ZON

 

1 Zon = God, de goddelijke genade

 

[Vergelijk Jakobus 1, 17 : ‘Elke goede gave, elk volmaakt geschenk daalt neer van boven, van de Vader van de hemellichten, bij wie geen verandering is of verduistering door omwenteling’.]

 

Consolatio Philosophiae ed. 1990 (524)

  • 179 (Boek V, carmen 2, verzen 1-14). Latijns traktaat (Boethius). ‘Alles aanschouwt hij en alles ook hoort hij’ / Zo zingt van Phoebus, die ’t zuivere licht schenkt, / d’Honingzoet gevooisde Homerus. / Maar met zijn stralen door d’aardkorst te breken, / Zee te doorklieven tot diep op de bodem, / Daartoe is zelfs de zon niet bij machte. / Zo staat het niet met de schepper der wereld: / Zijn blik, ’t heelal uit den hoge aanschouwend, / Stoot, in de aarde, op niets wat hem dwarsboomt, / Niets is zo duister of ’t geeft zich gewonnen. / Alles wat is, wat geweest is, wat zijn zal: Zijn geest slaat er één blik op, en vat het. / Zo’n licht verdient het om zonlicht te heten. / ’t Alziende licht dat de zon doet vergeten.

Gheestelike Brulocht ed. 1934 (kort vóór 1343)

  • 106. Mystiek traktaat (Ruusbroec). Hier omme es god een ghemeyne schijn ende een ghemeyne licht dat verlichtet hemelrycke ende eertrijcke ende yeghewelken na sine noot ende na sine weerde. Al es god ghemeyne, ende al schijnt die zonne ghemeyne op alle boeme, menich boem blivet doch zonder vrucht, ende sulc boem draghet welde vrucht, te cleynen orborre der menschen.

Blinckenden Steen ed. 1934 (vóór 1343)

  • 24. Mystiek traktaat (Ruusbroec). Ende inden ledeghen sine ons gheests ontfaen wij die ombegripelijcke claerheit, die ons beveet ende doergheet ghelijckerwijs dat de locht doergaen wert met claerheiden der zonnen.
  • 29. Want ghelijckerwijs dat die zonne met harer claerheit ende met harer hitten verlicht ende verblijt ende vruchtbaer maect alle die werelt, alsoe doet god met zynre ghenaden: hy verclaert ende hy verblijdt ende hy maect vruchtbaer alle menschen die hem ghehoorsam willen sijn.
  • 33-34. Zon = God. De heiligen zien haar volledig, de mysticus loopt nog in de schaduw en ziet de zon zelf nog niet.

Orloy der ewigher wysheit ed. 1926 (XIVA)

  • 131 (regels 3-8). Stichtelijk traktaat. Dat licht der sonnen dat en is alsulke licht niet, alse men voet van wasse of van roete oft van eenegher ander vetheit, nochtan eest vele puerre ende eldere dan eenich licht van enigherhander materyen ghemaect. Alsoe gheliker wiis is alle creatuerlike scoenheit in hair zelven niet, ieghen dat si in hair exemplaer beghin, dat is die godlike herte.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 398 (Winterstuc, hoofdstuk 51, regels 105-111). Theologisch compendium. Over Christus’ transfiguratie zei Augustinus dat die godheit in Cristo was verhouden ende bedect mitter hant Gods ende doe lit hise vloyen ende dringen inder sielen craften ende voort doer die synnen des lichaems, ghelijc als die een venster op-dede ende die sonne liet inden huse schinen, of gelijc als die sonne doer den wolken tot ons schijnt. Aldus wert voer figuriert mit der arken des testaments, daer die glorie Gods op verscheen doer nevel ende wolke.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 485 (Somerstuc, hoofdstuk 39, regels 204-206). Theologisch compendium. Vier dingen die horen bij de bekering van een mens: Dat derde is: invloet Gods ghenade, recht als licht der sonnen ende als douwe uuter lucht ende gave uut den scat.

