Dr. Lucas van Dijck | Artikelen

Hoe heette onze schilder?

2016 © Dr. Lucas van Dijck

1

Al generaties lang wordt er van de naam van Jheronimus Bosch een tombola gemaakt. Daarom was het aardig, al is het niet erg belangrijk, om eens nauwkeurig na te gaan hoe hij eigenlijk heette, hoe men hem noemde en hoe hij zich zelf noemde.

Onze schilder werd geboren in een familie die Van Aken heette, naar de Duitse plaatsnaam. Deze familie verhuisde naar Nijmegen, waar de naam ongewijzigd bleef. De grootvader van onze Jheronimus, genaamd Jan, en meester in het vak, vertrok naar ’s-Hertogenbosch rond 1427. Hij vestigde zich in de Vuchterstraat op het Regenberchserve  en had wellicht ook daar zijn atelier.

Joen

Een van zijn zonen, Anthonius genaamd, kreeg enkele kinderen waaronder een zoon genaamd Joen. In alle eeuwen geschiedenis van ’s-Hertogenbosch is “Joen” een unieke voornaam gebleken. Niemand anders heeft zo ooit geheten! Deze Joen werd de beroemde schilder en werd zo door zijn familie en vrienden genoemd. Van de ca. 63 keer dat we Joen tegenkomen in de archieven wordt hij 8 maal Joen genoemd. Het was echter de gewoonte in die tijd dat alle voornamen in latijnstalige akten vertaald werden. Zo zocht de Bossche stadssecretaris de juiste vertaling en dat werd steevast Jheronimus. Deze naam komt in de akten maar liefst 53 keer voor vanaf 1474 op een leeftijd waarop hij als rechtspersoon mocht optreden. Toen Jheronimus ouder werd en de naam Joen wellicht meer en meer als een jongensnaam werd ervaren, werd de naam Jheronimus vanaf 1487 (hij was toen 37 jaar oud)  ook in Nederlandstalige documenten gebruikt. Na 1499 werd de naam Joen helemaal niet meer gebruikt, en werd hij uitsluitend Jheronimus genoemd.

Jeroen

Wat doen we dan met  “Jeroen”, zoals hij thans in de kunstwereld bekend is geworden? Jeroen was een Hollandse heilige, die in 856 te Noordwijk overleed. Hij was min of meer een kleine Hollandse heilige, terwijl Jheronimus  van Aken genoemd werd naar een beroemde kluizenaar en kerkvader. In de ca. 63 oorkonden en oude teksten komen we slechts twee maal “Jeroen” tegen, en toevallig beide keren in de rekeningen van de Illustere Lieve Vrouwebroederschap (in resp. 1494-1495). De naam Jeroen moet dus zo snel mogelijk als absoluut foutief vergeten worden.

Jheronimus

Om het nog ingewikkelder te maken veranderde Jheronimus zijn schildersnaam eigenhandig: Op de schilderijen laat hij zich kennen als “Jheronimus Bosch”. Dat betekent dat drie naam varianten historisch goedgekeurd kunnen worden: Joen van Aken als jeugd- en familienaam, Jheronimus van Aken als doopnaam  en officiële  naam op latere leeftijd, en Jheronimus Bosch als schildersnaam (na ca. 1500 ?).

Iheronimus?

Sinds enige tijd bestaat er een wetenschappelijk beoogde database met alle teksten in transcriptie en van vertalingen en foto’s voorzien over het leven van Bosch. Het heet “BoschDoc.huygens.knaw.nl”. In dit veelomvattende projekt wordt de latijnse voornaam van Jheronimus stelselmatig en consequent getranscribeerd als “Iheronimus”… dus de initiale J wordt omgetoverd in een I. Wat daarvan nu weer de betekenis moet zijn is me een raadsel. ..alweer een nieuwe naam!

Van Aken en Priem

Nu we echter toch met namen bezig zijn is het wellicht een goed moment om een vrouwelijke kunstenaar, wier naam nog onbekend was,  in de familie Van Aken te identificeren. Het was bekend dat in 1499 een schoonzus van Jheronimus  (de vrouw van zijn broer Goessen) een houten beeld van de H. Barbara polychromeerde of, zoals men in die tijd zei, “stoffeerde”. Het is dan ook niet vreemd dat een van haar zonen (Anthonis)  schilder werd en de andere zoon (Jan) beeldsnijder!  Welnu, in een akte van 17 december 1501 [1], blijkt hun moeder Katharina  een dochter te zijn van Johannes Priem. De familie Priem nam vanaf ca. 1430 tot ca.1560 een vooraanstaande plaats in als schildersfamilie in de stad. Het betekent dat de beide families Van Aken en Priem niet alleen door het vak van schilderen, maar ook door het huwelijk met elkaar verbonden waren. De betreffende akte komt niet voor in het project  “BoschDoc.huygen.knaw.nl”.

 

[1] Stadsarchief, Boschprotocol, R. 1270, fol. 39vo.

# # #