bekend en vergelijkbaar beeld voor de maagdelijke ontvangenis en geboorte was dat van de zon wiens gloed en warmte door een venster kan binnenkomen zonder het glas te beschadigen. (…) De bekende glas- en lichtmetafoor, die wellicht teruggaat op een preek van de Heilige Bernardus’.

 

Levene Ons Heren ed. 2001 (XIIIA?)

  • 18 (verzen 362-365). Berijmd Jezusleven. Maria bevalt van Jezus zonder pijn: Maer dat ne gesciede no sint no eer / Daer wijf gelach daer ne was groet seer / Mariën vele bat te moede was / dan daer die sonne scijnt in een claer gelas.

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 47 (regels 28-32, vraag 17). Artestekst. Over de maagd Maria die Jezus baarde: Van dien gheslechte sal comen de maget sijn ende sal sijn suver ende puer sonder sonde ende bloyen sal van alre weerdicheden ende sal ontfaen den behoudere van alder werelt sonder mesgrijp ende salne onthouden in haren lichame; ende de porte sal sijn besloten alse die sonnen in compt doer tgelas sonder quetsen.

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1390)

  • 440 (nr. 97, verzen 25-30). Vroed lied. Marialof. Also de zonne dorscijnt een glas / Ende bi der rayen groyet gras, / So dede de vader een neder drijf. / Drie rayen endende in eenen pas / Bescenen die roze, die zuver ras / Ontfijnc dat zaet om ons beclijf.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 298 (Winterstuc, hoofdstuk 40, regels 21-24). Theologisch compendium. Recht als inden morgen douwe een rose uutbrect ande als een glanse doer den glase trect, soe onghequetst bleef die maecht van des kints boorte.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 280-281 (Somerstuc, hoofdstuk 17, regels 188-192). Theologisch compendium. Ghelijc als een glas niet en wert ghequetst, dat der sonnen raeyen daer doer schinen, noch die struuck dat die bloem daer doir ontspruut, also heeft hem die moeder sonder smet ontfanghen, sonder broke ghebaert, sonder sonden ghewonnen ende sonder weer ghebaert.

Tübingse Sint-Geertruihandschrift ed. 1996 (circa 1445-50)

  • 96 (nr. 3, verzen 288-292 / 309-314). Over het lichaam van de zaligen bij het Laatste Oordeel: Want als wi inder scriften lesen / Al waer een mure noch soe dick / Dien soudet in een oughenblick / Sonder enich weder staen / Soe lichtelike dore gaen / Als die claerheit vander sonnen / Doer een glas soud schinen connen / (…) Mar dattet mach doer gaen een muer / Sel wesen bouen die natuer / Bi mirakel als quam voert / Onse heer in sijn gheboert / Die vut sijn moeder is ghegaen / End liet die sloten hele staen.

Brugs handschrift (1487)

  • De Jong 2001: 64. Circa 1300 schreef een anonieme auteur (Pseudo-Bonaventura) de Meditationes vitae Christi. Daarin onder meer een kerstverhaal. Uit de vrije Middelnederlandse prozavertaling hiervan in een Brugs handschrift van 1487: Ende in een oghenblic so daelde de heleghe gods sone voor die voeten van sijnder moeder ghebenedijt up dat hoy, haer soete ombesmette maechedlic buucxkin blivende ombesmet, onghequetst ende onghescoffiert, ghelijck dat die clare sonnen scijnt duer dat glas.

Utrechts handschrift (circa 1500)

  • De Jong 2001: 169-170. Een Middelnederlands kerstlied Tis een dach van vrolicheden uit een Utrechts handschrift van circa 1500 uit het Tertiarissenklooster van Sint-Agnes (nu in Tübingen), strofe 5, verzen 1-4: Ghelijc dat niet en quest dat glas, / Daer die sonne schijnt dore, / Gheloof ic, dat si maghet was, / Nae rein ende vore. Dit is één van de vele Middelnederlandse vertalingen, be- of verwerkingen van de Latijnse hymne Dies est laetitiae, zeer verbreid in de Middeleeuwen.
  • De Jong 2001: 172. Strofe 5 van deze Latijnse hymne: Ut vitrum non leditur / Sole penetrante, / Sic illesa creditur / Virgo post et ante.
  • De Jong 2001: 236. De zon die door het glas schijnt: de vergelijking komt onder meer in het veel vertaalde kerstlied Dies est laetitiae en in de kerstvisioenen van Hendrik Mande. Met nog verdere verwijzingen naar secundaire literatuur.

Suuerlijc boecxken ed. 1957 (1508)

  • 13-14 (lied IV, strofe 3). Kerstlied. Een ghelas al schijnter doer / ten breect niet vander sonnen / dus heeft die maghet na en voer / ioncfrou een kint gewonnen.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 202 (refrein 102, verzen 41-44). Vroed rederijkersrefrein. Marialof. Dus segic god en liet noyt synder moeder sondich betichten / By figuren claer als der sonnen schijne / doer een glas syn claerheyt laet lichten / Sonder tglas hinder dies ic v loue in dichten.
  • 207 (refrein 104, verzen 26-27). Vroed rederijkersrefrein. Marialof. Goeds geest vlooch doert dierbaer glas / sonder broke daer ane te doene.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 38 (refrein 154, verzen 19-20). Vroed rederijkersrefrein. Marialof. Ghelyc tghelas vander sonnen noyt en faelde / soe bleefdi vol gracien puer onghescent.

 

2 Gebroken glas = verlies van maagdelijkheid

 

Ampe ed. 1967 (vóór 1565)

  • 146. Kerstpreek. Over de maagdelijkheid van lichaam en ziel, meer bepaald over de maagdelijkheid van lichaam: Die suyverheit des lichaems, als die eens verloeren is doer tvolbringhen vander sonden, soe en mach dese inder eewicheit nummermeer gherestitueert worden, ghelyc een costelycke gelas, dat eens gebroken is, dat moet eewelijck gebroken blijven.

 

3 Zon schijnt door glas = liefde dringt door in het hart (amoureus)

 

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 26 (refrein 10, verzen 1-3). Amoureus rederijkersrefrein. Klacht van verlegen minnaar: Al ist dat liefde ter herten daelt / ghelijc die sonnen tgelas doorstraelt / vander alderweerste, duer liefs ghesichte.

 

[explicit 10 december 2016]