Brugman ed. 1948a (XVc)

  • 78-79 (zevende preek, regels 6-36). Prekenbundel. De zon schijnt op alle dingen even heet, maar ijzer wordt sneller warmer dan hout. Zo is het ook met de sermoenen van predikers: die worden opverschillende manieren ontvangen: de ene wordt erdoor aangespoord tot het kwade, een andere tot het goede. Zo is het ook met de genade Gods: die wordt door verschillende mensen op verschillende wijzen ontvangen, bij de ene meer, bij de andere minder.
  • 147 (elfde preek, regels 7-15). Christus spreekt: ‘Gelijc dat myn hemelsche vader ontfermhertich is, die sijn sonnen laet schijnen op die goede ende op die quade ende den reghen op op die gherechtige ende op die ongerechtige’. Die sonne was dat ewige licht. Ende dat ewige licht was sijn soen, die alle die werelt verlichte, ghelijc als hi welve seit inder ewangelien: ‘Ic bin dat licht der werelt. Ende echter alsoe lange als ic inder werelt bin, soe bin ic der werelt licht’.

Handschrift-Jan Phillipsz. ed. 1995 (circa 1473-circa 1481)

  • 131 (nr. 112, verzen 127-132). Stichtelijke rijmtekst. Onse gesichte wert vander sonnen verdreuen / Wij en mogen dair jn gestaren twint / Hoe soude dan toge mogen werden beglint / Taenscouwen die sonne der hoichster naturen / Die godlike substancie die nyement en versint / Noch ten eynde zijns wesens en can gesturen.
  • 132 (nr. 112, verzen 174-180). Idem. Oick laetstu dijn sonne hier neder leken / Beyde vpten bosen ende vpten goeden / Nochtan geen onreynmen can gespreken / Vander sonnen noch oic van dij vermueden / Mer mildelic deelstu dijn hemelsche vlueden / Den goeden teen gaue den bosen teen spijt / Lof wairdich sacrament gebenedijt. Zon = hier ook: Christus.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 185 (verzen 117-118). Vroed rederijkersgedicht, Marialof. Lof mitter ewighen sonnen claerheijt / ghecleet menijoot.

Tielt: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 248 (verzen 115-126). Rederijkersspel. [Troostelicke Allegacye:] Of maer eene in swaerels wijcken ware, / Zo vaste houdt u dit woordt ghezworen: / Iesus es my ghegheven ende gheboren; / Wat meshandt u dat andere licht ontfaen / Vander zonnen? / [Des gheests zonderlijnghe insprake:] Of op de aerde gaen? / Moet u dies lichts of aerden ghebueren min? / [Goetwilligh om staerven:] Neent, voorwaer! / [Troostelicke:] Dat es der schrifueren zin: / Ic ben niet huerliedre, maer u God, u heere. God beschijnt / bemint iedereen.

Meenen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 375 (verzen 1-2 / 7-8). Rederijkersspel. Lof goddelic ingien vol zoeter gracye, / U raeyen bespraeyen hier daerde beneden. Twee maal hetzelfde verzenpaar.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 124 (fol. 58v, vers 15). Vroed rederijkersrefrein. De zonne van Rechtueerdicheyt.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 6 (refrein 43, strofe 2, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein. Ghelyc die sonne die mane te boven gaet, / soo canmen, door die wysheyt des Heeren raet / die landen best houden in vrede goet.
  • 7 (refrein 43, strofe 4, verzen 3-4). Idem. Over Gods wijsheid: want sy is schoonder dan der sonnen aenschyne, / sy is gecomen van den Heyligen Geest.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 3 (refrein 88, strofe 4, vers 1). Vroed rederijkersrefrein. Lof op God. O opperste prinche, die boven de sonne schoon blinct.
  • 121 (refrein 117, strofe 1, verzen 13-14). Vroed rederijkersrefrein. Daerom vliet van desen bedriechelycken schyn / tot de sonne der waerheyt, nae Gods gebodt.

 

2 Zon = Christus

 

Gheestelike Brulocht ed. 1932 (kort vóór 1343)

  • 117. Mystiek trakaat (Ruusbroec). Ende cristus es een zonne der gherechticheit ende oec der ontfarmherticheyt.
  • 151. Also ghelijckerwijs blict ende schijnt ende verlicht die eeuwighe zonne cristus.
  • 152. Daer schijnt cristus, die zonne der gherechticheit.
  • 156. Die eewighe zonne cristus.
  • 157. Die claere zonne cristus.
  • 160. Cristus die godlijcke zonne.
  • 161. Inschinen cristi der eeuwigher zonnen. (…) Cristus die ghewarighe zonne.
  • 175. Cristus die clare zonne.
  • 176. Die minlijcke sonne cristus.
  • 176-177. Cristus die gloriose zonne.
  • 177. Christus = die eewighe zonne.

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 492 (nr. 120, verzen 4-5). Vroed lied. Die zonne ons gaer betughet haet / Dat ons de dach vor handen staet.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 386 (Winterstuc, hoofdstuk 50, regels 16-18). Theologisch compendium. Over Christus: Uut sijn ogen so ghingen somwijl sonnessche raye, die grote vrese sinen vianden sloeghen ende grote eer sinen vrienden tot hem wert drogen.
  • 394 (Winterstuc, hoofdstuk 51, regels 9-12). Over Jezus’ transfiguratie: Ende in sinen gebede wart hi voer hem transfiguriert ende sijn aengesicht verscheen blinckende als een sonne ende sijn cledere worden wit als een snee.
  • 421 (Winterstuc, hoofdstuk 53, regels 129-131). Christus toonde tijdens Zijn leven drie maal Zijn goddelijke aard: Anderwarf in sijnre transfiguracie, daer hi voor drie iongheren sijn wesentlike glorie bewijsde, die doer ziel ende lijf dranck ende sijn aensicht weder blincke als een sonne.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 74 (Somerstuc, hoofdstuk 6, regels 107-109). Theologisch compendium. Over Christus’ ogen: Daer sinte Barnaert aldus of seit: Die oghen die boven der sonnen licht blencken ende schinen, werden inden doot duuster.
  • 138 (Somerstuc, hoofdstuk 8, regels 187-188). Gode, die die sonne is der rechtveerdicheit, die verlichtende is alle mensche.

Leven Ons Heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 42 (hoofdstuk 5). Jezusleven. Huden is ons die sonne der gherechticheit, die was inden wolken, claer gheschenen.
  • 170 (hoofdstuk 31). Mar du, sonne der gherechticheit, du hebste dijn ray ontoghen.
  • 180-181 (hoofdstuk 32). Over Christus’ kruisdood: Van der lester uren so wart die duusternisse op der aerden, op dat die sonne horen Heer niet en saghe hanghen aen den cruce, want die gherechtighe sonne noot hadde, ende op dat die quade menschen dat licht der sonnen niet ghebruken en souden. Ende dat duerde drie uren lanc, waer om wi begaen die drie donckerheden int eynde vander metten.
  • 226 (slothoofdstuk). Ihesus is claerre dan die sonne.

Brugman ed. 1948a (XVc)

  • 61 (derde preek, regels 487-488). Prekenbundel. Want die sonne der rechtverdicheit christus…
  • 129 (tiende preek, regels 554-567). Doe onse lieve here ghetransfugueert wart op den berch van taber, doe wart sijn aensicht claer als die sonne ende sijn cleder wit als die snee. Dat sijn ansicht claer was als die sonne, dat hoerden god toe, ende dat sijn cleder wit waren als die snee, dat hoeren ons toe, ende alsoe als die claerheit der sonne gaat baven witheit des snees, alsoe gaet die glorie gads baven die glorie der heligen.

Handschrift-Jan Phillipsz. ed. 1995 (circa 1473-circa 1481)

  • 48 (nr. 13, verzen 2-4). Gebed. Over Maria: Want sy sel baren den ouersten coninc Die sonne der gherechticheyt.
  • 62-63 (nr. 40, verzen 1-66). Astrologisch kerstgedicht, waarbij de zon = Christus.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 205 (22ste preek, regels 4-6). Prekenbundel. Jezus draagt een wit kleed: Ende het bleyncte als die radyen der sonnen dat beteykende die soete leringhe mitten lichte der godheit.
  • 252 (43ste preek, regels 7-8). Uit het hart van Jezus komt een heldere zon: die claer sonne beteykent dat licht der gracien dat doet licht in uwer sielen ende verlichtse.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 142-143 (veren 127-132). Vroed rederijkersgedicht, lof op het H. Sacrament: Bedy ons steruelic hooghe mach niet ghedooghen / De zonne te ziene, een steruelic engien, / Hoe zoude ons die ontsteruelike claerheit gheschien / Te ziene dan in onse steruelicke lucht / Wij zouden verblenden versteruen in dien / Soo hooghe, zoo claer, es die godlicke vrucht.
  • 165 (vers 27). Vroed rederijkersrefrein, Marialof: Want deeuwighe sonne dy bedaecht heeft.

Maria ghecompareirt byde claerheyt ed. 1920 (1511/12)

  • 394 (verzen 182-183). Rederijkersspel. Over Maria: Want vut hu claerheyt es gheresen te bouen / De zunne Christus.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 234 (refrein 116, vers 39). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Over Christus: Als sonne der gherechticheden slodt.

Reyne Maecxsele ed. 1906 (1571-83)

  • 55 (verzen 1213-1214). Rederijkersspel. Goetwillich van Herten (= Christus) zegt dat zijn lijden in vreugde is verkeerd: Want myn broosche lichgaem dat was lydelick zwaer / es nv als de blynckende zonne blydelick claer.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 111 (refrein 68, strofe 1, verzen 6-7). Vroed rederijkersrefrein (Anna Bijns?). Over Christus: Ghy syt die verlichten moecht ons arme blinde, / die sonne daer alle licht schynsel aen haelt.

Prieelken der gheestelyker wellusten ed. 1927 (1587)

  • 156 (strofe 1, verzen 19-20). Geestelijke lyriek. Maria ziet de verrezen Christus: Ende nu sach zij hem in dusentich vreuchden / Blinckende als die Sonne voor haer staen.

 

3 Zon = H. Geest

 

Des Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 379 (paragraaf 310). Stichtelijk traktaat. Du sultste weten, dat recht als die claerheit der sonnen, die wi mitten oghen sien, gheeft licht der werelt ende cracht ende moghentheit alle dinghen, dier wassen ende leven, also verlicht die heilighe gheest inder aerden alle die ghene, die in graciën sijn.

 

4 Zon = H. Drievuldigheid

 

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 35. De ‘coninc’ vraagt uitleg over de H. Drievuldigheid. Sidrac antwoordt: Alsoe alse die sonne heeft drie dingen in een, – dats substancie, claerheit ende hitte; die substancie die es de sonne, dat es de vader; die clarheit dats de sone, de hitte dat es die heyleghe gheest, dit sijn drie dingen in een: – aldus soe sijn drie personen in enen God.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 333 (Somerstuc, hoofdstuk 20, regels 148-155). Theologisch compendium. Die jongher vraecht, hoe verneem ic enen God drievoudich? Die meester seit: Sich die sonne aen, dair dese drie dinghen staen, als haer substancie ende daer verstaen wi den Vader bi, want hi is een oerspronc der Godheit; voirt hoir glans ende schijn ende dair verstaen wi den Soon bi, want hi is die wijsheit des Vaders; voort haer hetten ende brant ende dair verstaen wi de heilighen Gheest bi, want hi is die minne hoirre beider.

Brugman ed. 1948a (XVc)

  • 127-128 (tiende preek, regels 511-539). Prekenbundel. Over de hemel: Daer is [die] helige drievoldicheit, een god ende drie personen, gelick der sonnen. Die sonne verlucht alle die werlt, nochtant onderscheit men hoer radien ende hoer heite ende gelick als die radien van der sonnen voertcomet, alsoe is die soen voert-gecomen van den vader. Gelick dat die heite comet van der sonnen, soe comet die mijnne van den heligen geest. Ende van den vader ende van den soen ende van den heligen geest comen ons seer wonderlike gaven. Ghelick als wij in der sonnen merken drie dijngen, dat is die sonne, die radien en die heite, nochtant ist een sonne, alsoe is die helige drievoldicheit drie personen ende een wesen, nochtant alsoe mercklic ende alsoe onverscheydelike ende alsoe claerlicke als enich dinck. Ende gelic als die sonne verlucht al die werlt, alsoe verlucht die helige drievoldicheit al den hemel.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 160-161 (verzen 4-15). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. De goddelijcke sonne, de hooghe croone / Die soete drijvoudicheyt in persoone / Welcke Sonne der sonnen hoochst moet zijn / Aen hem ontfinck dat lichten dijn / Als sterre vol gratien sonder gronden / Want de sonne des Triniteyts diuijn / Puer dalende in dijn suyuer schrijn / De Sone barende bouen conden / De Sonne gheuonden, alder hoochst ghesticht / By goddelijcke crachten ghebaerst ontfaen / Lof Sterre die aen de sonne naempt licht / Wten welcken de sonne is opghestaen.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 277 (refrein 130, verzen 67-83). Vroed rederijkersrefrein. Princhen ewich tsamen inder waerheijt / in enen name wercken perfectelick / Soe inder sonnen sonder swaerheijt / wercken maecsel, hette en claerheijt / in crachten elc anderen subiectelick / Dmaecksel vander sonnen correctelick / en sou gheen sonne syn sonder heetheijt / Noch maecsel en hitte onbeulectelick / sonder claerheyt dat es onbescheetheijt / Sy moeten tsamen inden beleetheyt / sout syn een sonne puer ende volmaect / Sghelycks die triniteyt in eender breetheyt / werct in haerder enicheyt onghelaect / Sy drie syn een in drien ghestaect / ende een in drien in een beuelle / Lof sy v goods sone aent cruce naect / die cracxhtchste in hemel in erde in helle.

 

5 Zon = Maria

 

Spieghel der Menscheliker Behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 56 (hoofdstuk 10, verzen 184-189). Stichtelijk-typologisch berijmd traktaat. Over Maria: Zo heetsoe eene dagheraet, / Daer alle zielen te rechte na ayen [verlangen]. / Ghelijc der zonne es zoe vol rayen / Ende spreid haer rayen der gracien verren / Want zoe blect [blinkt] boven allen sterren / Die anden hemel zijn ghestaen.
  • 269 (hoofdstuk 45, verzen 157-160). Over Maria: Die bi der zonne bediet es, / Want dijn helighe lijf vul es / Van bliscepen, reyne beilde, / Ende ooc mede van groter weilde.

Eerste Bliscap van Maria ed. 1978 (1448)

  • 127 (vers 1749-1750). Mysteriespel. Over Maria: Scoender dan de zonne ende boven dlicht / Der sterren duytnemenste, ongebreckelijxste.
  • 133 (vers 1883). Over Maria: Haer scoenheit verlicht [overtreft] al tscijn der sonnen.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 198-199 (18de preek, regels 82-84). Prekenbundel. Maria wordt in de hemel omringd door engelen: Hoe soetelic dat si sonderlaet omringhet wordt vanden engelene ende van alle den hemelschen heer, welke claerheit teghen die hoer is als een scaduwe teghen een claer sonnen schijn.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 184 (vers 106). Vroed rederijkersgedicht, Marialof: sonne der xij tekenen vercoren.
  • 213 (vers 33). Vroed rederijkersgedicht, Marialof. Versie RW: O vriendelijcke sonne niet om verschoonen. Versie St: Ghi syt die sonnen schoon bouen verschoonen.
  • 213 (vers 39). Idem. Versie RW: O glisterende sonne, aensiet die dus leydt.

Diets gebedenboek ed. 1961 (1510-20)

  • 202. Gebed tot Maria. Want ghelijckerwijs dat den dach claer licht ghegeuen wort vanden licht der sonnen, soe doet ghij alle die werelt ende den hemele waerlijck blincken mits volheijt des lichts ws vreden.
  • 261. Gebed tot Anna. Anna ghij hebt ghebaert een dochter die claer is als die sonne.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 8-9 (refrein 141, verzen 61-68). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Lof claer licht duerblinckende reen / daer svaders sone als raijen duerscheen / dat noyt te voren licht was soe puere / Belemmert van sondelyke wolken gheen / dies der suuerheyt sonne by v alleen / ghespreyt es alle die werlt duere / Ghelyc ons die sonne thoocht tyt ende huere / soe hebdi den tijt van gracien belaecht.
  • 10 (refrein 142, vers 18). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Maria is vercoren ghelijc der sonnen licht.
  • 18 (refrein 144, verzen 56-57). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. O clare stede van sonne of mane gheene / ghebreken dats mensche of inghelick staet. Maria is dus beter dan de zon en de maan (dan mensen en engelen).
  • 23 (refrein 146, verzen 33-34). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Ghi syt die sonnen schoon bouen verschonen / int midden der planeten gheseijt.
  • 40 (refrein 154, vers 57). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Maria is Sonne ende mane hoechste claerheyt.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 159 (strofe 4, vers 4). Vroed rederijkersrefrein, Marialof: Schoone als de mane: ghelijc dzonne ghepresen.

 

6 Zon // godvruchtige personen

 

Prieelken der gheestelyker wellusten ed. 1927 (1587)

  • 153 (verzen 25-29). Geestelijke lyriek. Surrexit Dominus, soo sullen alle die Godt beminnen / Ende zijn gheboden onderhouden voorwaer / Altsamen verrijsen, wilt dit versinnen / Ghelijck de Sonne blinckende en claer / Is opgaende inden dageraet schoone.

 

7 Zon = positieve personen of zaken

 

Der leken spieghel III ed. 1848 (1325-30)

  • 154 (Boek III, hoofdstuk 14, verzen 167-180). Didactisch rijmtraktaat. Wie predikt en zelf daarnaar leeft, is als de zon: hij geeft licht en blijft zelf helder. Wie predikt en er zelf niet naar leeft is als een kaars: hij verlicht de anderen en dooft zelf uit. Sulc predict dat Gods woort / Ende leert den volke voort / Ende leefter ooc selve na. / Dese sal, alsic versta, / Voor Gode sijn ghecroont / Ende met groten lone gheloont: / Want hi slacht der zonnen dan, / Die haer licht uut gheven can / Optie werelt, hier ende daer, / Ende blijft zelve even claer. / Sulke connen Gods woort uut gheven, / Diere selve en twint na leven. / Dese slacht der kaersen, hoe soot vaert, / Die enen andren licht ende haer selven vertaert.
  • 158 (Boek III, hoofdstuk 14, verzen 260-264). Over de clerus: Clergie soude met rechte bloot / Hare wijsheit baren, waer si ware; / Want si slacht der zonnen clare, / Die haer licht sprayt op al dat leeft, / Ende lichts nochtan niet te min en heeft.
  • 174 (Boek III, hoofdstuk 16, verzen 43-44). Over trouw: Trouwe is scoonre of also scone / Alse die zonne aenden trone.

Gheestelike Brulocht ed. 1934 (kort vóór 1343)

  • 215. Mystiek trakaat (Ruusbroec). Over de goddelijke gave ‘den gheest der verstendicheit’: Dese gave es oec wel ghelijc den schine der zonnen, want die zonne met haren schine vervult de locht met eenvoldigher claerheit.

Dietsche Lucidarius ed. 1998 (1400-20)

  • Verzen 5910-5918. Stichtelijk rijmtraktaat. Over het Laatste Oordeel: Gelike dat die sonne siet elc mensche / Mit sinen ogen herde scone, / Daer so gaet an den trone; / Also sullen dan sonder waen / Alle conciencie sijn ondaen; / Daer sel ecl andren sonden kennen wel, / So wie doen die sonne an den hemel, / Weder se doncker es of claer; / Des mach elc hebben vaer. Impliciete Christus-symboliek (Christus als Rechter bij Laatste Oordeel).

Spieghel der Menscheliker Behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 33 (hoofdstuk 6, verzen 1-20). Stichtelijk-typologisch berijmd traktaat. Maagden zijn beter dan weduwen zijn beter dan gehuwden: Lucifer die sterre, die nuchtens rijst, / Die es om hare claerheit gheprijst, / Die mane men meer prisen zal, / Maer die zonne boven al (verzen 17-20).

Fili accedens ed. 1988 (XVa)

  • 209 (regels 123-125). Geestelijk prozatraktaat. Also als die sonne scoenre is dan die steernen, also is verduldicheit inden liden edelre dan enich guet werc.

Brugman ed. 1948a (XVc)

  • 67 (vijfde preek, regels 48-51). Prekenbundel. Ende als die radye die vander sonnen gescheyden is, niet en schijnt, alsoe is die mensche die vander heiliger kerken gescheyden is.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 220 (28ste preek, preek van de H. Geest, regels 10-12). Prekenbundel. Want elc woert dat aendachtelic vanden gebet voert comet uten monde des ynnighen menschen blencket lq siz radien der claerre sonnen.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 373 (verzen 47-48). Vroed rederijkersgedicht, dialoog tussen Oorlog en Vrede. Beschrijving van prins Vrede: Een sonne (dwelck my seer wel bequam) / Stont blinckende in zijn banniere claer.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 64 (refrein 166, verzen 26-27). Vroed rederijkersrefrein, lof op Retorica. Ghelyc de sonne thooft der planeten / heeft hyse [hy = God] der consten chyragie gheuuecht.

Nyeuwen priestere ed. 1920 (circa 1530)

  • 425 (verzen 96-101). Rederijkersspel. Over de ‘priesters’ van het Oude Testament en de priesters van nu: Al was zeer groot / Dexcellencie van Melchisedech ende Aaron om louen / Verre ghaet dexcellencie te bouen / Vanden prietsers nv jnden tyt present / Ghelyc dat de zunne andt firmament / Jn excellencie van claerheyt delementen passeirt.

 

8 Zon = geliefde vrouw (amoureus)

 

Erec et Enide ed. 1993 (circa 1160)

  • 11. Oudfranse Arthurroman. De ridder Erec tot zijn geliefde Enide (in modern-Engelse vertaling): No maiden compares with you in beauty and merit, nobility and honor, any more than the moon does with the sun.

Gruuthuse-handschrift ed. 1966 (circa 1400)

  • 473 (nr. 112, verzen 20-21). Amoureus lied. Claerre dan der zonnen licht / So es mijn hertze ende du daer in.
  • 544 (nr. 141, vers 1). Amoureus lied. Mijn inghelic scijn vor alle zonnen.
  • 545 (nr. 141, vers 24). Amoureus lied. Huer scoont vruecht meer [haar schoonheid schenkt meer vreugde] dan zonnen licht.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 83 (refrein 43, verzen 18-19). Amoureus rederijkersrefrein. Over de geliefde: Soe die sonne meer lichts geeft dan die mane / geeft sy bouen andere vrouwen cracht.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 80 (strofe 3). Een ‘out’ amoureus liedje. Ghelijck de Sonne klaer / Eenpaer in ’s Hemels Throone / Soo is mijn Lief voorwaer / Aldaer blinckende schoone.

 

9 (Een hand vol) zon = de nietswaardige aardse ijdelheden

 

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 83 (nr. 60, verzen 42-56). Vroed gedicht over Christus’ geboorte. Daertsche dinghen, dair sy op hopen, / Die en weet ic nyet waer by ghelyken: / Alsmen moet van henen wijcken, / Soe isser recht soe veel ghewonnen, / Als off ic grepe nader zonnen / Ende woudse in kisten gaen besluten: / Tmeeste deel bleeff der buten. / Dier ghelijck is hem gheschiet: / Sy tyden op een wanckel niet, / Al die gheen die weldoen sparen; / Al mochtsy tvolc alhier bewaren / Ende horen wille voerweert driven, / Niet meer en sel hem dair of bliven, / Dan men der zonnen offten dach / In kisten wel besluten mach.
  • 230 (nr. 108, verzen 50-73). Vroed gedicht over de jeugd die snel verdwijnt. Wy sien den dach voer onsen oghen / Opdringhen mitter sonnen glas, / Die niet en blijft in enen pas: / Ter noenen toe is zijn opganc, / Daer en blijft hi cort noch lanc, / Hi moet dan dalen bi naturen. / Des menschen leven in figuren / Een deel te meten ende te weghen, / Dat is recht aldus gheleghen: / Dien God die avonture gheeft, / Dat hi tot veertich jaren leeft, / Soe is hi totter hogher noen, / Recht als die dach in sinen doen / Ter noen clymmet mitter zonnen. / Hoeneer die dalens heeft begonnen, / Soe ist over middach anden daghe. / Al schijntsi in horen ganghe traghe, / Thants vernemen wy datse daelt. / Wat salt cort of lanc verhaelt? / Wy moghen byder zonnen zincken / Ons eyghen leven overdincken, / Hoet nederdaelt van jaer te jaer, / Ende wy weten wel voerwaer, / Dat emmer tende comen moet.

Der minnen loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 100 (Boek I, vers 2691). Ars amandi. Mannen bedriegen vaak, het liefdesgeluk van de vrouw is breekbaar: So en heeft sy nauwe een hantvol zonnen.

Doctrinael des tijts ed. 1946 (1486)

  • 109 (hoofdstuk 10). Moraliserend traktaat. Over gokspelers en verkwisters: ende leytse spelen in de taverne ‘Uut der Sonnen’.

Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 100 (verzen 92-93). Rederijkersspel. De sinnekes over het uithangbord van het bordeel van Eertsche Solaesheijt: Wadt hanght sij uuijte? Die hant vol sonnen. / In alder ijdelheijt is haer logeringe.

Rijckeman ed. 1941 (1550)

  • 187 (verzen 422-424). Rederijkersspel. Schriftuurlijk Bewijs tot Rijke Man: Wat doen uw ringen anders an vingers, an duimen, / Uw kettens, uw boorden en uw vreemde pluimen, / Dan of men een hand vol zonnen in ’t oge smete?

Catechismus der minne ed. 1989 (1564)

  • 35 (vers 532). Minnecatechismus. Een ridder vraagt wat in de liefde het minst profijtelijk en nochtans meest geprezen is, want dat waar geen profijt aan is en dat toch geprezen wordt dat dunct menich sijnde een hant vol sonnen. Het antwoord is: omhelzen zonder kussen.

Groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 34r (verzen 1320-1321). Rederijkersspel. Waerlick Quaet Rigiment zegt: deese tijtelijcke eer als een hant vol sonnen / is wech geronnen, als een verbranden Doeck.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 123 (refrein 117, strofe 3, verzen 7-8). Vroed rederijkersrefrein. Wat ist? Wat windt hy, die dat al bevracht, / dan een handt vol sonnen, ja, een ydel niet.
  • 125 (refrein 118, strofe 1, verzen 8-9). Vroed rederijkersrefrein. Niemand dan Godt en can u bevryen, / maer als stoff der sonnen soudy haest vergaen.

Numa ed. 1941 (circa 1589)

  • 312 (verzen 359-360). Rederijkersspel. Proculus, een Romeinse bode, zegt: Ook het trachten na werldse eer, glorie en befaamdheid / Een handvol zonnen, windvang, der zotten lof, bij wijzen beschaamdheid.

 

10 Zon = pejoratieve personen of zaken

 

Pas der Doot ed. 1936 (1528)

  • 103 (verzen 388-391). Stichtelijk rijmtraktaat. Recht als die sonne die wolcken doorbreect, / Met haren rayen van groter macht, / Desghelijckx den druck die pijnlijck steect, / Om dleven te jaghen in cleender cracht. Doodsangst doet de levenskracht verdwijnen // zon doet wolken verdwijnen.

 

11 De zon niet in het water kunnen zien schijnen (zegswijze: niet kunnen verdragen dat anderen geluk hebben)

 

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 326 (verzen 7-10). Vroed rederijkersrefrein, tijdsklacht. Tvolck is soe met archeden beghordt / Alle dinck aensiende met quaden ooghen / Ten can van quaetheden lanck noch cort / De sonne int water haer schijn ghedooghen. Vers 10 is tegelijk de stokregel.

Een sAnders Welvaren ed. 1920 (1511/12)

  • 65 (vers 430). Rederijkersspel. Een sAnders Welvaren verwijt Meest Elc: Hu deert dat de zunne jnt water es scynelic.

Hoedeken van Marye ed. 1920 (1530/31)

  • 412 (verzen 37-38). Rederijkersspel. Dagelijks heerst de afgunst deerrende dat de zunne jnt water scynt / met de sommeghe die svoorspoet gheluc heift.

 

[explicit 10 december 2016]